ECLI:NL:RBDHA:2026:17228

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27730
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling uit Nepal

Verweerder heeft op 8 september 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel beoordeeld vanaf het sluiten van het eerdere onderzoek.

De gemachtigde van eiser stelde dat er geen reëel zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede vanwege de lange duur van de detentie van 10,5 maanden en de trage afhandeling van het laissez-passer verzoek bij de Nepalese autoriteiten. Verweerder overlegde voortgangsrapportages waaruit blijkt dat maandelijks contact is geweest met de Nepalese autoriteiten en dat de aanvraag nog in behandeling is.

De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat er geen reëel zicht op uitzetting is. Eiser heeft onvoldoende medewerking verleend aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit, waardoor een redelijk vooruitzicht op verwijdering kan worden aangenomen. Gezien deze omstandigheden en de ambtshalve toetsing acht de rechtbank het voortduren van de maatregel rechtmatig. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27730

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 8 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, in samenhang met het zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 april 2026 (in de zaak NL26.17101 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. De gemachtigde van eiser voert aan dat er geen reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is. Op 12 september 2025 is een laissez-passer (lp) verzoek ingediend bij de Nepalese autoriteiten en vervolgens is eiser op 21 april 2026 in persoon gepresenteerd. Op 8 mei 2026 is aan verweerder teruggekoppeld dat het aangeleverde kopie document in Kathmandu zal worden onderzocht op echtheid. Dit is vreemd aangezien een kopie niet op echtheid kan worden onderzocht. De autoriteiten kunnen wel de informatie van de kopie op echtheid checken, maar niet valt in te zien waarom dit pas na acht maanden na het indienen van het lp-verzoek gebeurt. Vervolgens heeft verweerder op 15 mei 2026 gerappelleerd. Eiser voert voorts aan dat een belangenafweging moet worden gemaakt, die in het voordeel van eiser moet uitvallen, gelet op de duur van de detentie. Eiser is weliswaar op 8 september 2025 op onderhavige maatregel in bewaring gesteld, maar hij verblijf al sinds 7 juli 2025, dus al 10,5 maanden, in bewaring.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. Uit de voortgangsrapportage van 18 mei 2026 blijkt dat verweerder maandelijks schriftelijk bij de Nepalese autoriteiten heeft geïnformeerd naar de voortgang van de behandeling van het lp-verzoek, laatst op 15 mei 2026. Op 21 april 2026 heeft een presentatie in persoon plaatsgevonden. Niet is gebleken dat de Nepalese autoriteiten de aanvraag (al) hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet (langer) in behandeling hebben. Zo blijkt uit de voortgangsrapportage dat de DIA [1] van de consul heeft vernomen dat de aangeleverde kopie documenten in onderzoek loopt bij de autoriteiten in Kathmandu en zodra de consul daarop ontvangt heeft dit wordt doorgegeven. Verweerder is voor de afgifte van een lp afhankelijk van de werkwijze van de betreffende autoriteiten. De rechtbank ziet dan ook op dit moment onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er geen reëel zicht op uitzetting is.
6. Daarnaast heeft verweerder meermaals vertrekgesprekken met eiser gevoerd, laatst op 23 april 2026. Hoewel op eiser de verplichting rust om zijn volledige en actieve medewerking aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit te verlenen, heeft hij tot nog toe geen enkele aantoonbare actie ondernomen om dit onderzoek te bespoedigen. Nu eiser niet aan zijn meewerkplicht voldoet, kan volgens vaste jurisprudentie een redelijk vooruitzicht op verwijdering reeds daarom worden aangenomen.
7. In de omstandigheid dat eiser al 10,5 maanden in detentie zit, ziet de rechtbank geen aanleiding een belangenafweging in het voordeel van eiser te laten uitvallen, zeker gelet op het hiervoor onder 6. overwogen. Deze grond slaagt dus niet.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is [2] , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
N. Mekenkamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Directie Internationale Aangelegenheden
2.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.