ECLI:NL:RBDHA:2026:17345

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
SGR 25/4253
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 WroArt. 3:9 AwbArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 4.19 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing tegemoetkoming planschade windturbine nabij appartementencomplex

Eisers dienden een aanvraag in voor tegemoetkoming in planschade vanwege waardevermindering van hun appartement door de plaatsing van een windturbine op circa 600 meter afstand. Het college wees de aanvraag af op basis van een advies van SAOZ, dat beperkte invloed op uitzicht en geluid concludeerde. Eisers voerden onder meer aan dat de geluidhinder en waardevermindering groter waren dan erkend.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht mocht afgaan op het deskundigenadvies van SAOZ, maar constateert een motiveringsgebrek omdat niet duidelijk was met welk akoestisch model en welke invoergegevens de geluidsbelasting op de gevel van het appartement op relevante hoogtes was berekend. Na schorsing van het onderzoek overlegden college en belanghebbenden aanvullende berekeningen die dit gebrek herstelden.

De rechtbank stelt dat het geluid van de windturbine niet leidt tot relevant planologisch nadeel, mede omdat de cumulatieve geluidsbelasting ruim onder de norm blijft en de toename niet waarneembaar is. Eisers slaagden er niet in hun stellingen over gezondheidsschade en hogere waardevermindering met deskundigenrapporten te onderbouwen.

Het beroep wordt gegrond verklaard wegens het motiveringsgebrek, het besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand zodat eisers geen tegemoetkoming ontvangen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de aanvraag om tegemoetkoming in planschade wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand zodat eisers geen vergoeding ontvangen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4253

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. A.M.C. Marius - van Eeghen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel
: [derde-partij 1] B.V.en
[derde-partij 2] B.V., beiden gevestigd te [plaats] (belanghebbenden),
(gemachtigde: mr. J.C.W. van Eekeren)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om tegemoetkoming in planschade. Eisers zijn het niet eens met die afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wordt vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat eisers geen tegemoetkoming in planschade krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2. Eisers wonen in een appartementencomplex, op het adres [adres 1] . Zij hebben op 14 juli 2020 een aanvraag ingediend om tegemoetkoming in planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro. Zij stellen schade te ondervinden in de vorm van waardevermindering van hun woning door wijziging van het planologisch regime. Het planologisch regime is gewijzigd door het besluit van 23 april 2023 waarin het college in afwijking van de beheersverordening Vlietzone een omgevingsvergunning heeft verleend voor het realiseren van een windturbine op het terrein [adres 2] (de omgevingsvergunning). Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 december 2015 [1] is deze omgevingsvergunning onherroepelijk geworden. De windturbine waarvoor de omgevingsvergunning is verleend staat op circa 600 meter afstand van de zuidoostgevel van het gebouw waarvan de woning van eisers deel uitmaakt.
2.1.
Het college heeft Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) opdracht gegeven om een advies uit te brengen met betrekking tot de aanvraag van eisers.
2.2.
Voorafgaand aan het door SAOZ uitbrengen van een concept-advies hebben belanghebbenden Langhout & Wiarda (Langhout) gevraagd een deskundigenadvies te geven over de aanvraag om tegemoetkoming in planschade. Langhout heeft dat advies in de brief van 8 juni 2021 gegeven. Langhout adviseert daarin de aanvraag van eisers om tegemoetkoming in planschade af te wijzen.
2.3.
SAOZ heeft op 2 maart 2022 een conceptadvies uitgebracht. In dat conceptadvies heeft SAOZ geadviseerd geen tegemoetkoming in planschade toe te kennen. SAOZ komt tot de conclusie dat de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning ten aanzien van eisers heeft geleid tot een planologisch nadeliger positie. Er is slechts sprake van een zeer beperkte invloed op het uitzicht en de omgevingskarakteristiek. Daaruit is in beginsel voor tegemoetkoming vatbare schade in de vorm van waardevermindering van de woning voortgevloeid. De waardevermindering van de woning is getaxeerd op € 3.000,-. Daarvan moet het normaal maatschappelijk risico worden afgetrokken. Dat is in dit geval een aftrek van 4% en dus een bedrag van € 7.600,-. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op het bedrag van € 3.000,-, wat leidt tot een tegemoetkoming van nihil.
