ECLI:NL:RBDHA:2026:17133
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Luxemburg verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening. Tevens verzocht eiser om een voorlopige voorziening om zijn overdracht aan Luxemburg te voorkomen.
De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waardoor Nederland mag aannemen dat Luxemburg zijn internationale verplichtingen nakomt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in Luxemburg sprake is van ernstige tekortkomingen in de asielprocedure of opvang die een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro EU opleveren.
Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat de minister de bevoegdheid geeft om de aanvraag toch inhoudelijk te behandelen bij bijzondere omstandigheden, faalt omdat eiser onvoldoende bijzondere individuele omstandigheden heeft gesteld die een overdracht aan Luxemburg onevenredig hard maken.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter J.C.E. Krikke op 23 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.