Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17321

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
09/332564-22
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot 6,5 jaar gevangenisstraf voor handel en voorbereiding van cocaïnehandel

De rechtbank Den Haag heeft op 26 juni 2026 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van handel in circa 20 kilogram cocaïne en het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs. Het bewijs bestond onder meer uit berichten van Encrochat- en SkyECC-accounts die aan verdachte en zijn zoon konden worden toegeschreven.

De verdediging voerde verweren aan tegen de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van het Encrochat- en SkyECC-bewijs, alsmede tegen de wijze van onderzoek aan inbeslaggenomen telefoons en de verkrijging van locatie- en verkeersgegevens. De rechtbank verwierp deze verweren, onder verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel, het ontbreken van concrete aanwijzingen voor onbetrouwbaarheid, en het beperkte nadeel van vormverzuimen.

De rechtbank stelde vast dat verdachte en zijn zoon nauw en bewust samenwerkten als medeplegers bij de verkoop van twintig kilo cocaïne en bij voorbereidingshandelingen voor de handel in verdovende middelen over een periode van ruim drieënhalf jaar. Gelet op de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van drugshandel en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaar en zes maanden op, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Daarnaast verklaarde de rechtbank bepaalde inbeslaggenomen telefoons verbeurd. De voorlopige hechtenis werd geschorst, en verzoeken tot opheffing van de schorsing en terugbetaling van borgsom werden afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn niet was geschonden gezien de complexiteit van de zaak.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 6 jaar en 6 maanden gevangenisstraf voor handel en voorbereiding van handel in cocaïne.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/332564-22
Datum uitspraak: 26 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ( [land] ),
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 12 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.J. van Drongelen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. L.J.B.G. van Kleef naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 24 oktober 2024 – tenlastegelegd dat:
1
hij op of omstreeks 23 april 2020 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 20.000 gram, in elk geval een hoeveelheid (van 20 blokken) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (althans) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 januari 2020 tot en met 19 september 2023 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen,
(telkens) om een feit bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, van een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of een ander middel, zijnde cocaïne en/of een ander middel, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens) zich en/of één of meer andere meermalen, althans alleen, gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, immers heeft hij/hebben zij:
- met (de gebruikers van de accounts) [account 1] en/of [account 2] en/of [account 3] en/of [account 4] en/of [account 5] en/of [account 6] en/of [account 7] en/of [account 8] en/of [account 9] en/of [account 10] en/of [account 11] en/of [account 12] en/of [account 13] en/of andere gebruikers van accounts (zoals opgenomen in het dossier) inlichtingen uitgewisseld over de prijzen (van product en/of vervoer) en/of beschikbaarheid en/of hoeveelheid van cocaïne en/of een ander middel, en/of inlichtingen uitgewisseld over het vervoer van cocaïne en/of een ander middel, naar Nederland, en/of
- met (de gebruikers van de accounts) [account 1] en/of [account 2] en/of [account 3] en/of [account 4] en/of [account 5] en/of [account 6] en/of [account 7] en/of [account 8] en/of [account 9] en/of [account 10] en/of [account 11] en/of [account 12] en/of [account 13] andere gebruikers van accounts (zoals opgenomen in het dossier) inlichtingen uitgewisseld over de prijs en/of beschikbaarheid en/of samenstelling van cocaïne,
- het versturen van één of meerdere tokens en/of het hebben van drugsgerelateerde gesprekken zoals aangetroffen op de Apple Iphone Se (zie pagina 188 e.v. van het dossier),
en/of
het versturen van één of meerdere tokens en/of inlichtingen uitwisselt met één of meerdere tegencontacten op één of meerdere aangetroffen telefoons (zoals onder andere op de Apple iPhone SE, Apple iPhone 5s, iPhone SE, iPhone 7 Plus) omtrent de prijs en/of beschikbaarheid en/of samenstelling en/of (internationaal) vervoer en/of import en/of levering van cocaïne althans drugs gerelateerde gesprekken heeft.

3.De geldigheid van de dagvaarding

3.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard voor zover deze ziet op het onder 2 tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat dit onderdeel van de tenlastelegging in te algemene bewoordingen is geformuleerd en dat daarmee het gehele dossier wordt omvat. Verder bevat de tenlastelegging geen verwijzingen naar zaaksdossiers.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voldoende duidelijk is waar de verdenking uit bestaat, onder meer omdat concreet is gemaakt met welke tegencontacten de verdachte inlichtingen heeft uitgewisseld.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moet de dagvaarding onder meer een opgave van het tenlastegelegde feit bevatten, met vermelding van tijd en plaats, en van de omstandigheden waaronder dat feit zou zijn begaan. De opgave van het feit in de tenlastelegging moet voldoende duidelijk en feitelijk zijn zodat het voor de verdachte, in combinatie met het onderliggende dossier, voldoende begrijpelijk is waartegen hij zich moet verdedigen en duidelijk is wat de rechter precies moet onderzoeken.
