Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Ik wil alleen iets aan u vragen. Wat is het verschil tussen iemand die homo is en wat ik ben. Het is geen verschil, het allebei hetzelfde toch of niet?” (p. 13 GOA) en “
Ik beschouw mijzelf ook als homo. Wat is de bedoeling van iemand die homo is. Dat is iemand die valt op een man. Wat ik tijdens mijn seks doe is dat ik een intieme relatie heb met een man. Dat is hetzelfde als een homo.” (p. 29 GOA) en “
Maar als ik een seksuele relatie [heb] moet dat met een man die transgender is. Maar dat betekent toch dat ik homo ben.” (p. 29 GOA). In zijn correcties en aanvullingen heeft eiser nog eens uitgelegd en verduidelijkt dat hij niet valt op mannen, maar enkel op transvrouwen met een het mannelijke geslachtsdeel en dat dit laatste maakt dat hij zichzelf, naast skolioseksueel, ook als homoseksueel ziet. Maar dat eiser aan de termen ‘skolioseksueel’ en ‘homoseksueel’ een andere invulling geeft dan verweerder en dan wat deze termen daadwerkelijk inhouden, betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat eiser binnen het gehoor in deze asielprocedure tegenstrijdig heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid. Hierbij geldt dat niet zo zeer van belang is welke term of welk ‘etiket’ eiser zelf plakt op zijn gerichtheid, maar hoe hij zijn gerichtheid omschrijft. En in die omschrijving is eiser tijdens het gehoor zeer consistent geweest, aangezien hij van begin tot eind heeft verklaard dat hij zich aangetrokken voelt tot transvrouwen met een mannelijk geslachtsdeel (ofwel, in eisers bewoordingen, ‘shemales’ of ‘ladyboys’).