ECLI:NL:RBDHA:2026:17324

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL25.20949
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 29 VwArt. 30b VwArt. 31 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende motivering ongeloofwaardigheid skolioseksuele gerichtheid

Eiser, een Libische nationaliteit dragende man met een licht verstandelijke beperking, diende zijn vierde asielaanvraag in met het beroep op zijn skolioseksuele gerichtheid. Verweerder wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van deze gerichtheid, gebaseerd op tegenstrijdige en summiere verklaringen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende rekening hield met het referentiekader van eiser, met name zijn IQ van circa 75 en de daarmee samenhangende beperkingen in verbale expressie en reflectie. Het eerste dragende argument van verweerder, dat eiser tegenstrijdig verklaarde over zijn seksuele gerichtheid, werd niet als deugdelijk gemotiveerd beoordeeld. Ook het tweede argument over summiere verklaringen over relaties met transvrouwen was onvoldoende onderbouwd.

Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder eiser onvoldoende heeft bevraagd over zijn seksuele gerichtheid, waardoor het motiveringsgebrek niet kon worden hersteld. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij aanvullend onderzoek en een beter gemotiveerde beoordeling vereist zijn.

De rechtbank veroordeelde verweerder tevens tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de ongeloofwaardigheid van de skolioseksuele gerichtheid van eiser met een licht verstandelijke beperking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20949

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Fawzy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1984 en heeft de Libische nationaliteit.
1.1.
Eiser heeft op 24 maart 2010 zijn eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. Aan deze asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij in Libië problemen heeft ondervonden met de zoon van de ex-burgemeester en dat hij vreest voor het leger. Verweerder heeft dit niet geloofwaardig geacht en heeft de asielaanvraag bij besluit van 16 september 2010 afgewezen. Het door eiser hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, bij uitspraak van 23 mei 2011 (AWB 10/33689) gegrond verklaard, omdat verweerder ondeugdelijk had gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Libië geen reëel risico liep op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM in verband met de algemene situatie aldaar. Bij besluit van 7 september 2012 heeft verweerder eisers eerste asielaanvraag opnieuw afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij uitspraak van 6 november 2013 (AWB 12/29381) het beroep van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft die uitspraak op 2 april 2014 bevestigd.
1.2.
Op 6 november 2014 heeft eiser een tweede asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Bij besluit van 22 november 2014 heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen, omdat hij de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig heeft geacht. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, 20 oktober 2016 (AWB 14/26461) ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
1.3.
Op 20 januari 2020 heeft eiser een derde asielaanvraag ingediend. Daarbij heeft hij een beroep gedaan op de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de Tweede Kamer van 18 december 2019 over de verlenging van het besluit- en vertrekmoratorium voor Libië. Bij besluit van 6 oktober 2020 heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft het beroep van eiser tegen dit besluit bij uitspraak van 12 juli 2021 (NL20.18094) ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
Huidige asielaanvraag
2. Eiser heeft op 18 maart 2024 een vierde asielaanvraag ingediend. Over deze asielaanvraag gaat deze uitspraak. Eiser heeft aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij skolioseksueel is, wat in zijn geval betekent dat hij zich aangetrokken voelt tot personen met een vrouwelijk lichaam en een mannelijk geslachtsdeel. Hij stelt dat hij vanwege zijn skolioseksuele gerichtheid niet terug kan keren naar Libië, omdat dat daar niet is toegestaan. Ter onderbouwing van zijn asielaanvraag heeft eiser onder meer diverse foto’s, een aantal brieven van vrienden, brieven van medewerkers van ASKV en een onderzoeksrapport van Together Psychologie overgelegd.
Het bestreden besluit
3.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. skolioseksuele gerichtheid.
3.2.