2.4.
Eisers en belanghebbenden hebben op het conceptadvies van SAOZ gereageerd.
2.5.
Belanghebbenden hebben in de bezwaarfase een nader deskundigenadvies van Langhout van 31 maart 2022 ingebracht. Daarin sluit Langhout zich aan bij de conclusie van SAOZ dat de tegemoetkoming in planschade nihil is.
2.6.
Op 28 mei 2022 heeft SAOZ een definitief planschadeadvies uitgebracht, waarin zij haar advies handhaaft.
2.7.
Het college heeft in het besluit van 29 september 2022 het advies van SAOZ overgenomen en de aanvraag om tegemoetkoming in planschade afgewezen. In het bestreden besluit is dit besluit gehandhaafd.
2.8.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.9.
Eisers hebben e-mails van 20 augustus 2025 en van 19 december 2025 ingediend met opmerkingen van een door hen ingeschakelde deskundige, ir. J.F.C. Kupers.
2.10.
Belanghebbenden hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.11.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde, namens het college mr. M.W. van Amerongen, bijgestaan door mr. D.S. Krijgsman, en namens belanghebbenden hun gemachtigde en [naam] .
2.12.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen inzicht te geven in de gemaakte berekening van de geluidsbelasting op de gevel van het appartementencomplex van eisers op 30 meter hoogte en een nieuwe berekening te overleggen van de geluidsbelasting op de gevel van het appartementencomplex van eisers, uitgaande van de beoordelingshoogtes van 22 en 24 meter. Daarbij dient het college aan te geven met welk akoestisch model deze berekeningen zijn gemaakt (hetzelfde model dat Pondera heeft gebruikt of een ander model) en welke relevante invoergegevens voor die berekening zijn gebruikt.
2.13.
Met de e-mail van 12 februari 2026 hebben belanghebbenden een notitie van Haskoning van 2 februari 2026 ingediend.
2.14.
In de e-mail van 13 februari 2026 heeft het college een reactie ingediend.
2.15.
In de brief van 26 februari 2026 hebben eisers gereageerd op de reacties van het college en belanghebbenden.
2.16.
Nadat geen van de partijen desgevraagd hebben verklaard gebruik te willen maken van hun recht op een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels voor overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. Dit betekent dat in dit geval de Wro nog van toepassing is.
Het juridisch kader
4. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade moet worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Alleen als realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van planologische ontwikkelingen op gronden van derden, moet worden uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van die gronden. [2]
4.1.
Daarbij geldt dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd. [3]
4.2.
SAOZ is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade. Het college mag dan ook in beginsel uitgaan van het door SAOZ uitgebrachte advies als dat advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de in dat advies gevolgde redenering begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten. De rechtbank zal dit beoordelen aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.
Uitzicht
5. Eisers voeren aan dat ten onrechte wordt geconcludeerd dat ten aanzien van het uitzicht sprake is van een zeer beperkte invloed van de aanwezigheid van de turbine. Er is sprake van aanzienlijke visuele hinder. De zichtbaarheid van de windturbine vanaf het balkon is een storende factor, zeker tijdens een gesprek.
5.1.
SAOZ heeft geconstateerd – en eisers hebben dit niet betwist – dat vanuit hun woonkamer nauwelijks zicht is op de windturbine. Aan de orde is dan ook slechts het zicht op de windturbine vanaf het balkon van de woning van eisers. Dat het uitzicht vanaf het balkon door de aanwezigheid van de windturbine wordt beperkt, wordt door SAOZ onderkend. SAOZ heeft in haar advies wel vermeld dat het zicht op de windturbine vanaf het balkon slechts vanuit een heel schuine kijkhoek wordt beperkt en ook dat er een ruime afstand is tussen de woning van eisers en de windturbine. SAOZ – en in navolging daarvan het college – heeft dit planologisch nadeel dan ook als zeer beperkt aangemerkt en geconcludeerd dat het uitzicht niet zozeer in kwantitatieve maar voornamelijk in kwalitatieve zin is beperkt.
