Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Algerijnse asielzoeker, werd op 12 mei 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel van bewaring werd op 22 juni 2026 opgeheven. Eiser stelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat de maximale termijn van vier weken was overschreden zonder verlenging, en dat hij vanwege psychiatrische problematiek nog niet was gehoord in zijn asielprocedure.
De rechtbank beoordeelde of de bewaring onrechtmatig was en of eiser recht had op schadevergoeding. De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was vanaf 20 mei 2026, maar wel vanaf 10 juni 2026, de dag na het verstrijken van de maximale termijn zonder verlenging. Verweerder had uiterlijk op 9 juni 2026 een besluit moeten nemen, wat niet is gebeurd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend had moeten handelen, maar gezien het wisselende ziektebeeld van eiser redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat de volledige termijn benut kon worden voor het plannen van een gehoor. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €1.560 voor 13 dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde de Staat tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van €934.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was vanaf 10 juni 2026 en kent een schadevergoeding van €1.560 toe aan eiser.