Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17317

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
C/09/703900 / KG ZA 26-430
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 557a lid 2 RvArt. 557a lid 3 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot ontruiming van gekraakte onroerende zaak wegens verval en gevaar

De gemeente Gouda heeft een kort geding aangespannen tegen gedaagden die een onroerende zaak aan een adres in Gouda hebben gekraakt. De gemeente vordert ontruiming van het pand vanwege de vervallen staat, ernstige vervuiling, lekkages, schimmelvorming en de aanwezigheid van gebruikte naalden, wat een gevaar vormt voor de nabijgelegen scouting en voetbalvereniging.

Gedaagden zijn opgeroepen maar verschenen niet, waardoor verstek is verleend. De voorzieningenrechter oordeelt dat de gemeente een spoedeisend belang heeft bij ontruiming, mede vanwege de voorgenomen sloop en nieuwbouw van een fietsendepot waarvoor een asbestonderzoek moet worden uitgevoerd.

Daarnaast wordt een verbod opgelegd om het pand binnen een jaar opnieuw te betreden of te gebruiken, om herkraak te voorkomen. Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de gekraakte onroerende zaak wordt toegewezen met een verbod op herkraak en veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703900 / KG ZA 26-430
Vonnis in kort geding van 3 juni 2026
in de zaak van
GEMEENTE GOUDAte Gouda,
eiseres,
advocaat mr. M.F. Mesu-Abbekerk te Den Haag,
tegen:
[gedaagden] te [woonplaats],
gedaagden,
niet verschenen.
Eiseres wordt hierna ‘de gemeente’ genoemd en gedaagden worden hierna ‘gedaagden’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
De gemeente heeft de dagvaarding doen uitbrengen op 8 mei 2026 (en deze ook met een advertentie bekend gemaakt in een landelijk dagblad) en heeft ter zitting van 29 mei 2026 bij de daarin opgenomen eis volhard.
1.2.
Gedaagden zijn behoorlijk opgeroepen tegen die terechtzitting, maar zij zijn daar niet verschenen. Tegen gedaagden wordt verstek verleend.

2.De beoordeling van het geschil

2.1.
De gemeente heeft vorderingen ingesteld zoals opgenomen in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. Er is geen verweer gevoerd. De vorderingen zijn daarom toewijsbaar, tenzij deze de voorzieningenrechter ongegrond of onrechtmatig voorkomen. Daarbij zal de voorzieningenrechter zijn beslissing baseren op de bij dagvaarding gestelde feiten, omdat deze niet zijn weersproken. Gelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.
2.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gemeente voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de ontruiming van de onroerende zaak aan het [adres] . De onroerende zaak verkeert in vervallen staat en is ernstig vervuild. Het kent daarbij meerdere lekkages en schimmelvorming. De gemeente heeft verder aangevoerd dat zij bekend is geworden met de aanwezigheid van (gebruikte) naalden bij het object. Dat dit gemeente zorgen baart in verband met de nabijheid van een scouting en een voetbalvereniging, acht de voorzieningenrechter begrijpelijk. Dat de gemeente over de onroerende zaak moet beschikken om – met het oog op sloop daarvan, en het vervolgens realiseren van nieuwbouw (een fietsendepot) – een astbestonderzoek uit te voeren, heeft de gemeente eveneens genoegzaam aannemelijk gemaakt. Het gevorderde onder I komt de voorzieningenrechter dan ook niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat het zal worden toegewezen zoals uitgewerkt in de beslissing.
2.3.
De gemeente vordert verder ter voorkoming van ‘herkraak’ dat het vonnis gedurende één jaar dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn na de uitspraak, dan wel als een termijn in artikel 557a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zou worden bepaald, gedurende één jaar dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn na het verstrijken daarvan, ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die ten tijde van de tenuitvoerlegging zich daar bevindt of binnentreedt en telkens wanneer dat zich voordoet. De voorzieningenrechter ziet op basis van hetgeen in de dagvaarding is gesteld omtrent het spoedeisend belang bij het gevorderde geen reden om tot opschorting van de ontruiming te beslissen. Daarbij komt dat de gemeente in deze procedure als eisende partij optreedt, zodat ook om die reden geen aanleiding wordt gezien om bij burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda (waar de onroerende zaak zich bevindt) nadere inlichtingen in te winnen op grond van artikel 557a lid 2 Rv. Het onder II primair gevorderde zal dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum is bepaald.
2.4.
Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- dagvaarding € 126,46
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 760,00
-
nakosten € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.810,46
2.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter:
3.1.
veroordeelt gedaagden om de door hen bewoonde c.q. bij hen in gebruik zijnde onroerende zaak, staande en gelegen aan het [adres] , binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis te ontruimen en niet opnieuw in gebruik te nemen of te geven, zulks met al het hunne en al degenen die zich hunnentwege daarin mochten bevinden daaronder begrepen;
3.2.
bepaalt dat de veroordeling onder 3.2 binnen de in artikel 557a lid 3 Rv genoemde termijn van één jaar ook ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging zonder recht of titel in de onroerende zaak, daaronder begrepen zowel de gebouwen als het omliggende en daarbij behorende terrein, dan wel onderdelen daarvan gelegen aan het [adres] , bevindt of dit betreedt met als doel in de onroerende zaak te verblijven/wonen en telkens wanneer zich dit voordoet;
3.3.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 1.810,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
3.4.
veroordeelt gedaagden in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
ddg