ECLI:NL:RBDHA:2026:17200

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.5990 en NL26.5991
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens niet aannemelijke identiteit en nationaliteit

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend met de stelling dat hij van Albanese nationaliteit is en vanwege problemen met de Albanese maffia bescherming zoekt. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser geen geloofwaardige identiteit kon aantonen, geen identificerende documenten overlegde en tegenstrijdige verklaringen gaf over zijn verblijf in Duitsland en kennis van Albanië.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld en geoordeeld dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder hoefde niet verder navraag te doen bij Duitse autoriteiten omdat reeds was vastgesteld dat eiser daar geen legale verblijfsstatus had.

Eiser heeft de verschillende gronden voor afwijzing niet voldoende bestreden. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.5990 en NL26.5991
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 11 januari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 27 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. A.K.E. van den Heuvel als waarnemer van de gemachtigde van eiser, F. den Hengst als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt van Albanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij op zijn achtste uit Albanië is vertrokken en vervolgens in Duitsland problemen heeft gekregen met de Albanese maffia. Eiser heeft daarnaast verklaard dat zijn vriendin in verwachting is van hun eerste kind.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
eisers gestelde problemen.
4. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig en heeft eisers problemen daarom niet inhoudelijk beoordeeld. Eiser heeft namelijk zonder goede verklaring geen identificerende documenten overgelegd en zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend. Hij heeft daarnaast vals verklaard over zijn verblijf in Duitsland, laat niet merken dat hij Albanees spreekt en heeft geen kennis van Albanië, ondanks dat hij stelt dat hij daar tot zijn achtste jaar heeft gewoond. Volgens verweerder kan eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd. Verweerder heeft de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit, identiteitsdocumenten heeft vernietigd of weggemaakt, kennelijk inconsequent en tegenstrijdig heeft verklaard, zijn aanvraag alleen heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen en niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd. Eiser krijgt ook geen verblijfsvergunning vanwege gezinsleven met zijn vriendin of kind, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij een relatie heeft of dat zijn vriendin zwanger is.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat verweerder er voor het onderzoek naar eisers identiteit niet mee mocht volstaan zijn vingerafdrukken in de systemen Eurodac en EU-vis na te gaan. Verweerder moest ook bij de Duitse autoriteiten navragen of eiser daar is geregistreerd om een andere reden dan vanwege een eerdere asiel- of visumaanvraag en of daar identiteitsdocumenten zijn ingenomen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet aannemelijk zijn. Allereerst mocht verweerder erop wijzen dat het primair aan eiser is om zijn identiteit te onderbouwen. Verweerder mocht vervolgens aan eiser tegenwerpen dat hij zonder goede verklaring onvoldoende documenten heeft gegeven. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij verschillende identificerende documenten uit Tunesië en Albanië heeft, maar heeft geweigerd deze over te leggen. Verweerder mocht zich ook op het standpunt stellen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen omdat eiser niet weet te verklaren over Albanië en vals heeft verklaard dat hij in Duitsland politiek asiel heeft gekregen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder uitgebreider navraag moest doen bij de Duitse autoriteiten. Verweerder heeft namelijk gecontroleerd of eiser een asielstatus of visum heeft (gehad) in Duitsland. Nu eiser tijdens het aanmeldgehoor zelf heeft verklaard dat hij in Duitsland geen (andere vorm van) legaal verblijf heeft gehad, heeft verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zien voor een verdere uitvraag. Ter zitting heeft verweerder nog benoemd dat de vreemdelingenpolitie in eisers strafrechtelijke procedure navraag heeft gedaan bij de Spaanse, Duitse en Italiaanse autoriteiten. Daaruit is gebleken dat eiser daar niet bekend is. Deze navraag was in het kader van deze asielprocedure echter onverplicht. Eisers betoog dat het niet zorgvuldig is dat hier geen stukken van aan het dossier zijn toegevoegd, slaagt daarom niet. Verweerder mocht ook concluderen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dat hij niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, omdat hij heeft geprobeerd zich met valse documenten in te schrijven bij de gemeente.
8. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder eisers aanvraag ook kennelijk ongegrond verklaren. In de beroepsgronden heeft eiser de verschillende redenen die verweerder hiervoor heeft gegeven niet bestreden.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9.1.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9.2.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, d, e, f en h, van de Vw 2000.