ECLI:NL:RBDHA:2026:17318

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/2744
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:9 AwbArt. 8:81 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening aanvraag gehandicaptenparkeerkaart wegens onvoldoende medewerking

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart (GPK). De gemeente Den Haag had de aanvraag afgewezen omdat verzoeker niet tijdig een machtiging verstrekte voor een kwaliteitscontrole van het medisch advies, waardoor niet kon worden vastgesteld of aan de voorwaarden voor een GPK werd voldaan.

Verzoeker stelde dat hij ernstig beperkt is in zijn mobiliteit en dat er al twee positieve medische adviezen waren die voldoende waren om de kaart toe te kennen. Hij voerde aan dat het niet afronden van de kwaliteitscontrole de reeds beschikbare adviezen niet ondeugdelijk maakte. De voorzieningenrechter overwoog dat de gemeente terecht twijfels had over de kwaliteit van het medisch advies en dat het verzoeker was die niet meewerkte aan het onderzoek.

Daarnaast nam de voorzieningenrechter mee dat verzoeker medegebruik maakt van een privéparkeerplaats en dat er een hoorzitting op korte termijn gepland stond. Gezien deze omstandigheden en het belang van een zorgvuldige besluitvorming, woog het belang van de gemeente zwaarder dan dat van verzoeker. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het belang van de gemeente zwaarder weegt dan dat van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2744

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.A. de Boer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. H.A.E. van Soest).