Verweerder heeft de nationaliteit, identiteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De gestelde skolioseksuele gerichtheid van eiser heeft verweerder niet geloofwaardig geacht, omdat de verklaringen van eiser hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het geloofwaardig geachte element levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Gelet hierop, en nu eiser volgens verweerder kennelijk inconsistente en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en er sprake is van een opvolgende asielaanvraag die niet niet-ontvankelijk wordt verklaard, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en g, van de Vw.
Beroepsgronden
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn skolioseksuele gerichtheid ongeloofwaardig heeft geacht. Hiertoe stelt eiser dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Uit de overgelegde rapportage volgt namelijk dat eiser een IQ van (ongeveer) 75 heeft en dat er sprake is van een licht verstandelijke beperking. Verder stelt eiser hiertoe dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid, in het bijzonder op het punt of hij zichzelf als homoseksueel of skolioseksueel beschouwt. Eiser betwist ook dat zijn verklaringen uit zijn eerdere procedure(s) tegenstrijdig zijn aan de verklaringen die hij in het kader van de onderhavige asielprocedure heeft afgelegd. Gelet hierop heeft verweerder het bestreden besluit volgens eiser onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
Toetsing bestreden besluit
5. Ter beoordeling staat of verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde skolioseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is.
Het beoordelingskader
5.1.
Hoewel dit niet expliciet in het bestreden besluit is vermeld, volgt daaruit wel dat verweerder bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers gestelde skolioseksuele gerichtheid Werkinstructie 2019/17 (WI 2019/17) heeft toegepast, of in ieder geval daarbij aansluiting heeft gezocht. Volgens deze werkinstructie is het aan de vreemdeling om zijn gestelde seksuele gerichtheid tegenover verweerder aannemelijk te maken, maar moet verweerder er bij zijn beoordeling rekening mee houden dat het voor een vreemdeling niet mogelijk is om met sluitend bewijs aannemelijk te maken dat hij lhbti is. De loutere stelling van de vreemdeling dat hij lhbti is, is echter ook niet voldoende. Verweerder maakt een individuele afweging die onderdeel is van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Volgens WI 2019/17 moet verweerder vooral vragen naar de persoonlijke belevingen van de vreemdeling en de persoonlijke betekenis die de gebeurtenissen voor de vreemdeling hebben gehad; verweerder is op zoek naar het authentieke verhaal van de vreemdeling. Voor de beoordeling geven de volgende thema’s richting aan: privéleven, huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact of kennis van lhbti groepen, contact met lhbti’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie, en discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst. Volgens WI 2019/17 ligt bij de beoordeling het zwaartepunt bij de antwoorden op vragen over eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Uit WI 2019/17 volgt verder dat verweerder in de vraagstelling en bij de beoordeling rekening houdt met de persoonlijkheid en achtergrond van de vreemdeling. Elke vreemdeling heeft immers een eigen referentiekader op basis van onder andere opleidingsniveau, culturele achtergrond en levensfase.
Verweerders argumentatie
5.2.
Verweerder heeft aan zijn standpunt dat eisers verklaringen over zijn skolioseksuele gerichtheid geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw, en daarom ongeloofwaardig zijn, meerdere argumenten ten grondslag gelegd. De twee ‘dragende argumenten’ die verweerder hiertoe in het bestreden besluit heeft vermeld zijn: (1) dat eiser (zeer) tegenstrijdig heeft verklaard over de ontwikkeling van zijn skolioseksuele gerichtheid en (2) dat eiser vaag, summier en onduidelijk heeft verklaard over zijn relaties met transvrouwen. Daarnaast bevat het bestreden besluit enkele ‘ondersteunende argumenten’, te weten dat eiser zonder goede reden zijn gestelde skolioseksuele gerichtheid en zijn gestelde relaties met transvrouwen niet al eerder, bijvoorbeeld in zijn tweede of derde asielprocedure, heeft aangedragen, dat eiser oppervlakkig en vaag heeft verklaard over hoe het voor hem was om bekend te raken met de term ‘skolioseksueel’ en dat eiser vaag en onduidelijk heeft verklaard over zijn behoefte om contact te hebben met lhbti-organisaties.