De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging onder 2, bezien in samenhang met het dossier, voldoende feitelijk en duidelijk is omschreven. Het moet voor de verdachte voldoende duidelijk waarvan hij wordt verdacht, namelijk het uitwisselen van inlichtingen met de in de tenlastelegging genoemde gebruikers van Encrochat- en SkyECC-accounts, hij heeft daartegen ook specifiek verweer gevoerd. De tekst van het onder 2 tenlastegelegde bevat bovendien een verwijzing naar specifieke paginanummers van het dossier.
Resumerend voldoet de tenlastelegging naar het oordeel van de rechtbank aan de eisen van artikel 261 Sv Pro en de dagvaarding is daarom niet nietig.

4.De bewijsbeslissing

4.1.
De inleiding
Naar aanleiding van veiliggestelde Encrochat- en SkyECC-berichten uit de eerdere onderzoeken 26Lemont en Argus is deelonderzoek Awarra gestart, dat zich richtte op de vermoedelijke handel in verdovende middelen door de gebruikers van het Encrochat-account [account 16] en de SkyECC-accounts [account 14] en [account 15] .
Deze Encrochat- en SkyECC-accounts zijn volgens de politie vermoedelijk gebruikt door de verdachte, [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en zijn zoon en tevens medeverdachte, [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ).
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Nadere standpunten van de officier van justitie komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
4.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. De raadsman heeft zich namens de verdachte – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat Encrochat- en SkyECC-data van het bewijs moeten worden uitgesloten, nu deze onrechtmatig verkregen en onbetrouwbaar zijn. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat zijn cliënt verantwoordelijk is voor de communicatie via de aan hem toegeschreven Encrochat- en SkyECC-accounts.
Nadere standpunten van de raadsman komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
4.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
4.5.
Bewijsoverwegingen
4.5.1.
Algemene overwegingen met betrekking tot Encrochat- en SkyECC-bewijs
De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een wezenlijk andere vaststelling van de gang van zaken rondom de vergaring en verwerking van Encrochat- en SkyECC-data in dit onderzoek, dan zoals weergegeven in de beslissing van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913). In die beslissing heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord in verband met het gebruik van Encrochat- en SkyECC-berichten in strafzaken en het toetsingskader geformuleerd voor het gebruik van dergelijke berichten voor de bewijsbeslissing. De inhoud en omvang van die toets hangt onder meer af van het antwoord op de vraag onder wiens verantwoordelijkheid de inzet van die opsporingsbevoegdheden in het buitenland heeft plaatsgevonden.
In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in het arrest van 14 april 2026 (ECLI:HR:NL:2026:650) uiteengezet wat de gevolgen zijn van de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaak C-670/22 (M.N. (Encrochat)) voor het genoemde toetsingskader. Vooropgesteld wordt dat de Hoge Raad in het arrest van 14 april 2026 het toetsingskader dat in de prejudiciële beslissing van 13 juni 2023 omtrent – onder andere – het interstatelijke vertrouwensbeginsel is geformuleerd, in stand laat.
4.5.2.
Beoordeling van de rechtmatigheids- en betrouwbaarheidsverweren
Encrochat- en SkyECC-bewijs
De rechtbank stelt vast dat bij de interceptie van zowel Encrochat- als SkyECC-gegevens sprake is geweest van opsporing in Frankrijk, onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten.
De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:612, overwogen dat bij het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam, waarvan in de onderhavige zaak ook sprake was, het nationale recht van de lidstaat waar de opsporingsbevoegdheid ten behoeve van een gemeenschappelijk onderzoeksteam wordt uitgeoefend leidend is. Dat betekent – kort gezegd – dat het verlenen van (technische) bijstand vanuit de Nederlandse politie bij de uitoefening van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van een andere deelnemende lidstaat, niet met zich meebrengt dat de verantwoordelijkheid voor het opsporingsonderzoek alsnog op Nederland is komen te rusten. Van opsporing onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is geen sprake geweest.