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van de schadefactor uitzicht sprake is van een planologisch nadeel. Enkel is in geschil hoe zwaar dit planologisch nadeel moet worden aangemerkt, waarbij SAOZ – en in navolging daarvan het college – dit nadeel als veel minder zwaar aanmerkt dan eisers.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank mag het college afgaan op het advies van SAOZ. Eisers hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat het nadeel als veel zwaarder moet worden aangemerkt niet een tegenonderzoek van een deskundige overgelegd. Er is dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van SAOZ op dit punt. Het betoog van eisers slaagt niet.
Geluidhinder
6. Voorafgaand aan het uitbrengen van het concept-advies van SAOZ heeft Langhout op verzoek van belanghebbenden in haar advies het volgende vermeld. Pondera heeft in haar geluidsonderzoek wel de woning Park Vronesteyn 28 betrokken maar niet de woning van eisers. Gelet op de gemeten geluidsbelasting bij die woning moet voor juist worden gehouden, dat vanwege de hogere ligging van het appartement van eisers de geluidsbelasting vergelijkbaar is aan die van Park Vronesteyn 28, maar in ieder geval niet van dien aard is dat planologisch nadeel is opgetreden ten opzichte van de voorheen bestaande en maximaal ingevulde planologische omgeving. Tussen de windturbine en de woning van eisers bevindt zich een groot bedrijventerrein, waarbinnen bedrijven tot en met milieucategorie 4 zijn toegestaan, en ook wegen, waaronder de A4 en spoorwegen en een spoorwegemplacement. Uitgaande van een maximale invulling van deze voor het geluid relevante bestemmingen wordt al uitgegaan van een hoge geluidsbelasting ten aanzien van de woning van eisers. Indien de gemeten geluidswaarden worden gecumuleerd, treedt als gevolg daarvan in de dagperiode een toename op van circa 0,6 dB en in de nachtperiode een toename van 1 dB. Deze toenames zijn niet waarneembaar, aangezien eerst bij een verschil van tenminste 5 dB sprake is van een duidelijk waarneembaar verschil en dus sprake is van nadeel. Verder blijkt uit vaste rechtspraak dat piekgeluiden bij windturbines bij de planologische vergelijking buiten beschouwing dienen te blijven. Ten tijde van de opname op 3 juni 2021 na de ochtendspits was de windturbine niet hoorbaar. Het referentieniveau van het omgevingsgeluid werd volledig bepaald door auto- en treinverkeer, aldus Langhout.
6.1.
SAOZ heeft er in haar advies ten aanzien van geluid op gewezen dat bij verzoeken om tegemoetkoming in planschade rekening moet worden gehouden met de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) op het gebied van geluidhinder. Op grond van artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit dient de geluidhinder van een windturbine te voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen. Klachten van omwonenden over feitelijke geluidoverlast kunnen in dit kader niet in de beoordeling worden meegenomen. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat tussen de woning van eisers en de windturbine een gebied met een bedrijfsbestemming is gelegen die intensieve gebruiksmogelijkheden biedt. Door Pondera is een akoestisch onderzoek gedaan. Dat onderzoek, dat andere huisnummers in het appartementencomplex betreft, is van 21 augustus 2012. In het rapport naar aanleiding van het onderzoek wordt geconcludeerd dat bij alle toetspunten de geluidnormen niet worden overschreden. SAOZ heeft geconstateerd dat in het onderzoek van Pondera geen aandacht is besteed aan de geluidbelasting op het hoger gelegen appartement van eisers. SAOZ heeft daarom aan de gemeente om een aanvulling op dat onderdeel gevraagd. De gemeente heeft die aanvulling gevraagd aan een deskundige, namelijk de Omgevingsdienst Haaglanden. Op 12 november 2021 heeft SAOZ van de Omgevingsdienst Haaglanden die aanvulling ontvangen. Daaruit blijkt dat de gevraagde locatie in het rekenmodel is ingevoerd, en dat daaruit volgt dat de berekende waarde van Park Vronesteyn 28 op 5 meter hoogte overeenkomt met de berekende waarde bij de woning van eisers op 30 meter hoogte. SAOZ concludeert dat de geluidbelasting van de windturbine gedurende de dag-, avond- en nachtperiode beduidend lager is dan de uit het Activiteitenbesluit voortvloeiende toegestane geluidbelasting van het tussengelegen bedrijventerrein en dat de cumulatieve geluidbelasting met maximaal 2,5 dB in de nachtperiode is toegenomen. Eerst bij toename van 5 dB is sprake van een duidelijk waarneembaar verschil, zodat er in planologisch opzicht geen sprake is van een relevante waarneembare toename van geluidhinder.
