ECLI:NL:RBDHA:2026:17216

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33139
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59c VwArt. 106 VwArt. 5.5 VbArt. 5.6 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist de rechtmatigheid van de maatregel en vordert tevens een schadevergoeding.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en dat de maatregel is gebaseerd op een onderduikrisico en het ontwijken of belemmeren van de uitzettingsprocedure. Eiser heeft de aan de maatregel ten grondslag gelegde feiten niet betwist. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht geen lichter middel heeft gekozen en dat de medische omstandigheden van eiser voldoende zijn betrokken.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting, met zicht op uitzetting naar Algerije. De rechtbank ziet geen aanleiding om de maatregel onrechtmatig te verklaren en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33139

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma)).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring [1] die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [2] . Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [3]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 13 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [4]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. [5] De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. [6] Deze vreemdeling kan in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [7] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [8]
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [9] heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op
22 mei 2024 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd gekregen. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen van de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang gezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Er bestaat dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een onderduikrisico bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het risico op onttrekking is gegeven. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiser gewezen op de beschikbare medische faciliteiten en voorzieningen binnen het detentie- en uitzetcentrum, alsmede op de mogelijkheid van overplaatsing naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten zorginstelling indien de benodigde zorg niet binnen die voorzieningen kan worden geboden. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen deze centra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de vierde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 16 juni 2026, schriftelijk verzocht aan de zaaksofficier om in te stemmen met de voorgenomen uitzetting van eiser. Daarnaast is op 17 juni 2026 een vertrekgesprek gevoerd. Verder heeft de minister op de zitting toegelicht dat op 18 maart 2026 de aanvraag voor een laissez-passer is ondertekend en op 2 april 2026 is verzonden aan de Algerijnse autoriteiten. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
10. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling [10] van 6 mei 2024 [11] en 15 juli 2024 [12] , waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken. De enkele omstandigheid dat eiser eerder in bewaring heeft gezeten en dat sinds de verzending van de laissez-passer-aanvraag nog geen reactie van de Algerijnse autoriteiten is ontvangen, rechtvaardigt niet de conclusie dat geen zicht op uitzetting bestaat. De minister heeft op de zitting toegelicht dat eiser eerder op grond van artikel 59b van de Vw in bewaring was gesteld, waardoor gedurende die periode geen uitzettingshandelingen konden worden verricht. Verder heeft de minister toegelicht dat maandelijks bij de Algerijnse autoriteiten wordt gerappelleerd. De bewaring duurt op dit moment nog niet zodanig lang dat moet worden aangenomen dat hierop geen reactie van de Algerijnse autoriteiten meer kan worden verwacht.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [13]
12. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Hierna: bewaring.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
5.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
6.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
7.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
8.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
9.Vreemdelingenbesluit 2000.
10.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
13.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).