Door de verdediging zijn geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor doorbreking van het hiervoor genoemde vertrouwensbeginsel. Wat de verdediging heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de uitvoering van het onderzoek heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel brengt in dat geval met zich dat van de rechtmatigheid van die interceptie (en de daarop volgende verstrekking) moet worden uitgegaan. De wet stelt niet als vereiste dat voor het gebruik in een strafzaak in Nederland van de resultaten van onderzoek dat op initiatief en onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteit wordt verricht of al is verricht, een machtiging van de rechter-commissaris is afgegeven.
Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit Franse onderzoek is uitgevoerd strookt met de daarvoor in Frankrijk geldende rechtsregels noch of de Franse rechter hiervoor een machtiging heeft kunnen verlenen. De taak van de Nederlandse strafrechter is in dit geval ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Van een dergelijke inbreuk is de rechtbank niet gebleken.
Artikel 31 Richtlijn Pro 2014/41/EU
Door de verdediging is aangevoerd dat artikel 31 Richtlijn Pro 2014/41/EU van toepassing is in de onderhavige zaak en Nederland om die reden had moeten worden genotificeerd door de Franse autoriteiten over de hack.
In artikel 30 en Pro 31 Richtlijn 2014/41/EU staan regels geformuleerd voor Europese onderzoeksbevelen (EOB’s) voor de interceptie van telecommunicatie in een andere lidstaat. Artikel 30 bepaalt Pro dat een EOB kan worden uitgevaardigd voor de interceptie van telecommunicatie in de lidstaat van waaruit technische bijstand nodig is. Indien de intercepterende lidstaat telecommunicatie wenst te intercepteren van een persoon van wie het communicatieadres in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat, moet de intercepterende lidstaat op grond van artikel 31 de Pro bevoegde autoriteiten van die lidstaat in kennis stellen van de interceptie.
De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 3 Richtlijn Pro 2014/41/EU en het daarmee samenhangende artikel 5.4.1, derde lid, Sv volgt dat onderzoeksactiviteiten van een joint investigation team (JIT) (zoals in de onderhavige zaak) nadrukkelijk niet onder het bereik van Richtlijn 2014/41/EU vallen.
Equality of arms
Door de verdediging is gesteld dat het Openbaar Ministerie stelselmatig stukken met betrekking tot de vergaring, overdracht en verwerking van het Encrochat- en SkyECC-bewijs heeft onttrokken aan het dossier.
De rechtbank concludeert dat niet is gebleken dat het Openbaar Ministerie moedwillig stukken heeft achtergehouden met als doel te voorkomen dat de opsporingsmethodes in Nederland op rechtmatigheid zouden kunnen worden getoetst. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de aan de verdediging verstrekte stukken voldoende inzicht geven in en transparantie bieden over de wijze van onderzoek aan de Encrochat- en SkyECC-data in Nederland en dat de verdediging voldoende de mogelijkheid heeft gehad om de resultaten van het onderzoek te onderzoeken en te betwisten.
Betrouwbaarheid
De verdediging heeft onvoldoende concrete aanwijzingen naar voren gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat aan de betrouwbaarheid van het buitenlandse onderzoek moet worden getwijfeld. Verder is, mede in het licht van het dossier, onvoldoende onderbouwd dat aan de betrouwbaarheid van de gegevens die zijn verkregen en in het dossier aanwezig zijn, zou moeten worden getwijfeld. Anders dan de verdediging heeft gesteld, geldt dat vertrouwd moet worden op de ambtsedig opgemaakte processen-verbaal, tot het moment dat er serieus te nemen aanwijzingen voor het tegendeel zijn gebleken. De rechtbank gaat dan ook uit van de betrouwbaarheid van de in het dossier aanwezige gegevens en verwerpt dit verweer.
Onderzoek naar de inbeslaggenomen telefoons
De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim, te weten dat zonder een voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris onderzoek is verricht aan inbeslaggenomen telefoons.
De rechtbank overweegt dat indien onderzoek naar gegevensdragers een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt, voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan is vereist (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830, in de zaak ‘Landeck’, hierna: het Landeck-arrest). De rechtbank stelt vast dat bij de doorzoekingen van de woningen van [verdachte] en [medeverdachte] meerdere telefoons in beslag zijn genomen en dat deze zijn onderzocht zonder voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris daartoe. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv. Bij het onderzoek aan de telefoons viel een meer dan beperkte inbreuk te voorzien op de persoonlijke levenssfeer van beide verdachten.
Hoewel het Landeck-arrest nog niet was gewezen ten tijde van het onderzoek aan deze telefoons, gaat het – zoals eerder al in jurisprudentie is overwogen – niet om ‘nieuw recht’, maar om uitleg van reeds bestaand recht. De toestemming van de officier van justitie was daarom niet toereikend; de rechter-commissaris had toestemming moeten geven, voordat dit onderzoek mocht worden uitgevoerd.