6.2.
Eisers zijn het niet eens met hetgeen SAOZ ten aanzien van de geluidhinder opmerkt. Volgens hen moet worden uitgegaan van feitelijk nadeel. De windturbine zorgt voor geluidhinder, vooral in de nacht, omdat er dan geen andere geluiden zijn. Vanwege de geluidhinder van de windturbine moeten eisers in de slaapkamer met gesloten ramen slapen en hebben zij daarom airconditioning aangelegd. De kosten van aanschaf, onderhoud en elektriciteit van de airconditioning zijn onderdeel van de geleden schade. SAOZ heeft daarover niets opgemerkt. Verder vermeldt het SAOZ-advies dat de geluidbelasting door de windturbine bij de huizen op nummer 30 en 24a gelijk is aan die bij de woning van eisers, die zich op de 7e en 8e etage bevindt. Doordat de woning van eisers hoger ligt dan die woningen, wordt het geluid niet verminderd door bouwwerken en bomen en struiken. Er is nooit onderzoek gedaan naar de geluidbelasting ter hoogte van het appartement van eisers. SAOZ had moeten toelichten waarom de rekenresultaten in de tabel van Pondera op pagina 15 van het advies hetzelfde zijn als de resultaten op pagina 16. SAOZ concludeert ten onrechte dat er geen sprake is van een relevante waarneembare toename van geluid. Volgens SAOZ blijkt uit rechtspraak van de Afdeling dat een toename van geluid met maximaal 5 dB aanvaardbaar is, maar die regel moet binnen de context van de in die rechtspraak aan de orde zijnde casus worden gezien, aldus eisers.
6.3.
Eisers hebben een e-mail van 20 augustus 2025 overgelegd van een door hen ingeschakelde deskundige, ir. J.F.C. Kupers (Kupers). Daarin vermeldt Kupers dat bij flats bij een dergelijke geluidmeting een beoordelingspunt van 1,5 meter boven de vloer van de betreffende woning moet worden aangehouden. Verder is onduidelijk of in het rapport van Pondera en in de aanvullende berekening is uitgegaan van de maximale planologische invulling van het bestemmingsplan. Ten slotte constateert de Adviescommissie bezwaarschriften dat de cumulatieve geluidbelasting met 2,5 dB(A) toeneemt. Dat is fysisch bijna een verdubbeling en dat is voor het menselijk oor waarneembaar. Deze toename betreft een jaargemiddelde over alle windrichtingen. Volgens Kupers is de geluidsbelasting bij wind van de windturbine in de richting van de woning doorgaans 5 tot 10 dB(A) hoger dan het jaargemiddelde.
6.4.
Verder hebben eisers een e-mail van 19 december 2025 toegestuurd, waarin Kupers toelicht welke effecten een rol kunnen spelen bij een geluidberekening en dat in rekenmodellen wordt uitgegaan van een gestandaardiseerde overdracht van geluid. Die effecten zijn (1) gebouwen, die op lagere hoogte geluid kunnen afschermen maar op grotere hoogte niet (2) geluidsdemping door vegetatie, (3) windeffecten, (4) temperatuuropbouw in de luchtlagen en (5) bodemreflectie van geluid. In de rekenmodellen wordt rekening gehouden met de effecten (1), (2) en (5). Met de variabele effecten (3) en (4) wordt geen rekening gehouden. Verder merkt Kupers op dat Lden een jaargemiddelde maat is, waarbij met de effecten (1), (2) en (3) rekening wordt gehouden, en waarbij een standaard weerprofiel gehanteerd wordt. Windturbines produceren echter onder meer laagfrequent geluid. De impact daarvan op de geluidbelasting kan bij (3) en (4) groot zijn. Lden-normen zijn daarvoor volgens Kupers niet bruikbaar.
