ECLI:NL:RBDHA:2026:172

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
NL25.62070 en NL25.63632
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod met verzoek om schadevergoeding

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep van een eiser met Algerijnse nationaliteit tegen een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De minister had op 15 december 2025 een terugkeerbesluit en een maatregel van bewaring opgelegd, omdat er een risico bestond dat de eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De eiser heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld, waarbij hij ook een verzoek om schadevergoeding heeft ingediend. Tijdens de zitting op 30 december 2025 was de eiser aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde, en werd er een tolk ingeschakeld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de maatregel van bewaring terecht heeft opgelegd, gezien de niet betwiste zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag lagen. De rechtbank oordeelde dat er geen andere, minder dwingende maatregelen dan inbewaringstelling effectief konden zijn, en dat de beroepsgrond van de eiser niet slaagde. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt op 6 januari 2026.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.62070 en NL25.63632

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B.A. Palm),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2025 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Barzizaoua. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1970.
Over bestreden besluit 2
De gronden van de maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de feitelijke juistheid van de zware grond onder 3d die ten grondslag is gelegd aan het opleggen van het terugkeerbesluit. Eiser is al dertig jaar in Nederland en is altijd consequent geweest in het opgeven van zijn identiteit en nationaliteit.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden onder 3d heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de niet betwiste zware en lichte gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn en ook voldoende zijn om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel
van bewaring daarom al dragen. Om die reden behoeft hetgeen eiser heeft aangevoerd over de zware grond onder 3d geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij verslavingsproblemen heeft. Het lag daarom in de rede om eiser op een andere manier te helpen met afkicken. De minister had kunnen volstaan met een meldplicht of een verblijf in een vertrekcentrum.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft terecht overwogen dat in geval van eiser een aanzienlijk risico op onttrekking bestaat. De minister had dan ook geen doorslaggevend gewicht hoeven hechten aan wat de meest gepaste manier is om af te kicken voor eiser, ook omdat eiser geen wens heeft geuit om af te kicken. Daarbij heeft de minister er terecht op gewezen dat afkicken niet het doel van de maatregel is. De beroepsgrond slaagt niet.

Over bestreden besluit 1

7. De rechtbank stelt vast dat eiser – naast hetgeen hiervoor besproken met betrekking tot de maatregel van bewaring – geen aparte gronden heeft ingediend gericht tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod. Het beroep slaagt daarom niet.
Over de beroepen
8. Het beroep tegen de bestreden besluiten is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af..
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.