ECLI:NL:RBDHA:2026:1729

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL25.62307
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 50 lid 4 VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring die op 18 december 2025 door verweerder is opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogt onder meer dat de verlenging van de ophouding onrechtmatig was, de maatregel op een onjuiste grondslag berust en dat er geen zicht is op overdracht naar Frankrijk.

De rechtbank overweegt dat de verlenging van de ophouding rechtmatig was omdat nog onderzoek nodig was naar de verblijfsstatus van eiser, mede vanwege een asielaanvraag in Frankrijk. De maatregel van bewaring is gebaseerd op een concreet aanknopingspunt voor overdracht, namelijk de registratie van eiser in het Eurodac-register, wat volgens vaste jurisprudentie voldoende is.

Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat er sprake is van zware en lichte gronden die een significant risico op onttrekking aan toezicht rechtvaardigen. Het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan ondersteunen dit risico. Ook is er zicht op overdracht, aangezien een Dublingehoor gepland staat en een terugnameverzoek bij de Franse autoriteiten is ingediend.

De rechtbank oordeelt dat geen lichter middel dan bewaring toereikend is, omdat het adres van eiser niet als vaste verblijfplaats kan worden aangemerkt. Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel leidt eveneens tot het oordeel dat de maatregel niet onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62307

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Cetinkaya. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De verlenging van de ophouding
1. Eiser betoogt dat de ophouding onrechtmatig is verlengd, wat tot gevolg heeft dat de daaropvolgende maatregel van bewaring onrechtmatig is. Daartoe voert eiser aan dat verlenging van de ophouding alleen mogelijk is als het onderzoek niet binnen zes uur kan worden afgerond en dit niet aan verweerder te wijten is. In dit geval is slechts gewacht op informatie uit Frankrijk, wat niet raakt aan het onderzoek in het kader van de inbewaringstelling.
2. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 50, vierde lid, van de Vw is - onder meer - bepaald dat als nog grond bestaat voor het vermoeden dat de opgehouden persoon geen rechtmatig verblijf heeft, de termijn genoemd in het tweede en derde lid in het belang van het onderzoek met ten hoogste achtenveertig uren kan worden verlengd. Uit de beschikking verlenging ophouding van 17 december 2025 (M105-E) volgt dat de ophouding op 17 december 2025 om 23:14 uur met 48 uren is verlengd, omdat nog grond bestaat voor het vermoeden dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en nader onderzoek nodig is naar zijn verblijfsrechtelijke status. Dit was gebaseerd op de omstandigheid dat eiser had verklaard rechtmatig verblijf te hebben in Frankrijk, maar hij dit niet kon aantonen. Daarnaast is gebleken dat eiser een asielaanvraag in Frankrijk heeft ingediend, terwijl niet bekend was of er een beslissing op deze aanvraag is genomen. Verweerder heeft vervolgens navraag gedaan bij het NCC. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond om de verlenging van de ophouding onrechtmatig dan wel onvoldoende gemotiveerd te achten. De op dat moment nog onbekende informatie was van belang voor de vraag op welke grondslag een maatregel van bewaring aan eiser kon worden opgelegd. De stelling dat dit onderzoek van verweerder niet raakt aan de inbewaringstelling volgt de rechtbank dan ook niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag maatregel van bewaring
3. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring op een onjuiste grondslag berust. Daartoe voert eiser aan dat een concreet aanknopingspunt voor overdracht binnen een redelijke termijn ontbreekt en er ten tijde van de inbewaringstelling nog geen Dublinclaim was ingediend.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Een vreemdeling kan op grond van artikel 59a van de Vw in bewaring worden gesteld als de Dublinverordening op hem van toepassing is. Dat is het geval als er een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Een Dublinclaim is dus geen vereiste. De rechtbank is van oordeel dat er in het onderhavige geval een concreet aanknopingspunt bestond. Uit het rechtbankdossier blijkt dat eiser in het Eurodac-register staat geregistreerd onder het nummer [registratienummer] . Uit vaste jurisprudentie volgt dat dit een concreet aanknopingspunt voor toepassing van de Dublinverordening is. Er bestaat dus een concreet aanknopingspunt dat eiser aan Frankrijk kan worden overgedragen op grond van de Dublinverordening. Eiser is dan ook op de juiste grondslag in bewaring gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Ten aanzien van deze gronden voert eiser aan dat deze niet relevant zijn bij een maatregel op grond van artikel 59a van de Vw en niet maken dat er een onttrekkingsrisico is.
7. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Zoals verweerder onweersproken heeft gesteld, beschikt eiser niet over een geldig reisdocument. Hieraan wordt terecht de conclusie verbonden dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Eiser heeft namelijk geen melding gemaakt bij de korpschef van zijn onrechtmatig verblijf in Nederland. Hiermee heeft eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder de lichte gronden 4c en 4d terecht heeft tegengeworpen aan eiser, aangezien vaststaat dat eiser niet met een vaste woon- of verblijfsplaats staat ingeschreven in de BRP en niet over voldoende middelen van bestaan beschikt en daaruit een onttrekkingsrisico volgt. De enkele niet-onderbouwde stelling van eiser dat deze gronden niet relevant zijn bij een maatregel op grond van artikel 59a van de Vw en niet maken dat er een onttrekkingsrisico is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
8. De zware gronden 3a en 3b en de lichte gronden 4c en 4d zijn, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De lichte grond 4a zal de rechtbank daarom niet verder bespreken. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op overdracht
9. Eiser voert aan dat zicht op overdracht ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat de Franse autoriteiten hebben aangegeven eiser niet te kennen.
10. De rechtbank is van oordeel dat zicht op overdracht in het geval van eiser niet ontbreekt. Zoals onder rechtsoverweging 4. al is aangegeven, blijkt uit Eurodac dat eiser in het Eurodac-register systeem staat geregistreerd onder het nummer [registratienummer] . Uit de brief van verweerder van 29 december 2025 volgt dat op 31 december 2025 een Dublingehoor met eiser staat gepland om 13:00 uur. Verder blijkt uit het rechtbankdossier dat verweerder op 22 december 2025 een terugnameverzoek heeft ingediend bij de Franse autoriteiten. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat de Franse autoriteiten tot en met 5 januari 2026 de tijd hebben om op dit verzoek te reageren. De stelling dat de Franse autoriteiten eiser niet hebben herkend, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat zij niet zullen instemmen met dit verzoek. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
11. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Het adres waarop eiser is aangetroffen had namelijk gebruikt kunnen worden voor een meldplicht.
12. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank verwijst daarbij naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het significante onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. In tegenstelling tot hetgeen eiser betoogt, kan het adres waarop eiser is aangetroffen niet worden gebruikt voor een meldplicht, aangezien niet is gebleken dat dit zijn vaste woon- of verblijfplaats is en zoals overwogen onder 7. volgt daaruit een onttrekkingsrisico. Eiser heeft verder ook niet onderbouwd waarom de maatregel onevenredig bezwarend voor hem zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
13. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858) gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.