De vraag is vervolgens of en, zo ja, welke rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beantwoording van die vraag dient rekening te worden gehouden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
De rechtbank stelt vast dat het inherent is aan het onderzoek aan telefoons dat er een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van degene van wie die telefoons zijn. Een enkele inbreuk levert echter niet direct een ernstig nadeel voor de verdachte op. Bij de beoordeling van dat nadeel is relevant dat de rechtbank uit het dossier niet kan afleiden dat door het doorzoeken van de telefoons een min of meer volledig beeld van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is verkregen.
Bewijsuitsluiting als rechtsgevolg, zoals verzocht door de verdediging, kan worden verbonden aan een vormverzuim in gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM Pro te voorkomen. Die situatie doet zich niet voor, nu niet is gebleken dat door het vormverzuim complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt. Hoewel sprake was van een ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, zal daaraan niet het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting worden verbonden. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat – gelet op de aard en de ernst van de verdenking – de vereiste machtiging van de rechter-commissaris zonder meer zou zijn verkregen. Bovendien is de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal niet aangetast. Daarom is de rechtbank van oordeel dat, vanwege het ontbreken van enig daadwerkelijk nadeel, bewijsuitsluiting geen gerechtvaardigd rechtsgevolg van het vormverzuim is, zodat de rechtbank volstaat met de constatering van het vormverzuim.
Locatie- en verkeersgegevens
Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 maart 2021 (ECLI:EU:C:2021:152, hierna: het Prokuratuur-arrest) heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de locatie- en verkeersgegevens uit het dossier onrechtmatig zijn verkregen nu de vordering van de officier van justitie daartoe niet is voorafgegaan van een rechterlijke toetsing die voldoet aan de Prokuratuur-maatstaf.
De rechtbank overweegt dat het Prokuratuur-arrest is gebaseerd op de Richtlijn 2002/58/EG. Deze richtlijn heeft betrekking op de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (telecommunicatiegegevens).
Ten aanzien van de historische vlucht- en bankgegevens van de verdachte geldt dat de rechtbank uit het Prokuratuur-arrest niet afleidt dat het bereik hiervan ruimer is dan verkeers- en locatiegegevens die worden opgeslagen door een communicatiedienst, en in elk geval niet dat het alle vorderingen omvat waarmee persoonsgegevens worden opgevraagd.
Daarvoor is van belang dat het arrest uitdrukkelijk ziet op de uitleg van artikel 15, eerste lid, van Richtlijn 2002/58/EG (betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie). Gelet hierop verwerpt de rechtbank het verweer voor zover het betrekking heeft op de historische vlucht- en bankgegevens.
Ten aanzien van de locatie- en verkeersgegevens geldt dat historische verkeersgegevens van de mobiele telefoon met Imei-nummer [IMEI-nummer] , waaraan het SkyECC-account [account 14] gekoppeld was, zijn gevorderd. Voorts bevat het dossier Access Point Name (APN) gegevens van de telefoontoestellen die zijn gekoppeld aan de SkyECC-accounts [account 14] en [account 15] .
Uit het dossier is niet gebleken dat een voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris is verleend voor het opvragen van de historische verkeersgegevens en de APN-gegevens. De rechtbank is van oordeel dat deze gegevens niet gevorderd hadden mogen worden zonder voorafgaande onafhankelijke toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. Dit betekent dat sprake is van schending van het Unierecht. De rechtbank is echter van oordeel dat het nadeel dat door de schending is veroorzaakt in deze zaak beperkt is. De historische verkeersgegevens beslaan slechts een beperkte tijdspanne en niet kan worden gezegd dat daarmee een min of meer compleet beeld van het privéleven van verdachte is verkregen. Voorts is niet aangevoerd welke persoonlijke informatie kon worden achterhaald die de ernst aangeeft van de inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Bovendien weegt de rechtbank mee dat het aannemelijk is dat de rechter-commissaris – indien deze was benaderd met het verzoek de vorderingen vooraf te toetsen – toestemming zou hebben gegeven voor het doen van deze vorderingen.
Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal volstaan met de constatering dat sprake is van een vormverzuim, zonder dat daaraan een rechtsgevolg wordt verbonden.
Voorwaardelijk verzoek en aanhoudingsverzoek
De raadsman heeft ter terechtzitting het voorwaardelijke verzoek gedaan om de in feit 2 genoemde tegencontacten te horen als getuigen.