6.5.
Ten aanzien van de e-mails van Kupers overweegt de rechtbank dat daarin alleen algemene opmerkingen worden gemaakt. Kupers heeft niet zelf een tegenonderzoek verricht en een rapport daarvan ingediend, zodat er in beginsel geen aanleiding is om ten aanzien van het geluid het rapport van SAOZ en de na schorsing van het onderzoek ter zitting ingediende nadere berekening niet te volgen. Eisers hebben weliswaar gesteld dat de rechtbank een onafhankelijke deskundige onderzoek moet laten verrichten, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. Indien eisers het niet eens zijn met het advies van de SAOZ en het onderzoek van Pondera dat daarin is betrokken, hadden eisers zelf een deskundige onderzoek kunnen laten doen. Dat eisers dat hebben nagelaten is voor hun eigen rekening en risico.
6.6.
Wel is de rechtbank van oordeel dat uit het advies van SAOZ niet blijkt van inzicht in de berekening die is gemaakt ten aanzien van de geluidsbelasting op de gevel van het appartementengebouw op 30 meter hoogte en dat ten onrechte niet is gerekend met de beoordelingshoogtes voor de woon- en slaapkamer van eisers op (afgerond) 22 respectievelijk 24 meter. Ook blijkt daaruit niet met welk akoestisch model de berekeningen zijn gemaakt en welke relevante invoergegevens voor die berekening zijn gemaakt. Gelet daarop kleeft een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient wegens dat motiveringsgebrek te worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
6.7.
Na schorsing van het onderzoek ter zitting hebben het college en belanghebbenden het akoestisch rapport van Pondera van 1 december 2015 en een notitie met een nadere geluidberekening van Haskoning ingediend. In die laatste notitie is het volgende geconcludeerd:
“De geluidbelasting ter plaatse van het flatgebouw waar [adres 1] zich bevindt is berekend op meerder[e] beoordelingshoogtes, waaronder +22, +24 en +30 m t.o.v. het maaiveld. De geluidbelasting bedraagt maximaal 34 dB Lnight en 41 dB Lden. Dat is minstens 6 dB lager dan de normstelling die geldt voor de windturbine op het terrein van CEVA/ProDelta van 41 dB Lnight en 47 dB Lden.
Het verschil tussen de geluidbelasting op +5 meter en +30 meter bedraagt 0,35 dB. Een verschil van minder dan 1 dB is niet of nauwelijks hoorbaar. Door de afronding is er echter wel een verschil in de berekende waarde in hele dB’s. Dit verschil wordt niet toegeschreven aan minder afscherming door begroeiing of bebouwing, deze is immers vanuit worst-case uitgangspunten niet opgenomen in het oorspronkelijke rekenmodel, maar aan een kortere afstand tussen bron en ontvanger. De kortere afstand tussen bron en ontvanger (een toetspunt op 22 m hoogte is dichterbij de bron op 94 m hoogte dan een toetspunt op 5 m hoogte) zorgt ervoor dat het geluid een kortere afstand hoeft te overbruggen en leidt daarmee tot een beperkt hogere geluidbelasting.”
6.8.
De omgevingsdienst voegt hieraan in opdracht van het college toe dat uit de invoergegevens van het rekenmodel blijkt dat in een worst-case scenario bij een maximale waarde van een windturbine de cumulatieve geluidbelasting nooit met meer dan 2 dB toeneemt. De conclusie in het rapport van SAOZ dat in planologisch opzicht geen sprake is van een relevante waarneembare toename van de geluidhinder wordt daarmee volgens het college bevestigd.
6.9.
