ECLI:NL:RBDHA:2026:17137
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag.
De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en stelt vast dat Nederland een verzoek tot terugname aan Duitsland heeft gedaan, dat door Duitsland is aanvaard. Eiser betoogt dat hij niet wil terugkeren naar Duitsland vanwege een eerdere afwijzing en vreest detentie, maar slaagt er niet in aannemelijk te maken dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt.
De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser onvoldoende feiten heeft aangevoerd die een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro EU aannemelijk maken. Ook bijzondere individuele omstandigheden die overdracht aan Duitsland onevenredig hard zouden maken, zijn niet aangetoond.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding tot proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter J.C.E. Krikke en griffier D.P. van Middelkoop.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.