Het verzoek van de verdediging om de genoemde tegencontacten te horen is eerder door de rechtbank afgewezen. In hetgeen de verdediging ter terechtzitting naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om het verzoek toe te wijzen. De verdediging heeft onvoldoende concreet onderbouwd op welke manier de verzochte getuigen opheldering zouden kunnen verschaffen over de tenlastegelegde feiten en de vermeende betrokkenheid daarbij van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende concreet is geworden wat ten aanzien van de inhoud van de chats, zoals in het dossier weergegeven, wordt betwist door verdachte en waarover hij deze tegencontacten vragen wenst te stellen. Al met al is onvoldoende inzichtelijk geworden voor de rechtbank over welke in de processen-verbaal genoemde feiten en omstandigheden de verzochte getuigen verduidelijking zouden kunnen geven en is het verzoek onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank heeft ter terechtzitting een aanhoudingsverzoek door de verdediging afgewezen, wat door de raadsman bij pleidooi is herhaald. Nog steeds ziet de rechtbank in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht onvoldoende aanleiding om het onderzoek te heropenen ter aanhouding van de zaak om – kort gezegd – de rechtsontwikkeling af te wachten, prejudiciële vragen te stellen, stukken in het dossier te voegen of deskundigen te benoemen.
De rechtbank overweegt daartoe dat de verdachte in voldoende mate in staat is geweest het bewijsmateriaal dat zich in het dossier bevindt te onderzoeken en te betwisten. Dit geldt ten aanzien van de accounts die aan de verdachte worden toegeschreven, de inhoud van de berichten die aan die accounts worden gekoppeld en de bewijsvergaring in het opsporingsonderzoek. In hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank onvoldoende concrete aanleiding om te veronderstellen dat op basis van het voorliggende dossier geen, althans onvoldoende, inzicht kan worden verkregen in de wijze waarop het opsporingsonderzoek is vormgegeven. Hetzelfde heeft te gelden voor de vraag naar de betrouwbaarheid van de (inhoud van) de aan de verdachte toegeschreven berichten. De rechtbank acht zich op basis van het voorliggende dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende voorgelicht om tot een beslissing te komen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande worden alle verweren van de raadsman die zien op de verkrijging en verwerking van gegevens van Encrochat en SkyECC verworpen. De rechtbank acht de berichten bruikbaar voor het bewijs, ziet geen aanleiding om de Encrochat- en SkyECC-data van het bewijs uit te sluiten of het onderzoek te heropenen.
4.5.3.
Identificatie [verdachte] en [medeverdachte] als gebruikers van de Encrochat- en SkyECC-accounts
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat [verdachte] en [medeverdachte] beiden gebruikers waren van het Encrochat-account [account 16] en de SkyECC-accounts [account 14] en [account 15] .
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de door de politie gerelateerde identificatie van de gebruikers van de voornoemde accounts. Uit de bewijsmiddelen volgen meerdere feiten en omstandigheden die, in onderlinge samenhang bezien, te herleiden zijn tot [verdachte] en [medeverdachte] als gebruikers van de accounts. De rechtbank slaat hierbij in het bijzonder acht op het volgende.
[account 16]
Uit chatberichten van [account 16] valt op te maken dat hij eigenaar is van een Italiaans restaurant, [restaurant] . Zo heeft [account 16] benoemd dat hij 250 man personeel en een bedrijf met meerdere vestigingen had. Toen [account 16] wilde afspreken met een tegencontact, zei hij dat hij bij [adres 2] was, wat het adres is van een van de vestigingen van [restaurant] . [account 16] gaf vervolgens nog als aanwijzing aan zijn tegencontact ‘ [account 17] ’. Uit gegevens van de RDW blijkt dat een [auto] op naam staat van [bedrijfsnaam 1] B.V., [adres 2] . Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 1] B.V. betreft [bedrijfsnaam 2] B.V., [adres 3] . Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 2] B.V. betreft [bedrijfsnaam 3] B.V., [adres 4] . De enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 3] B.V. is [verdachte] , de verdachte en medeverdachte. Daarbij komt dat de gebruiker [account 16] door een Encrochat-tegencontact ‘ [bijnaam 1] ’ werd genoemd. [account 16] werd door tegencontacten onder andere opgeslagen als ‘ [bijnaam 2] ’, ‘ [bijnaam 3] ’ en ‘ [bijnaam 4] ’, hetgeen de rechtbank – evenals de politie – opvat als verwijzingen naar het Italiaanse restaurant [restaurant] .