Eisers voeren in reactie op deze geluidsberekeningen aan dat nog niet duidelijk is in hoeverre is voldaan aan de vraagpunten in het proces-verbaal van schorsing. Volgens eisers heeft Haskoning ten onrechte geen rekening gehouden met wat door Kupers is opgemerkt over de maximale planologische invulling, de windrichting, afscherming van geluid bij laagbouw en vegetatie en bouwwerken tot 15 meter hoog, windeffecten, temperatuuropbouw, luchtlagen, bodemreflectie en dergelijke. Ook is geen aandacht besteed aan de feitelijke hinder die eisers ondervinden van het laagfrequente pulsgeluid van de bladen van de windturbine. Met de bestaande normen voor het pulsgeluid is geen rekening gehouden. Lden waarden, zoals in dit rekenmodel zijn gebruikt en zijn gepresenteerd in het SAOZ-advies, zijn niet bruikbaar.
6.10.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de indiening van de aanvullende berekeningen het motiveringsgebrek in het bestreden besluit voor wat betreft het aspect geluid hersteld. In reactie op wat eisers over de aanvullende berekeningen naar voren heeft gebracht, overweegt de rechtbank als volgt.
6.11.
Zoals onder het juridisch kader al is overwogen, is in het kader van een planschadeverzoek niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daarvan heeft plaatsgevonden. Het betoog van eisers dat het gaat om de feitelijke toename van de geluidhinder kan dan ook niet slagen.
6.12.
Verder overweegt de rechtbank dat het college op grond van vaste rechtspraak bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een windpark mag aansluiten bij de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer neergelegde geluidnormen. [4] Het betoog van eisers biedt geen grond om daarover in het kader van een verzoek om een tegemoetkoming in planschade anders te oordelen. SAOZ sluit dan ook terecht aan bij die normen. Daarnaast gelden voor de zogenoemde piekgeluiden van windturbines geen normen, dus die hoefden niet beoordeeld te worden. [5]
6.13.
Verder overweegt de rechtbank dat uit de nieuwe berekening blijkt dat de gemeten geluidsbelastingen van 34 dB Lnight en 41 Lden voldoen aan de normen in het Activiteitenbesluit van 41 dB Lnight en 47 dB Lden. Lden is een 24 uurs norm die ook jaargemiddeld geldt. In de rechtspraak is geaccepteerd dat bij geluidoverlast in relatie tot planschade wordt uitgegaan van gemiddelden. [6] Voor zover eisers betogen dat Lden-waarden niet bruikbaar zijn omdat niet moet worden uitgegaan van een jaargemiddelde, slaagt dat betoog dan ook niet. Omdat uitgegaan mag worden van een jaargemiddelde geluidsbelasting, hoeft naar het oordeel van de rechtbank in de berekening geen rekening te worden gehouden met specifieke windeffecten of de temperatuuropbouw in de luchtlagen. Met de afschermende werking van gebouwen, de geluidsdemping door vegetatie en de bodemreflectie wordt, zoals Kupers zelf al opmerkt, in het rekenmodel rekening gehouden. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze aspecten op een onjuiste manier zijn gemodelleerd.
6.14.
Berekend is dat de cumulatieve geluidbelasting nooit met meer dan 2 dB toeneemt. Uit vaste rechtspraak volgt dat eerst een toename van 5 dB goed waarneembaar is en dat in dat geval pas sprake is van relevant planologisch nadeel. [7] Dit geldt in het algemeen en is niet per casus verschillend. In dit geval is de toename nooit meer dan 2 dB, en dus ruimschoots minder dan 5 dB. Er is dan ook terecht geconcludeerd dat ten aanzien van het aspect geluid geen sprake is van relevant planologisch nadeel. De stelling dat de gemeten toename ook al waarneembaar is, ook al is het geen toename van 5 dB, kan gelet op het voorgaande niet slagen. Daarbij betrekt de rechtbank dat het gaat om de toename van de cumulatieve geluidsbelasting ten opzichte van de maximale planologische mogelijkheden, niet ten opzichte van de feitelijke situatie vóór plaatsing van de windturbine.
