ECLI:NL:RBDHA:2026:1719

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL25.62310 en NL25.63221
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59b VwArt. 106 VwArt. 5.1b VbArt. 8 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid en schadevergoeding bij maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser werd op 18 december 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd op 24 december 2025 omgezet naar een andere grondslag en op diezelfde dag opgeheven. Eiser stelde beroep in tegen beide besluiten en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de ophoudingstermijn.

De rechtbank stelde vast dat de ophouding met 48 minuten was overschreden, wat onrechtmatig is. Echter, de belangenafweging leidde tot het oordeel dat de belangen van de minister zwaarder wogen gezien het onttrekkingsrisico en de geringe overschrijding. Eiser had bovendien niet onderbouwd hoe hij door de overschrijding was geschaad.

De rechtbank oordeelde dat de zware gronden voor bewaring, zoals het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen en het onttrekken aan toezicht, voldoende waren gemotiveerd en dat de maatregel terecht was opgelegd. Ook was de omzetting van de maatregel tijdig gebeurd. De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het verzoek om schadevergoeding af.

De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten aan eiser vanwege het vastgestelde gebrek. De uitspraak werd gedaan door rechter S.N. Abdoelkadir en is openbaar bekendgemaakt op 7 januari 2026.

Uitkomst: De beroepen tegen de maatregel van bewaring zijn ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62310 en NL25.63221

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2025 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft op 24 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
Bij besluit van 24 december 2025 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F.G. Moretto. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Over het bestreden besluit 1 (NL25.62310)
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Ophouding
2. Eiser voert aan dat de termijn van de ophouding is overschreden. Dat eiser in de gelegenheid is gesteld om met zijn gemachtigde te spreken, is geen deugdelijke grond om de ophoudingstermijn te verlengen. Dit maakt dat de ophouding onrechtmatig is, wat met zich brengt dat ook de daaropvolgende maatregel onrechtmatig is.
3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de ophouding van eiser de maximale duur met 48 minuten heeft overschreden. De ophouding is daarom onrechtmatig. Volgens vaste jurisprudentie maakt de onrechtmatigheid van de ophouding de daaropvolgende inbewaringstelling slechts onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Naar het oordeel van de rechtbank dient de belangenafweging in dit geval in het nadeel van eiser uit te vallen. De rechtbank betrekt hierbij dat uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd - zoals in de rechtsoverwegingen 6. en 7. is overwogen - een onttrekkingsrisico volgt. Daarnaast is sprake van een geringe overschrijding van de termijn, namelijk slechts 48 minuten. Verder betrekt de rechtbank dat eiser niet heeft onderbouwd op welke wijze hij door het overschrijden van de ophoudingstermijn in zijn belangen is geschaad. Gelet hierop staan de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding tot de ernst van het gebrek. De belangenafweging valt daarom in het voordeel van de minister uit. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist de zware gronden 3a, 3b en 3c en alle lichte gronden. Ten aanzien van deze gronden voert eiser aan dat deze hem niet kunnen worden tegengeworpen, omdat ze grotendeels zien op aan onrechtmatig verblijf inherente omstandigheden.
6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Niet is weersproken dat eiser zonder geldig reisdocument Nederland is ingereisd. Hieraan heeft verweerder terecht de conclusie mogen verbinden dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Het feit dat eiser een vreemdeling is, doet hier niet aan af. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Eiser heeft zijn onrechtmatig verblijf in Nederland namelijk niet gemeld bij de korpschef. Hiermee heeft eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken.
7. De zware gronden 3a en 3b zijn, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank zal daarom niet ingaan op wat eiser in het kader van de overige gronden heeft aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Omzetting van de maatregel van bewaring
8. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring te laat is omgezet. Eiser heeft namelijk sinds zijn asielaanvraag van 22 december 2025 rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw, en de maatregel van bewaring had dan ook meteen moeten worden omgezet.
9. De rechtbank overweegt, in tegenstelling tot hetgeen eiser betoogt, dat verweerder volgens vaste rechtspraak een maatregel van bewaring binnen 48 uur dient om te zetten naar een andere grondslag, wanneer deze niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust. Uit het M35-H formulier (Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd) blijkt dat eiser op 22 december 2025 een asielaanvraag heeft ingediend. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 24 december 2025 de maatregel had moeten omzetten naar een andere grondslag. Dit heeft verweerder ook op 24 december 2024 gedaan zodat de maatregel van bewaring niet te laat is omgezet. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858) gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
11. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Over het bestreden besluit 2 (NL25.63221)
Grondslag maatregel van bewaring
12. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring ten onrechte berust op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Er zijn namelijk onvoldoende aanwijzingen om te stellen dat eiser zijn asielaanvraag van 22 december 2025 enkel zou hebben ingediend om zijn uitzetting te frustreren. Daarnaast is de motivering van de maatregel van bewaring grotendeels een herhaling van de eerdere maatregel. Verweerder heeft nagelaten om een actuele beoordeling te maken, hetgeen niet past bij het strengere kader van een maatregel lopende een asielaanvraag.
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de maatregel van bewaring terecht berust op (onder meer) artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Eiser werd reeds voor het opleggen van de huidige maatregel in bewaring gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn. Eiser verbleef daarvoor al geruime tijd in Europa en heeft gedurende die tijd de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure gehad. Eiser heeft echter pas asiel aangevraagd nadat de Marokkaanse autoriteiten op 12 december 2025 een laissez-passer (lp) voor hem hadden afgegeven en hij op 18 december 2025 in vreemdelingenbewaring werd gesteld. Verweerder heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank niet onterecht gesteld dat eiser de asielaanvraag van 22 december 2025 enkel zou hebben ingediend om zijn uitzetting te frustreren.
14. Ten aanzien van de actuele beoordeling, overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling van 24 december 2025 volgt dat aan eiser is gevraagd of hij nog op- en/of aanmerkingen heeft ten aanzien van het eerdere gehoor van 18 december 2025. Eiser heeft daarop verklaard dat hij zijn verklaring heeft afgelegd, dat hij heeft meegewerkt aan afgifte van dna en dat hij helemaal niks heeft met Marokko. Uit datzelfde proces-verbaal blijkt ook dat verweerder aan eiser heeft gevraagd of er omstandigheden zijn die maken dat aan eiser een lichter middel moet worden opgelegd. Eiser heeft daarop geantwoord dat hij geen adres heeft, dat hij door een slecht moment gaat en dat hij graag in Nederland wil blijven. Ten aanzien van zijn gezondheid heeft hij verklaard dat hij op dit moment niet ziek is of medicatie gebruikt. Gelet op het voorgaande is niet gebleken van relevante nieuwe omstandigheden en volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat verweerder geen actuele beoordeling heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
15. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858) gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

16. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
17. Vanwege het onder rechtsoverweging 3. vastgestelde gebrek, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.