Door andere tegencontacten werd [account 16] opgeslagen als: ‘ [bijnaam 5] ’, ‘ [bijnaam 6] ’ en ‘ [bijnaam 7] ’, wat erop wijst dat niet alleen [verdachte] , maar ook een van zijn zoons gebruiker is van het account. Voorts blijkt uit de inhoud van de berichten dat [account 16] regelmatig namens zijn vader sprak en berichten doorgaf aan zijn vader. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat een van de zoons van de verdachte, [medeverdachte] , leidinggevende is bij [restaurant] . Ook volgt uit de berichten dat tegencontacten weten dat het account meerdere gebruikers heeft. Op enig moment werd immers door een tegencontact gevraagd met wie hij op dat moment sprak, ‘ouwe of de jonge’, waarop [account 16] antwoordde ‘ouwe broer’.
[account 14] en [account 15]
Uit de berichten van het Encrochat-account [account 16] en het SkyECC-account [account 14] volgt dat beide accounts in dezelfde periode werden opgevolgd door het SkyECC-account [account 15] , waarna de oude accounts niet meer actief waren. Daarbij komt dat de SkyECC-accounts [account 14] en [account 15] meermaals met tegencontacten hebben afgesproken bij verschillende vestigingen van [restaurant] . Ook sprak de gebruiker van de SkyECC-accounts regelmatig namens zijn vader, net zoals [account 16] dat deed.
De Imei-nummers van de SkyECC-accounts [account 14] en [account 15] maakten in de voor de nachtrust bestemde tijd beiden het meest gebruik van één basisstation, te weten de zendmast [zendmast] . Het adres [adres 1] , waar [verdachte] en [medeverdachte] op dat moment allebei ingeschreven stonden ( [medeverdachte] tot [datum] 2022), valt binnen het bereik van deze zendmast.
Verder heeft de gebruiker van [account 14] en [account 15] op verschillende momenten benoemd dat zijn vader in het buitenland was, waaronder in Spanje en Marokko . De historische vluchtgegevens van [verdachte] kwamen telkens overeen met de in de berichten benoemde reisbewegingen. In een enkel geval was dat niet zo. Een mogelijke verklaring daarvoor is dat niet via Nederland is gevlogen. Deze vluchtgegevens zijn dan niet bekend bij het onderzoeksteam (proces-verbaal van bevindingen Identificatie Sky-ID [account 14] en [account 15] , p.7) .
De locatiegegevens van het SkyECC-account [account 14] zijn vergeleken met de historische bankgegevens en de historische vluchtgegevens van [medeverdachte] . Daaruit volgt dat [medeverdachte] en de betreffende SkyECC-telefoon tussen 4 februari 2020 en 12 maart 2020 drie keer tegelijkertijd op dezelfde locatie waren, namelijk in Utrecht, Rotterdam en Dubai.
Conclusie
Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de accounts [account 16] , [account 14] en [account 15] aan elkaar verbonden kunnen worden en door dezelfde personen, te weten [verdachte] en [medeverdachte] , zijn gebruikt.
4.5.4.
Ten aanzien van feit 1
Verhandelen van twintig kilogram cocaïne
Uit een gesprek tussen [account 16] en tegencontact [account 2] volgt dat op 23 april 2020 een voltooide transactie heeft plaatsgevonden. [account 16] bood zijn tegencontact blokken uit Bolivia aan voor 25k. Enkele uren later deelt [account 16] mee dat ‘de laatste 20 net vandaag weg zijn’, waardoor toch geen transactie met [account 2] tot stand komt.
De rechtbank stelt vast dat in het bovengenoemde gesprek wordt gesproken over de handel in cocaïne. De genoemde prijs van € 25.000,- past bij de prijs van een kilogram cocaïne. Verder wordt gesproken over ‘blokken’, ‘colo’ en Bolivia. Algemeen is bekend dat met die termen cocaïne uit Colombia dan wel Bolivia wordt bedoeld. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat [account 16] (ongeveer) twintig kilogram cocaïne heeft verkocht op 23 april 2020.
Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat [account 16] beschikkingsmacht had over de twintig kilogram cocaïne. [account 16] heeft de cocaïne, zo blijkt uit het gesprek, aan [account 2] te koop aangeboden en ook (aan een ander dan dit tegencontact) verkocht. Naar het oordeel van de rechtbank mag ervan worden uitgegaan dat [account 16] als verkoper ook de beschikkingsmacht over de drugs had. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat een derde bij de transactie betrokken is geweest die de exclusieve beschikkingsmacht over de drugs heeft gehad.