Het eerste ‘dragende argument’: tegenstrijdige verklaringen over ontwikkeling gerichtheid
5.3.
Aan zijn eerste dragende argument, te weten dat eiser (zeer) tegenstrijdig heeft verklaard over de ontwikkeling van zijn skolioseksuele gerichtheid, heeft verweerder in het bestreden besluit ten grondslag gelegd: (a) dat hij tijdens het gehoor in onderhavige procedure heeft ontkend dat hij tijdens het gehoor in de tweede asielprocedure heeft verklaard dat hij op mannen valt en alleen relaties heeft gehad met mannen, en (b) dat eiser binnen het gehoor in onderhavige procedure tegenstrijdig heeft verklaard over of hij nu homoseksueel dan wel skolioseksueel is.
5.3.1.
Ten aanzien van het hiervoor vermelde argument onder (a) overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft tijdens het gehoor in de tweede asielprocedure op 18 november 2014, zo blijkt uit het daarvan opgemaakte verslag, verklaard dat hij zich aangetrokken voelt tot mannen, relaties heeft gehad met mannen en dat hij naar pornografie keek met mannen. Tijdens het gehoor in zijn onderhavige procedure op 24 april 2025 heeft eiser echter ontkend dat hij dit heeft gezegd en verklaard dat hij zich alleen aangetrokken voelt tot transgenders, alleen relaties heeft gehad met transgenders en alleen naar pornografie keek met transgenders (p. 11 gehoor opvolgende aanvraag; hierna: GOA). Hoewel het merkwaardig is, en in zekere zin ook tegenstrijdig, dat eiser heeft ontkend dat hij voormelde verklaringen tijdens zijn tweede asielprocedure heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat hieraan niet te zwaar moet worden getild, hetgeen verweerder ter zitting ook wel heeft erkend. In de eerste plaats geldt hiertoe dat voormelde ontkenning (van gevoelens voor en relaties met mannen) niet zonder meer afbreuk doet aan de kern van zijn huidige asielrelaas, namelijk dat hij skolioseksueel is. In de tweede plaats geldt hiertoe dat eiser die ontkenning tijdens het gehoor in de huidige asielprocedure ook weer enigszins heeft genuanceerd (p. 11 GOA) en heeft verklaard dat hij een ontwikkeling heeft doorgemaakt in zijn seksuele gerichtheid waardoor hij in de loop der tijd heeft ontdekt wat hij is en wil (p. 7 en 9 GOA). Daarbij komt dat hij tijdens het gehoor in de tweede asielprocedure, ruim 10 jaar geleden, wel degelijk ook al verklaringen heeft gegeven die duiden op een skolioseksuele gerichtheid. Zo heeft hij verklaard dat hij (ook) keek naar “films met travestieten”, dat hij ‘mannen die omgebouwd zijn tot vrouwen leuk vindt’ en dat hij een relatie heeft gehad met een Turkse man ‘die eruit zag als een vrouw (met lang haar, opgemaakt en vrouwenkleding)’. Deze verklaringen geven op zijn minst blijk van enige continuïteit in eisers seksuele gerichtheid. Dit is door verweerder niet onderkend, aangezien verweerder in het bestreden besluit alleen maar heeft gewezen op tegenstrijdigheden tussen het huidige gehoor en het gehoor in de tweede procedure.
5.3.2.
