ECLI:NL:RBDHA:2026:17201

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.5999
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Verdrag betreffende de status van vluchtelingenArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Algerijnse LHBTI-aanvrager wegens gebrek aan geloofwaardigheid en misleiding

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 19 januari 2026 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 3 februari 2026 af als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat hij risico loopt op vervolging of ernstige schade.

Eiser stelde dat hij vanwege zijn homoseksualiteit en zijn vermeende betrokkenheid bij een drugsbende in Algerije gevaar loopt. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende samenhangende en geloofwaardige verklaringen gaf over zijn seksuele gerichtheid en zijn werkzaamheden voor de drugsbende. Ook werd zijn late indiening van de asielaanvraag en het gebruik van aliassen als indicaties van misleiding meegewogen.

Het gehoor werd als zorgvuldig beoordeeld, ondanks een wisseling van tolk en de duur van het gesprek. De rechtbank concludeerde dat eiser geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5999

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 19 januari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft problemen gekregen met zijn familie omdat hij homoseksueel is en in Algerije een relatie had met een man. Daarnaast heeft eiser problemen met de Algerijnse autoriteiten omdat hij een jaar lang voor een drugsbende heeft gewerkt.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
eisers problemen vanwege zijn seksuele gerichtheid; en
eisers problemen vanwege zijn werkzaamheden bij een drugsbende.
4. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar zijn problemen vanwege zijn seksuele gerichtheid en zijn werkzaamheden voor een drugsbende niet. Eisers verklaringen over beide motieven vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Hij heeft ook geen oprechte inspanning geleverd zijn problemen vanwege de drugsbende te staven, omdat hij niet heeft geprobeerd documenten die daarover gaan te achterhalen. Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend, nu hij al in 2023 in Nederland is aangetroffen en toen nadrukkelijk de gelegenheid heeft gekregen om asiel aan te vragen. Daar komt bij dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd omdat hij aliassen heeft opgegeven en al lange tijd bewust illegaal in Europa verblijft. Eiser heeft daarom geen gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin [2] en hij loopt geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. [3] Verweerder wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat eiser hem heeft misleid over zijn identiteit en de aanvraag alleen heeft ingediend om zijn uitzetting of overdracht te verijdelen of uit te stellen.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met eisers culturele achtergrond en het feit dat hij langdurig in detentie zit. Daarnaast duurde het gehoor lang en moest er van tolk gewisseld worden. Al die omstandigheden hebben invloed op eisers verklaringen. Verweerder heeft daarnaast onvoldoende meegenomen dat eiser het risico loopt om slachtoffer te worden van eergerelateerd geweld en dat hij in detentie het gevaar loopt om mishandeld te worden, ook vanwege zijn gerichtheid. Aan eiser mag niet worden tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag laat heeft ingediend en de aanvraag mag niet kennelijk ongegrond worden verklaard vanwege de complexiteit van de zaak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
7. Eisers betoog dat het gehoor niet zorgvuldig is verlopen of te belastend was, slaagt niet. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat het gehoor niet uitzonderlijk lang was – namelijk minder dan zes uur inclusief pauzes – en dat eiser aan het einde heeft aangegeven dat hij het goed vond gaan. Ook de omstandigheid dat er van tolk gewisseld moest worden omdat de eerste tolk ziek werd, maakt niet dat het gehoor onzorgvuldig is verlopen. Eiser heeft namelijk over beide tolken aangegeven dat hij hen goed kon verstaan en uit het gehoorverslag blijkt ook niet op een andere manier dat de wissel invloed heeft gehad op de kwaliteit van het gehoor.
8. Nu niet is gebleken dat er problemen waren tijdens het gehoor, mocht verweerder van eiser samenhangende en aannemelijke verklaringen verwachten over zijn asielmotieven.
8.1.
Over de seksuele gerichtheid mocht verweerder tegenwerpen dat eiser geen inzicht kon geven in de ontdekking daarvan, in zijn eerdere relatie en in hoe het leven als homoseksuele man in Algerije was. Verweerder heeft hierbij voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader door toe te lichten dat van eiser wel verwacht mocht worden dat hij inzicht gaf in zijn eigen ervaringen en gevoelens. Zo mocht verweerder van eiser verwachten dat hij er in enige mate over heeft nagedacht hoe het is om homoseksueel te zijn in een maatschappij waar dat niet wordt geaccepteerd. Eiser heeft daarnaast, ook gelet op zijn referentiekader, weinig kennis over de LHBTI-gemeenschap.
8.2.
Wat betreft de drugsbende mocht verweerder aan eiser tegenwerpen dat hij heeft verklaard over een document dat dit asielmotief zou onderbouwen, maar dat hij geen pogingen heeft ondernomen om dat document (weer) te verkrijgen. Daar komt bij dat verweerder erop mocht wijzen dat uit niets is gebleken dat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat of heeft gestaan en dat zijn verklaringen hierover dus gebaseerd zijn op aannames en vermoedens.
9. Het betoog dat de late asielaanvraag niet aan eiser mag worden tegengeworpen, slaagt niet. Verweerder mocht namelijk van iemand die stelt internationale bescherming nodig te hebben, verwachten dat hij zich zou laten informeren over de mogelijkheden om asiel aan te vragen. Dit geldt te meer nu eiser in 2023 al nadrukkelijk de kans heeft gehad om zich in Ter Apel te melden om een asielaanvraag te doen. Tot slot mocht verweerder vinden dat eiser niet in grote lijnen geloofwaardig is vanwege de valse informatie die hij heeft gegeven en het gebrek aan pogingen zijn verblijf te legaliseren. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder mocht vinden dat eisers asielmotieven niet geloofwaardig zijn. Nu eisers gestelde problemen en seksuele gerichtheid niet aannemelijk zijn, is er ook geen reden het risico op eergerelateerd geweld of een samenloop van risico’s in detentie in Algerije te beoordelen. Verweerder mocht gelet op het voorgaande concluderen dat eiser bij terugkeer naar Algerije geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en dat hij niet heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin.
10. Eiser heeft niet betwist dat hij verweerder heeft misleid over zijn identiteit of dat hij zijn aanvraag heeft ingediend om een uitzetting te verijdelen. Dat zijn zaak complex is – wat daar ook van zij – maakt niet dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.

Conclusie en gevolgen

11. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11.1.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en f, van de Vw 2000.
2.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.