Medeplegen
De rechtbank stelt vast dat zowel [verdachte] als [medeverdachte] als gebruikers van het account [account 16] betrokken zijn geweest bij de verkoop van de twintig kilogram cocaïne. Op 22 april 2020, een dag voor de transactie, hadden twee tegencontacten van [account 16] een gesprek met elkaar over dezelfde blokken cocaïne. De rechtbank komt tot die conclusie omdat in dat gesprek overeenkomende details werden genoemd, namelijk dat de blokken voor 25k verkocht werden en uit ‘boli’ (Bolivia) kwamen. Het tegencontact [account 13] benoemde dat hij ‘ [verdachte] ’ zou vragen, want ‘hij heeft klanten’.
Uit berichten van [account 16] op 23 april 2020, enkele uren voorafgaand aan de transactie, blijkt dat met name [medeverdachte] gebruik maakt van het account op dat moment, maar dat hij toen ook namens zijn vader sprak. [account 16] had een gesprek met tegencontact [account 18] , die zei dat ‘die 25 ok is’. [account 16] reageerde daarop dat hij het zou doorgeven aan zijn vader. Een uur later zei [account 16] : ‘kan je langskomen vriend vraagt me pa’.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] en [medeverdachte] nauw en bewust samen hebben gewerkt bij de verkoop van twintig kilo cocaïne.
4.5.5.
Ten aanzien van feit 2
Voorbereidingshandelingen met betrekking tot handel in verdovende middelen
Aan de hand van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de periode van 9 januari 2020 tot en met 19 september 2023 voorbereidingshandelingen heeft gepleegd met betrekking tot de handel in verdovende middelen. In die periode worden meermaals gesprekken gevoerd door middel van Encrochat-, SkyECC- en Signal-accounts die naar het oordeel van de rechtbank niet anders kunnen worden uitgelegd dan erop gericht te zijn de handel in verdovende middelen voor te bereiden of te bevorderen. Uit de berichten volgt dat onder andere werd gesproken over buitenlandse havens, het opzetten van lijnen, de manier van transporteren en het doen van testzendingen. Ook werd gesproken over prijzen voor blokken, het gebruiken van ‘schone’ B.V.’s en het werken met ‘strepen’. Uit de context van de gesprekken kan worden afgeleid dat met ‘strepen’ – zoals de politie ook concludeert – corrupte douanemedewerkers worden bedoeld.
Medeplegen
Uit de berichten van de drie hiervoor genoemde Encrochat- en SkyECC-accounts van [verdachte] en [medeverdachte] leidt de rechtbank af dat een dermate nauwe en intensieve samenwerking tussen hen bestond in de periode van 6 december 2019 tot 26 september 2020 dat zij als medeplegers zijn aan te merken. Op 26 afzonderlijke dagen verspreid over die periode gaf [medeverdachte] berichten door van en aan zijn vader, waaruit blijkt dat hij veelvuldig namens [verdachte] het woord voerde. Dat niet ten aanzien van ieder individueel bericht blijkt of dit is verstuurd door ofwel [verdachte] of [medeverdachte] is niet van belang. Als medeplegers van het feit zijn zij beiden strafrechtelijk daarvoor verantwoordelijk, ongeacht of zij feitelijk dat bericht hebben verstuurd.
Uit de Encrochat-, SkyECC- en Signal-gesprekken blijkt voorts dat de verdachte bij het treffen van voorbereidingshandelingen nauw en bewust samen heeft gewerkt met andere tegencontacten en dat ten aanzien van hen sprake is van medeplegen gedurende de gehele tenlastegelegde periode van feit 2. De verdachte heeft immers samen met hen voorbereidingshandelingen getroffen om verdovende middelen te verhandelen, waarbij de samenwerking cruciaal was nu ieder een eigen rol vervulde in dat traject.