Ten aanzien van het hiervoor vermelde argument onder (b) overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij skolioseksueel is en heeft dit ook tijdens het gehoor herhaaldelijk verklaard. Tijdens het gehoor heeft eiser echter ook verklaard, zoals verweerder in het bestreden besluit juist stelt, dat hij zichzelf ook ziet als homoseksueel. Hoewel dit twee verschillende seksuele gerichtheden betreffen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij hiermee tegenstrijdig heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid. Uit het gehoor blijkt namelijk dat eiser een minder strikte invulling geeft aan de termen ‘skolioseksueel’ en ‘homoseksueel’ dan verweerder en dan wat deze termen daadwerkelijk inhouden, en deze gerichtheden niet ziet als strikt te onderscheiden, maar meer als overlappend. Zo heeft hij verklaard: “
Ik wil alleen iets aan u vragen. Wat is het verschil tussen iemand die homo is en wat ik ben. Het is geen verschil, het allebei hetzelfde toch of niet?” (p. 13 GOA) en “
Ik beschouw mijzelf ook als homo. Wat is de bedoeling van iemand die homo is. Dat is iemand die valt op een man. Wat ik tijdens mijn seks doe is dat ik een intieme relatie heb met een man. Dat is hetzelfde als een homo.” (p. 29 GOA) en “
Maar als ik een seksuele relatie [heb] moet dat met een man die transgender is. Maar dat betekent toch dat ik homo ben.” (p. 29 GOA). In zijn correcties en aanvullingen heeft eiser nog eens uitgelegd en verduidelijkt dat hij niet valt op mannen, maar enkel op transvrouwen met een het mannelijke geslachtsdeel en dat dit laatste maakt dat hij zichzelf, naast skolioseksueel, ook als homoseksueel ziet. Maar dat eiser aan de termen ‘skolioseksueel’ en ‘homoseksueel’ een andere invulling geeft dan verweerder en dan wat deze termen daadwerkelijk inhouden, betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat eiser binnen het gehoor in deze asielprocedure tegenstrijdig heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid. Hierbij geldt dat niet zo zeer van belang is welke term of welk ‘etiket’ eiser zelf plakt op zijn gerichtheid, maar hoe hij zijn gerichtheid omschrijft. En in die omschrijving is eiser tijdens het gehoor zeer consistent geweest, aangezien hij van begin tot eind heeft verklaard dat hij zich aangetrokken voelt tot transvrouwen met een mannelijk geslachtsdeel (ofwel, in eisers bewoordingen, ‘shemales’ of ‘ladyboys’).
5.3.3.
Gelet op het voorgaande, waaruit dus volgt dat verweerder aan het argument onder (a) niet te zwaar mag tillen en dat verweerder het argument onder (b) ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen, is de rechtbank van oordeel dat het eerste ‘dragende argument’ – te weten: eiser heeft (zeer) tegenstrijdig verklaard over de ontwikkeling van zijn skolioseksuele gerichtheid – in het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Dit in het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerde ‘dragende argument’ kan het standpunt van verweerder dat eisers skolioseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is dan ook niet dragen. De hiertoe aangedragen beroepsgrond slaagt dus.
Slotsom
5.4.
Het gevolg van het, wegens een motiveringsgebrek, wegvallen van één van de twee in het bestreden besluit gebruikte ‘dragende argumenten’ is naar het oordeel van de rechtbank dat het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat eisers skolioseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is niet berust op een voldoende dragende motivering. Hiertoe geldt dat het overgebleven ‘dragende argument’, dat ziet op het thema ‘relaties’ als bedoeld in WI 2019/17, en de in het bestreden besluit gebruikte ‘ondersteunende argumenten’ – voor zover die argumenten houdbaar zijn – tezamen onvoldoende zijn om verweerders standpunt te kunnen dragen dat eisers skolioseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is. Daarbij wijst de rechtbank erop dat blijkens WI 2019/17 het zwaartepunt in de beoordeling ligt bij antwoorden op vragen over eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid en dat dit vooral raakt aan het eerste ‘dragende argument’, dat dus vanwege een motiveringsgebrek is weggevallen. Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit niet in stand blijven.
Tussenconclusie
6. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Geschilbeslechting
7. De rechtbank onderzoekt hierna de mogelijkheid van definitieve geschilbeslechting. In de eerste plaats onderzoekt de rechtbank of er aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Hierbij betrekt de rechtbank, van de zijde van verweerder, de overige overwegingen in het bestreden besluit en zijn toelichting ter zitting, en, van de zijde van eiser, het beroepschrift en zijn toelichting ter zitting.
