ECLI:NL:RBDHA:2026:17214

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.31906
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 50 VwArt. 50a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet

De minister van Asiel en Migratie legde op 28 mei 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 19 juni 2026 in Groningen, waar eiser werd vertegenwoordigd door een waarnemer.

De minister baseerde de bewaring op zware gronden, zoals het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en onvoldoende medewerking aan identiteitsvaststelling, en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De rechtbank oordeelde dat eiser onder de categorie vreemdelingen valt waarvoor bewaring is toegestaan en dat er een concreet aanknopingspunt bestaat voor overdracht op grond van de Dublinverordening.

Eiser betwistte de gronden niet, en de rechtbank vond geen aanleiding om de rechtmatigheid van de maatregel te verwerpen. Ook was er geen aanleiding om een lichter middel toe te passen, mede omdat geen medische of persoonlijke omstandigheden waren die dit rechtvaardigden. De minister handelde voortvarend bij de overdracht, die na acceptatie door Luxemburg snel werd voorbereid. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31906

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser.

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: L. Ploeger).

Inleiding

1. De minister heeft op 28 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft op 8 juni 2026 tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M. Blaauw, als waarnemer voor zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
(lichte gronden)4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
2.2.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
3. Eiser stelt dat in het dossier stukken ontbreken die zien op de strafrechtelijke aanhouding van eiser, waardoor onvoldoende inzichtelijk is wat zich heeft voorgedaan en of mogelijk sprake is van een verkapte vreemdelingrechtelijke aanhouding.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier voldoende duidelijk blijkt dat sprake was van een strafrechtelijke aanhouding. Uit het proces-verbaal van aanhouding van 28 mei 2026 volgt dat aan eiser is medegedeeld dat hij wordt verdacht van diefstal. Verder is in het ‘formulier externe bijzonderheden zaak’ vermeld dat eiser op 28 mei 2026 is aangehouden wegens winkeldiefstal en dat hem hiervoor een reprimande is opgelegd. Eiser is vervolgens, zoals volgt uit de M105-A [2] , overgenomen en aansluitend op strafrechtelijke heenzending opgehouden.
Grondslag
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 8 juni 2026 hebben de Nederlandse autoriteiten, na afwijzing van een terugnameverzoek door Spanje, een terugnameverzoek ingediend bij de autoriteiten van Luxemburg. Dit verzoek is op 11 juni 2026 door Luxemburg aanvaard.
Gronden
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De
rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden, in samenhang gezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Er bestaat dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het significante risico op onttrekking is gegeven. Verder is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Nadat de autoriteiten van Luxemburg akkoord hadden gegeven op het terugnameverzoek van Nederland, heeft op
18 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden en heeft de minister diezelfde dag een overdrachtsbesluit genomen en uitgevaardigd. De minister heeft hiermee, anders dan eiser stelt, niet zodanig langzaam gehandeld dat dit tot opheffing van de bewaring zou moeten leiden.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [3]
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Proces-verbaal van ophouding en onderzoek als bedoeld in artikel 50 dan Pro wel artikel 50a van de
3.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).