4.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 23 april 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft verkocht en/of verstrekt ongeveer 20.000 gram, in elk geval een hoeveelheid (van 20 blokken) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (althans) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij, in de periode van 9 januari 2020 tot en met 19 september 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of een ander middel, zijnde cocaïne en/of een ander middel, telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, (telkens) zich en
anderenmeermalen, inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, immers heeft hij:
- met (de gebruikers van de accounts) [account 1] , [account 2] , [account 3] , [account 4] , [account 5] , [account 6] , [account 7] , [account 8] , [account 9] , [account 10] , [account 11] , [account 12] en [account 13] inlichtingen uitgewisseld over de prijzen (van product en/of vervoer) en/of beschikbaarheid en/of hoeveelheid van cocaïne en/of een ander middel, en/of inlichtingen uitgewisseld over het vervoer van cocaïne en/of een ander middel, naar Nederland, en
-
met (de gebruikers van de accounts) [account 1] , [account 2] , [account 3] , [account 4] , [account 5] , [account 6] , [account 7] , [account 8] , [account 9] , [account 10] , [account 11] , [account 12] en [account 13] inlichtingen uitgewisseld over de prijs en/of beschikbaarheid en/of samenstelling van cocaïne,
-
tokens
verstuurden drugsgerelateerde gesprekken
gehadzoals aangetroffen op de Apple Iphone Se,
en
tokens
verstuurden inlichtingen
uitgewisseldmet meerdere tegencontacten op meerdere aangetroffen telefoons (zoals de Apple iPhone SE, iPhone SE, iPhone 7 Plus) omtrent de prijs en/of beschikbaarheid en/of samenstelling en/of (internationaal) vervoer en/of import en/of levering van cocaïne althans drugs gerelateerde gesprekken.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7.De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesenhalf jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Met betrekking tot de redelijke termijn waarbinnen een verdachte moet worden berecht, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de lange duur van het strafproces deels aan de verdediging te wijten is, nu de verdachte meermaals een andere advocaat in de arm heeft genomen. Deze lange duur dient niet tot matiging van de op te leggen straf te leiden.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft in het geval van een veroordeling verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van zijn cliënt.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen gedurende ruim drieënhalf jaar schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor (internationale) handel in verdovende middelen. Daarnaast heeft hij samen met zijn zoon een hoeveelheid van twintig kilo cocaïne verkocht. De handel in cocaïne en andere verdovende middelen heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Harddrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en het gebruik daarvan veroorzaakt overlast en criminaliteit. In deze handel gaan grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt geweld vaak niet geschuwd. Drugshandel heeft bovendien in toenemende mate een ondermijnende en corrumperende werking, die zich onder meer manifesteert in de omkoping van douanebeambten en havenmedewerkers.
Het is naar het oordeel van de rechtbank passend dat voor deze feiten lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. In de eerste plaats dient dit als vergelding voor het ontwrichtende effect van drugshandel op de samenleving waar de verdachte aan heeft bijgedragen. Inde tweede plaats heeft het opleggen van zware straffen tot doel de verdachte en anderen ervan te weerhouden zich met drugscriminaliteit in te laten.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 14 mei 2026, waaruit volgt dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat dit vonnis ruim twee jaar en negen maanden na de inverzekeringstelling van de verdachte is gewezen. Gelet op de omvang en complexiteit van de zaak levert dat naar het oordeel van de rechtbank geen schending op van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De relatief lange duur van het strafproces leidt daarom niet tot strafmatiging.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is voor de verkoop van twintig kilo cocaïne als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijftig maanden. Voor strafbare voorbereidingshandelingen worden in de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting geen uitgangspunten vermeld.
Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezenverklaarde en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte voldoende tot uitdrukking in de eis van de officier van justitie.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van zesenhalf jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank ziet geen aanleiding de voorlopige hechtenis op te heffen, zoals de verdediging heeft verzocht. Gelet op de bewezenverklaring van het tenlastegelegde zijn de ernstige bezwaren aanwezig en van de herhalingsgrond is onverkort sprake.
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis met ingang van 5 oktober 2023 voor onbepaalde tijd geschorst. De officier van justitie heeft opheffing van de schorsing gevorderd.
De officier van justitie heeft aan zijn vordering tot opheffing van de schorsing geen andere omstandigheid ten grondslag gelegd dan het belang van de onverwijlde executie van de opgelegde vrijheidsbenemende straf.
De enkele omstandigheid dat een vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt opgelegd van ten minste even lange duur als de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd vormt echter geen toereikende grond voor opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor opheffing van de schorsing.
De rechtbank ziet evenmin aanleiding het ertoe te leiden dat de door de verdachte betaalde borgsom terug wordt betaald – door de aan de schorsing verbonden voorwaarde van betaling van een borgsom te wijzigen – zoals de verdediging heeft verzocht. Zij wijst daarom het desbetreffende verzoek af.

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) onder 2 en 3 genoemde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de inbeslaggenomen voorwerpen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 2 en 3 genoemde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 bewezenverklaarde feit is begaan.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 33, 33 a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (ZES) JAREN en 6 (ZES) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten: 1 STK Telefoonautomaat (783574) en 1 STK Telefoonautomaat (783600).
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.P.M. Meskers, voorzitter,
mr. F. Bouman, rechter,
mr. T.A.B. Mentink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2026.