Nieuw ‘dragend argument’: oppervlakkige verklaringen over ontwikkeling gerichtheid
8. Verweerder heeft ter zitting het nadere standpunt ingenomen dat er dan wellicht geen sprake is van tegenstrijdige verklaringen over de ontwikkeling van eisers skolioseksuele gerichtheid, maar dat er wel sprake is van summiere en oppervlakkige verklaringen hierover. Meer concreet stelt verweerder dat eiser met zijn verklaringen niet of nauwelijks inzicht heeft verstrekt in zijn eigen belevingen, gedachten, gevoelens en ervaringen ten aanzien van zijn skolioseksuele gerichtheid. Met inachtneming van eisers referentiekader stelt verweerder dat mocht worden verwacht dat eiser hierover concreter en diepgaander moet kunnen verklaren dan hij heeft gedaan, vooral nu hij al lange tijd (ruim 15 jaar) in Nederland is en dus voldoende tijd heeft gehad om op dit vlak ervaringen op te doen, na te denken en zich voor te bereiden.
8.1.
Eiser heeft tijdens het gehoor verklaard dat hij een ontwikkeling heeft doorgemaakt in zijn seksuele gerichtheid. Gevraagd naar die ontwikkeling heeft eiser verklaard dat dit vooral te maken heeft met de manier waarop hij seksueel contact heeft. Als vervolgens wordt gezegd dat het gaat om zijn persoonlijke beleving en wordt gevraagd hoe zijn gedachten zich hebben ontwikkeld, verklaart eiser dat zijn gedachten en gevoelens hetzelfde zijn gebleven en dat de ontwikkeling zit in wat hij zojuist heeft verteld (p. 8 GOA). De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat deze verklaringen van eiser over de ontwikkeling van zijn skolioseksuele gerichtheid summier en oppervlakkig zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het gerechtvaardigd is om dit aan eiser tegen te werpen. Dit legt de rechtbank hierna uit.
8.2.
In de eerste plaats geldt hiertoe dat verweerder onvoldoende heeft uitgelegd waarom van eiser, gezien zijn referentiekader, verwacht mag worden dat hij over zijn persoonlijke belevingen, gevoelens en gedachten rondom zijn ontwikkeling concreter en diepgaander moet kunnen verklaren dan hij heeft gedaan. Het gaat de rechtbank hierbij dan vooral om het intelligentieniveau van eiser. Uit het onderzoeksrapport van Together Psychologie van 27 oktober 2023 blijkt dat eiser een IQ heeft van (ongeveer) 75, dat deze score duidt op een ‘laag’ niveau en dat van zijn leeftijdsgenoten slechts 7% lager scoort dan eiser. Verder blijkt uit de verklaring van de gedragsdeskundige van ASKV (steunpunt vluchtelingen) van 21 februari 2024 dat eiser bekend is met een lvb (licht verstandelijke beperking) en dat dit in gesprekken met hem ook naar voren komt. De gedragsdeskundige schrijft dat het voor eiser moeilijk is om alle vragen te begrijpen, om over zijn emoties te praten, om zich goed uit te drukken op een verbale manier en woorden te geven aan zijn ervaringen en gevoelens en om vragen over diepgewortelde gevoelens te begrijpen en te beantwoorden. Uit deze stukken, in samenhang bezien, volgt dus dat het voor eiser, gezien zijn lvb, erg lastig is om te reflecteren op en te verklaren over emoties, gevoelens, gedachten en belevingen. Gelet hierop vindt de rechtbank het niet zo vreemd dat eiser in reactie op een vraag over de ontwikkeling van zijn gerichtheid in eerste instantie verklaart over seksuele contacten. Dat is voor hem immers het meest ‘tastbaar’ en duidelijk en dit is voor hem bovendien, gezien zijn specifieke gerichtheid (transvrouwen met een mannelijk geslachtsdeel), ook een belangrijk element. Als verweerder dan wil tegenwerpen dat eiser verder- en diepgaander had moeten kunnen verklaren over gevoelens, gedachten en belevingen ten aanzien van zijn ontwikkeling dan hij heeft gedaan, moet verweerder deugdelijk uitleggen waarom dit van eiser, ondanks zijn lvb, kan worden verlangd. Dat heeft verweerder niet voldoende gedaan. De omstandigheid dat eiser al langere tijd in Nederland is, maakt weliswaar dat eiser geruime tijd ervaringen heeft kunnen opdoen met betrekking tot zijn gerichtheid, maar maakt niet dat eiser niet lvb meer is en maakt ook niet zonder meer dat eiser beter in staat moet zijn om zich uit te drukken over zijn belevingen, gevoelens en gedachten aangaande een moeilijk onderwerp als de ontwikkeling van zijn seksuele gerichtheid.
