ECLI:NL:RBDHA:2026:17164

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28974 en NL26.30997
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 59b Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit en maatregel van bewaring met inreisverbod

Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, kreeg op 21 mei 2026 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd, alsmede een maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de gronden voor het terugkeerbesluit niet waren bestreden en dat de motivering voldoende was, ook na een aanvullend terugkeerbesluit waarin de landen Algerije en Marokko als mogelijke bestemmingen werden genoemd. De maatregel van bewaring werd gerechtvaardigd geacht vanwege het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.

Hoewel eiser betoogde dat er onvoldoende zicht was op uitzetting en verweerder niet voortvarend had gehandeld, stelde de rechtbank vast dat verweerder adequaat had gehandeld, onder meer door het voeren van een vertrekgesprek en het indienen van laissez-passer aanvragen. Eiser weigerde echter zijn vingerafdrukken af te staan.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en dat het beroep ongegrond was. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.28974 en NL26.30997

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2026 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R. Poyraz, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1978.
Over bestreden besluit 1 (de zaak bekend onder nummer NL26.30997)
2. In het terugkeerbesluit heeft verweerder vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van
het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Allereerst wordt vastgesteld dat de gronden waarop het terugkeerbesluit berust niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichten gronden en de daarbij gegeven motivering in onderlinge samenhang bezien voldoende om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zal onderduiken en deze gronden kunnen het besluit dan ook dragen.
4. De rechtbank volgt het betoog van eiser niet dat het terugkeerbesluit ondeugdelijk is gemotiveerd en onvoldoende concreet is ten aanzien van het land van terugkeer. Op 21 mei 2026 heeft verweerder een terugkeerbesluit genomen waarin als land/gebied van herkomst de Westelijke Sahara is opgenomen naar aanleiding van eisers eigen verklaringen en daarbij is tevens de Algerijnse nationaliteit van eiser vermeld. Mede omdat de Westelijke Sahara geen erkend land is, is op 28 mei 2026 een aanvullend terugkeerbesluit genomen met als aangewezen landen voor terugkeer Algerije en Marokko. De rechtbank is van oordeel dat uit het terugkeerbesluit van 21 mei 2026 mede door de daarin genoemde nationaliteit al voldoende duidelijk bleek op welk land het is gericht. Anders dan eiser en verweerder menen, is de rechtbank dan ook van oordeel dat geen sprake was van een gebrek. In het aanvullend terugkeerbesluit van 28 mei 2026 heeft verweerder dit nader geconcretiseerd en daarnaast ook Marokko genoemd als land waarnaar eiser mogelijk uitgezet kan worden. Verweerder heeft ook bij beide landen een aanvraag voor een laissez-passer (lp) gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zowel het oorspronkelijke als het aanvullend terugkeerbesluit rechtmatig zijn.
Over bestreden besluit 2 (de zaak bekend onder nummer NL26.28974)
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft dit op dezelfde gronden gebaseerd als hiervoor onder overweging 2 zijn genoemd.
6. De gemachtigde van eiser betwist de zware gronden 3b en 3d die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring. Daarbij is er onvoldoende zicht op uitzetting. Eiser verblijft inmiddels bijna een maand in bewaring en er is nog geen concrete voortgang zichtbaar ten aanzien van eisers uitzetting. Zolang een deugdelijke grondslag voor de lp-procedure ontbreekt is aannemelijk dat uitzetting niet binnen een redelijk termijn kan worden gerealiseerd.
7. De rechtbank stelt vast dat de zware grond onder 3a en 3i, en de lichte gronden onder 4a, 4c en 4d niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarvoor gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eiser het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen. Gelet hierop behoeven de door eiser bestreden gronden geen bespreking meer.
8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de verwijdering uit Nederland, dan wel dat zicht op uitzetting ontbrak. Op 21 mei 2026 is eiser op de onderhavige grondslag in bewaring gesteld. Zoals verweerder ter zitting terecht heeft gesteld is verweerder niet gehouden om uitzettingshandelingen te verrichten in de periode dat eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 in bewaring verbleef. Op 1 juni 2026 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden, op 2 juni 2026 is de lp-aanvraag naar de Algerijnse autoriteiten verzonden en de lp-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten zal zo spoedig mogelijk worden ingediend omdat de aanvraag moet worden voorzien van dactyloscopische gegevens. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat eiser op 3 juni 2026 heeft geweigerd om zijn vingerafdrukken te laten afnemen. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank acht ten aanzien van het zicht op uitzetting van belang dat voor Marokko en Algerije in zijn algemeenheid wordt aangenomen dat daarvan sprake is. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden om daar in het geval van eiser anders over te oordelen mede gelet op het feit dat niet is gebleken dat de Algerijnse of Marokkaanse autoriteiten de aanvraag niet in behandeling zullen nemen.
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is [1] , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de toepassing en het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Over de beroepen

11. Het beroep tegen de bestreden besluiten is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.