ECLI:NL:RBDHA:2026:17201
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Algerijnse LHBTI-aanvrager wegens gebrek aan geloofwaardigheid en misleiding
Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 19 januari 2026 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 3 februari 2026 af als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat hij risico loopt op vervolging of ernstige schade.
Eiser stelde dat hij vanwege zijn homoseksualiteit en zijn vermeende betrokkenheid bij een drugsbende in Algerije gevaar loopt. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende samenhangende en geloofwaardige verklaringen gaf over zijn seksuele gerichtheid en zijn werkzaamheden voor de drugsbende. Ook werd zijn late indiening van de asielaanvraag en het gebruik van aliassen als indicaties van misleiding meegewogen.
Het gehoor werd als zorgvuldig beoordeeld, ondanks een wisseling van tolk en de duur van het gesprek. De rechtbank concludeerde dat eiser geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.