8.3.
In de tweede plaats geldt dat eiser tijdens het gehoor slechts beperkt is bevraagd over de ontwikkeling van zijn seksuele gerichtheid. Na de hiervoor vermelde (twee) vragen en (twee) antwoorden, zijn er tijdens het gehoor eigenlijk niet of nauwelijks meer vragen gesteld over de ontwikkeling van eisers seksuele gerichtheid, maar is het gesprek verzand in een discussie over wat eiser nu wel of niet tien jaar geleden tijdens het gehoor in zijn tweede asielprocedure zou hebben verklaard en of dit nu wel of niet tegenstrijdig is met eisers verklaringen in zijn huidige procedure (zie overweging 5.3.1.). Als de ontwikkeling van de gerichtheid een belangrijk thema wordt gevonden, lag het in de rede, juist vanwege eisers lvb, om eiser voldoende gelegenheid te geven om hierover te verklaren en hem hierover voldoende, duidelijke en passende vragen te stellen. Van hem kan immers, gezien zijn lvb, niet worden verwacht dat hij hierover spontaan en uit zichzelf allerlei diepgaande verklaringen en inzichten deelt.
8.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ter zitting ondeugdelijk gemotiveerd op het nadere standpunt heeft gesteld dat aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij summier en oppervlakkig heeft verklaard over de ontwikkeling van zijn skolioseksuele gerichtheid. Dit ter zitting aangevoerde nieuwe ‘dragende argument’ kan het standpunt van verweerder dat eisers skolioseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is dan ook niet dragen.
Het tweede ‘dragende argument’: vage en summiere verklaringen over relaties
9. Het tweede ‘dragende argument’ van verweerder in het bestreden besluit is dat eiser vage en summiere verklaringen heeft gegeven over zijn relaties met transvrouwen. Volgens verweerder gaan de verklaringen van eiser over zijn relaties vooral over de fysieke kenmerken van de transvrouwen en over seksuele aspecten en verklaart eisers slechts summier en algemeen over waarom hij zich aangetrokken voelde tot de transvrouwen met wie hij een relatie heeft gehad. Verweerder stelt dat van eiser mocht worden verwacht dat hij hierover concreter en uitgebreider moet kunnen verklaren dan hij heeft gedaan.
9.1.
Eiser heeft verklaard dat hij met drie transvrouwen een liefdesrelatie heeft gehad: met [naam 1] (2013- 2014), met [naam 2] (2014-2015) en met [naam 3] (2024-2025). Gevraagd naar wat hij aantrekkelijk vond aan [naam 1] heeft eiser verklaard dat het een transgender is en dat het een lieve, aardige en open vrouw was (p. 21). De relatie is volgens eiser uitgegaan, omdat hij [naam 2] leerde kennen, die hij leuker vond. Gevraagd naar wat hij aantrekkelijk vond aan [naam 2] heeft eiser verklaard dat zij knap, lief en zorgzaam is, dat zij grappig is, dat zij hem goed behandelde en dat hij haar leuker vond dan [naam 1] omdat zij geen grote mond heeft (p. 22-24 GOA). Verder heeft hij over [naam 2] verteld dat zij zijn gaan samenwonen, dat zij een leuke tijd hebben gehad met veel mooie momenten en dat zij veel samen deden, zoals boodschappen, koken, films kijken en uiteten gaan. De relatie is volgens eiser uitgegaan, omdat [naam 2] in volledige transitie wilde gaan, terwijl eiser dat niet wilde. Over de aantrekkingskracht van [naam 3] heeft eiser desgevraagd verklaard dat zij een transgender is en Arabier, dat zij een goed persoon is met goede eigenschappen (aardig en lief). Minder leuk vond eiser dat zij ‘bottom’ was. De relatie is volgens eiser geëindigd, omdat zij elkaar te weinig konden zien; [naam 3] woonde in Frankrijk en eiser kon daar niet naartoe (p. 19 GOA).
