ECLI:NL:RBDHA:2026:17215

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33253
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59b VwArt. 59c VwArt. 106 VwArt. 5.5 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

Eiser is op 4 juni 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000, waarna meerdere opeenvolgende bewaringen volgden, waarvan de laatste op 15 juni 2026 is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank toetst de rechtmatigheid van deze laatste maatregel en het verzoek om schadevergoeding.

De minister heeft de bewaring opgelegd vanwege een onderduikrisico en het risico dat eiser de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en dat de gronden voor bewaring feitelijk juist zijn, waaronder het illegaal binnenkomen van Nederland en het niet naleven van de vertrekplicht. De rechtbank constateert dat de minister geen lichter middel hoefde toe te passen en dat er geen medische of persoonlijke omstandigheden zijn die bewaring onevenredig maken.

Verder oordeelt de rechtbank dat de minister voldoende voortvarend is in de uitzettingsprocedure, ondanks dat eiser weigert mee te werken aan vertrekgesprekken. Er is zicht op uitzetting naar Algerije, en de rechtbank volgt eerdere jurisprudentie dat dit voldoende is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af, zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33253

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. L. Ploeger).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring [1] die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [2] . Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [3]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiser is op 4 juni 2026 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw in bewaring gesteld. Deze maatregel is op 15 juni 2026 opgeheven.
3. Vervolgens is eiser op 15 juni 2026 om 13:56 uur aansluitend in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Deze maatregel is later diezelfde dag opgeheven.
4. Aansluitend is op 15 juni 2026 om 14:59 uur opnieuw een maatregel van bewaring opgelegd, ditmaal op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank is van deze laatstgenoemde maatregel in kennis gesteld en deze ligt ter toetsing voor.
4.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [4]
4.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M. Blaauw, als waarnemer voor zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
5. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. [5] De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [6] Deze vreemdeling kan in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [7] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [8]
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
6. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
6.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend.
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [9] heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. De rechtbank stelt vast dat in de maatregel nog wordt gesproken over zware en lichte gronden, terwijl dit onderscheid met ingang van 12 juni 2026 met de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact is komen te vervallen en de onder a en b genoemde gronden zijn samengevoegd onder grond a. Hoewel de maatregel op dit punt dus nog niet is aangepast, is de inhoud van de gronden die aan deze maatregel ten grondslag zijn gelegd hetzelfde gebleven en wordt het onderduikrisico gemotiveerd. Wat betreft de zware gronden 3a en 3b voldoen deze tezamen gelezen aan grond a. De rechtbank ziet daarom aanleiding dit gebrek te passeren en is van oordeel dat dit niet tot onrechtmatigheid van de maatregel leidt.
Voortraject
8. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
9. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op
2 maart 2026 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd gekregen. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
10. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a en b, anders dan eiser stelt, terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Voor deze gronden is voldoende dat zij feitelijk juist zijn. [10] Grond a is feitelijk juist. Eiser heeft namelijk eerder verklaard Europa op illegale wijze te zijn binnengekomen en beschikt niet over een geldig reisdocument of een geldig visum om Nederland in te reizen. De minister heeft hieraan terecht de conclusie verbonden dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd. Dat eiser recent via een Dublin-overname Nederland is binnengekomen, maakt niet dat de eerdere onrechtmatige grensoverschrijding hem niet kan worden tegengeworpen. Ook is grond b feitelijk juist. Eiser is op 30 december 2025 met onbekende bestemming vertrokken en heeft geen melding gemaakt van zijn illegale verblijf als bedoeld in artikel 4.39 van het Vb. Hiermee heeft hij zich enige tijd aan het toezicht onttrokken. De stelling van eiser dat dit hem niet kan worden tegengeworpen omdat hij zou hebben voldaan aan zijn vertrekplicht door naar Duitsland te vertrekken, wordt niet gevolgd. Uit het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 2 maart 2026 volgt voldoende duidelijk dat eiser dient terug te keren naar Algerije en niet naar Duitsland. Daarmee heeft eiser niet voldaan aan de vertrekplicht en geen gevolg gegeven aan de gestelde vertrektermijn. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser de overige gronden niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden onrechtmatig aan eiser zijn tegengeworpen.
10.1.
De rechtbank concludeert dat alle gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. Er bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een onderduikrisico bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit verband acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat daarmee het risico op onttrekking is gegeven. Verder is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden of persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de derde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 17 juni 2026, een vertrekgesprek met eiser willen voeren. Eiser heeft echter herhaaldelijk geweigerd aan dit gesprek deel te nemen. Dat nog geen gesprek heeft plaatsgevonden, komt dan ook voor rekening en risico van eiser en betekent niet dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Dit geldt ook voor wat eiser aanvoert over het feit dat hij nog niet door het IOM [11] is benaderd. Zoals de rechtbank op de zitting al heeft aangegeven, kan eiser zich hiervoor wenden tot de regievoerder van het DT&V [12] over contact met het IOM.
Zicht op uitzetting
13. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling [13] van 6 mei 2024 [14] en 15 juli 2024 [15] , waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken.

Conclusie en gevolgen

14. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [16]
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Hierna: bewaring.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
5.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
6.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
7.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
8.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
9.Vreemdelingenbesluit 2000.
10.Zie artikel 5.6, derde lid, van het Vb.
11.International Organization for Migration.
12.Dienst Terugkeer en Vertrek.
13.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
16.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).