Procesverloop

Met het besluit van 13 maart 2026 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart (GPK) voor een bestuurder afgewezen.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker via een videoverbinding, mr. R. Lie-A-Lien als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
Bij besluit van 12 maart 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een GPK (bestuurder en passagier) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt, en nadat dat bezwaar ongegrond was verklaard, beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 5 maart 2026 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Op dat hoger beroep is nog niet beslist.
2.2.
Op 23 november 2025 heeft verzoeker opnieuw een aanvraag voor een GPK gedaan (bestuurder). Bij deze aanvraag heeft verzoeker een medisch rapport van Salude van 24 april 2025 overgelegd, waarbij aan de gemeente Rijswijk is geadviseerd om aan verzoeker een GPK voor de duur van 5 jaar af te geven.
2.3.
Naar aanleiding van de aanvraag van 23 november 2025 heeft verweerder advies gevraagd aan Calder Werkt. In het rapport van Calder Werkt van 5 december 2025 is aan verweerder geadviseerd om aan verzoeker een GPK voor de duur van 5 jaar af te geven. Daarbij heeft Calder Werkt aangegeven dat gezien het adviesrapport van Salude van 24 april 2025 er geen noodzaak was om een nieuw consult uit te voeren en dat wordt aangesloten bij dat rapport van Salude.
2.4.
Omdat verweerder twijfels had over de kwaliteit van het door Salude opgestelde medisch advies heeft verweerder aan Argonaut Advies B.V. (Argonaut) verzocht om een kwaliteitscontrole uit te voeren. Voor deze kwalititeitscontrole heeft Argonaut inzage nodig in het volledige dossier dat aan het advies van Salude ten grondslag ligt. Daarom heeft Argonaut bij brief 16 februari 2026 aan verzoeker verzocht een machtiging te tekenen waarbij hij toestemming geeft aan Salude om het dossier te verstrekken aan Argonaut.
2.5.
Volgens het bestreden besluit heeft verzoeker aan Argonaut kenbaar gemaakt dat hij tot 30 april 2026 nodig heeft om te besluiten of hij de machtiging zal ondertekenen. Vervolgens heeft verweerder aan verzoeker bericht dat hij uiterlijk 10 maart 2026 de machtiging dient af te geven aan Argonaut, dan wel moet instemmen met het opschorten van de beslistermijn. Bij email van 9 maart 2026 heeft verzoeker bericht dat hij niet instemt met het opschorten van de beslistermijn, maar ook nog geen machtiging kan verstrekken, aldus nog altijd het bestreden besluit.
3. Bij het bestreden besluit van 13 maart 2026 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker afgewezen. Verweerder stelt dat, gelet op de vergewisplicht, slechts op een advies kan worden afgegaan als uit dat advies ten minste blijkt op basis van welke gegevens het advies tot stand is gebracht en welke procedure is gevolgd. Nu verzoeker niet tijdig de machtiging om de kwaliteitscontrole te kunnen opstellen heeft verstrekt aan Argonaut, maar ook niet heeft ingestemd met verlenging van de beslistermijn, kan volgens verweerder niet tijdig worden vastgesteld of het sociaal medisch advies deugdelijk is, zoals artikel 3:9 van Pro de Awb vereist. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat verzoeker aan de voorwaarden voor een GPK voldoet.
4. Verzoeker voert aan dat hij vanwege zijn medische beperkingen ernstig beperkt is in zijn mobiliteit. Het ontbreken van de GPK heeft direct en voortdurende gevolgen voor zijn dagelijks functioneren, zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Verweerder beschikte met de adviezen van Salude en Calder Werkt over twee eensluidende positieve medische adviezen om deze parkeerkaart te verstrekken en had daarmee voldoende informatie om inhoudelijk op de aanvraag te beslissen. Het niet afronden van de aanvullende kwaliteitsbeoordeling maakt de reeds beschikbare adviezen niet ondeugdelijk. Bovendien is het bestreden besluit al genomen terwijl het onderzoekstraject nog liep.
Voorts heeft verzoeker zelf het Medisch Adviesbureau Wolthuis ingeschakeld en aan dit bureau verzocht een kwaliteitsbeoordeling te verrichten. Uit het rapport van dat bureau blijkt dat er geen kanttekeningen bestaan bij de wijze waarop het oorspronkelijk onderzoek is uitgevoerd en dat de uitkomst van het onderzoek navolgbaar en consistent is en ook voldoet aan de geldende professionele richtlijnen. Op grond hiervan is eiser van mening dat hij in aanmerking komt voor een GPK.
5.1.
De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of in afwachting van de behandeling van het bezwaar een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Hij overweegt daartoe als volgt.
5.2.
Artikel 8:81 van Pro de Awb bepaalt kort gezegd dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dat vereist. Het belang van verzoeker in deze procedure is gelegen in het verkrijgen van een GPK voordat beslist is op zijn bezwaar. Het belang van verweerder ziet op een juiste invulling van de vergewisplicht en het op zorgvuldige wijze nemen van besluiten in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
5.3
Verweerder heeft twijfels over de kwaliteit van het door Salude opgestelde medisch advies en heeft daarom Argonaut benaderd voor een kwaliteitscontrole. Verweerder kon daar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in het kader van zijn vergewisplicht toe overgaan, nu het advies van Salude was gebaseerd op medische gegevens van een aantal jaren oud en er geen recente medische gegevens voorhanden waren, en het advies van Calder Werkt uitsluitend op dat van Salude was gebaseerd. Voorts neemt de voorzieningenrechter bij de beoordeling in aanmerking dat verzoeker medegebruik heeft van de privéparkeerplaats van zijn vader bij zijn eigen huis en dat hij voor de opleiding die hij in Rotterdam volgt zijn auto kan parkeren in een parkeergarage in de nabijheid van de school. Verder is ter zitting gebleken dat de hoorzitting op korte termijn, namelijk 1 juli 2026, zal plaatsvinden. Onder deze omstandigheden moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van verweerder zwaarder wegen. Er is daarom geen reden om in afwachting van de beslissing op het bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.
5.4.
Verweerder heeft ter zitting het voorstel gedaan dat verzoeker medisch wordt onderzocht door een door de rechtbank aan te wijzen deskundige. De voorzieningenrechter ziet hier geen aanleiding voor, reeds omdat het karakter van de voorlopige voorzieningenprocedure zich daar niet voor leent.
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.