9.2.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank verweerder niet volgen in zijn standpunt dat eiser met betrekking tot zijn relaties ‘vooral’ heeft verklaard over fysieke kenmerken van zijn partners en over seksuele aspecten. Hij benoemt deze aspecten wel, vooral dat het gaat om transgenders – wat gezien zijn gestelde gerichtheid ook logisch is – maar beperkt zich hier zeker niet toe. Wel volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat eisers verklaringen over waarom hij zich aangetrokken voelde tot specifiek [naam 1], [naam 2] en [naam 3] aan de algemene en summiere kant zijn, daar het blijft bij redelijk algemene beschrijvingen van (karakter)eigenschappen. Maar de rechtbank is van oordeel dat verweerder ook op dit punt ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het gerechtvaardigd is om aan eiser tegen te werpen dat zijn verklaring summier en oppervlakkig van aard zijn. Hiervoor geldt in feite hetzelfde als is overwogen ten aanzien van de tegenwerping over de ontwikkeling van zijn seksuele gerichtheid. De verklaringen die eiser wel heeft gegeven gaan over min of meer ‘tastbare’, feitelijke en praktische aspecten, of, anders gezegd: ‘makkelijkere onderwerpen’. Verweerder heeft onvoldoende uitgelegd waarom eiser, ondanks zijn lvb, in staat moet worden geacht om diepgaander te reflecteren en concreter en inzichtelijker te verklaren over waarom hij zich aangetrokken voelde tot zijn partners en wat hij daarbij dacht en voelde. Ook op dit punt geldt bovendien dat eiser tijdens het gehoor slechts beperkt is ‘uitgenodigd’ om meer te verklaren dan hij heeft gedaan. De rechtbank herhaalt dat het juist vanwege eisers lvb in de rede ligt om eiser over onderwerpen die voor de beoordeling van belang worden geacht voldoende, duidelijke en passende vragen te stellen die eiser de gelegenheid bieden om wat meer te verklaren dan hij heeft gedaan. Dit is niet voldoende gebeurd.
9.3.
De rechtbank overweegt verder dat verweerder ter zitting heeft opgemerkt dat het niet zo is dat alle door eiser gestelde seksuele contacten niet worden geloofd. Dit staat echter niet zo in het bestreden besluit en is dus niet meegewogen. Hoewel dit op zichzelf niet maakt dat verweerder eiser hierdoor ook had moeten volgen in zijn skolioseksuele gerichtheid, is dit naar het oordeel van de rechtbank wel een aspect dat verweerder bij zijn besluitvorming had moeten betrekken. De omstandigheid dat wordt aangenomen dat eiser seksuele contacten heeft gehad met transvrouwen kan immers bijdragen aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde skolioseksuele gerichtheid.
9.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij summier en oppervlakkig heeft verklaard over zijn relaties met transvrouwen. Dit tweede ‘dragende argument’ kan het standpunt van verweerder dat eisers skolioseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is dan ook evenmin dragen.
‘Ondersteunende argumenten’
10. Volledigheidshalve gaat de rechtbank nog kort in op de ‘ondersteunende argumenten’ die verweerder in het bestreden besluit heeft vermeld, te weten: dat eiser zonder goede reden zijn gestelde skolioseksuele gerichtheid en zijn gestelde relaties met transvrouwen niet al eerder, bijvoorbeeld in zijn tweede of derde asielprocedure, heeft aangedragen, dat eiser oppervlakkig en vaag heeft verklaard over hoe het voor hem was om bekend te raken met de term ‘skolioseksueel’ en dat eiser vaag en onduidelijk heeft verklaard over zijn behoefte om contact te hebben met lhbti-organisaties.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte het standpunt heeft ingenomen en aan eiser heeft tegengeworpen dat hij niet al eerder, bijvoorbeeld tijdens zijn tweede of derde asielprocedure, heeft aangevoerd dat hij skolioseksueel is en relaties heeft (gehad) met transvrouwen. Deze tegenwerping kan het standpunt van verweerder dat eisers skolioseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is echter niet zelfstandig dragen.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat de tegenwerping dat eiser oppervlakkig en vaag heeft verklaard over hoe het voor hem was om bekend te raken met de term ‘skolioseksueel’ niet berust op een deugdelijke motivering. Zoals hiervoor (onder 5.3.2) al is overwogen, is niet zo zeer de term van belang, maar meer de gerichtheid zelf. Eisers (gestelde) gerichtheid is niet pas ontstaan toen hij bekend werd met de term ‘skolioseksueel’, maar bestond blijkens zijn verklaringen al veel eerder. Eiser heeft zelf ook verklaard dat hij het “normaal” vond toen hij hoorde dat hij skolioseksueel is, omdat het “alleen maar een term” is (p. 17 en 26 GOA). Verweerder legt niet deugdelijk uit waarom dit niet zou kunnen, en waarom eiser allerlei gedachten en gevoelens moet hebben gekregen bij het voor het eerst horen van de term ‘skolioseksueel’ terwijl eiser voor zichzelf al veel langer wist wat zijn gerichtheid is.
10.3.
De tegenwerping dat eiser vaag en onduidelijk heeft verklaard over zijn behoefte om contact te hebben met een lhbti-organisatie berust naar het oordeel van de rechtbank evenmin op een deugdelijke motivering. Uit het gehoor blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser al een jarenlang gekoesterde behoefte heeft om in contact te komen met een lhbti-organisatie. Uit het gehoor komt eerder het beeld naar voren dat eiser een – sociaal wenselijk – antwoord heeft willen geven op de vragen van verweerder over dit thema en zijn antwoorden houden veeleer in dat hem het wel leuk lijkt om eens contact te hebben met zo’n organisatie. Gelet hierop volgt de rechtbank verweerders standpunt dat niet te volgen is dat eiser nooit werk heeft gemaakt van zijn behoefte om contact te hebben met een lhbti-organisatie, niet.
10.4.
Voor zover verweerder aan eiser meer of andere tegenwerpingen heeft gedaan, kunnen die, wat daarvan inhoudelijk ook zij, verweerders standpunt dat eisers skolioseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is niet zelfstandig dragen.
Conclusie en gevolgen
11. Het vorenstaande, in samenhang bezien, leidt tot de conclusie dat verweerder met zijn ter zitting gegeven nadere toelichting, in combinatie bezien met de overige overwegingen in het bestreden besluit, niet alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers gestelde skolioseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is. Dit betekent dat verweerder het geconstateerde motiveringsgebrek in het bestreden besluit niet heeft hersteld. Er bestaat dan ook geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
12. De rechtbank ziet ook geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, omdat het (vooralsnog) aan verweerder is en blijft om eisers gestelde skolioseksuele gerichtheid op geloofwaardigheid te beoordelen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit, gelet op de aard van de gebreken, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van twaalf weken. Daarbij merkt de rechtbank op dat het haar niet onverstandig voorkomt om eiser aanvullend te horen alvorens een nieuw besluit te nemen.
Proceskosten
13. De rechtbank oordeelt dat verweerder de proceskosten moet betalen die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.