6.15.
Ten aanzien van het repeterend geluid van de wieken overweegt de rechtbank dat de omgevingsdienst in opdracht van het college inzicht heeft gegeven in de berekening van de cumulatieve geluidsbelasting. Die berekening is uitgevoerd conform de methode beschreven in hoofdstuk 4 van het Reken- en meetvoorschrift windturbines. [8] Die methode berekent de gecumuleerde geluidsbelasting rekening houdend met de verschillen in dosis-effectrelaties van de verschillende geluidsbronnen, waarbij voor het geluid van windturbines geldt dat dit geluid, bij gelijke geluidbelasting, hinderlijker is dan industrie- en wegverkeersgeluid. Om de grotere hinderlijkheid van windturbinegeluid uit te drukken, is berekend welke geluidbelasting vanwege industrie en wegverkeer evenveel hinder veroorzaakt als de geluidbelasting vanwege de windturbine. Om de totale geluidhinder in de situatie na de planologische wijziging te bepalen is dus de berekende geluidbelasting van de windturbine verhoogd. Uit het voorgaande volgt dat in de berekende geluidbelasting ter plaatse van de woning van eisers tevens het specifieke karakter en de mate van hinderlijkheid van het geluid van windturbines is verdisconteerd. [9] Het betoog van eisers ten aanzien van het pulsgeluid van de windturbine slaagt dan ook niet.
6.16.
Voor zover eisers stellen dat onduidelijk is of in het onderzoek rekening is gehouden met de maximale planologische invulling, slaagt dat betoog niet. Op p. 30 van het advies van SAOZ is overwogen dat de geluidbelasting van de windturbine gedurende de dag-, avond- en nachtperiode beduidend lager is dan de in het Activiteitenbesluit toegestane geluidbelasting van het tussengelegen bedrijventerrein. Daaruit blijkt dat wel degelijk rekening is gehouden met de maximale planologische invulling van de omgeving.
6.17.
De rechtbank concludeert, gelet op het bovenstaande, dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat het geluid van de windturbine niet leidt tot relevant planologisch nadeel. Het motiveringsgebrek in het bestreden besluit is hersteld met de nadere berekeningen die door het college en belanghebbende zijn overgelegd. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag of de kosten van de door eisers aangelegde airconditioning moeten worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van het nadeel.
Gezondheid
7. Eisers voeren aan dat de Adviescommissie bezwaarschriften ten onrechte de gezondheidsaspecten in het midden laat omdat die niet zijn komen vast te staan voor eisers. Dat windturbines nadelig zijn voor de gezondheid van mensen staat inmiddels wel vast. Hierover zijn veel onderzoeken bekend, onder meer van het RIVM en de Gezondheidsraad. Aan die onderzoeken mag volgens eisers niet voorbij gegaan worden.
7.1.
De rechtbank overweegt dat in vaste rechtspraak van de Afdeling is overwogen dat alleen de ten tijde van de inwerkingtreding van de desbetreffende planologische maatregel objectief te verwachten gevolgen van het nieuwe planologische regime van belang zijn. [10] Subjectieve elementen spelen daarbij geen rol. In de planologische vergelijking wordt slechts rekening gehouden met zorgen over gezondheidsrisico’s als gevolg van een planologische maatregel, indien voor die zorgen aanwijzingen zijn te vinden in wetenschappelijke informatie die op de peildatum beschikbaar was.
7.2.
Eisers hebben de door hen gestelde nadelige invloed van windturbines op hun gezondheid niet aangetoond door het overleggen van onderzoeken door deskundigen waaruit dit blijkt. De enkele stelling dat er onderzoeken zijn waaruit dit blijkt is niet voldoende. Het betoog van eisers slaagt niet.
Taxatie
8. Eisers voeren aan dat hun appartement voor de mutatie in goede staat verkeerde en dat de taxatie op een waarde van € 190.000,- op de peildatum dan ook te laag is. Ook ligt het balkon op de 8e etage en is het onjuist om maisonnettes als één etage aan te merken. Volgens de NVM neemt de waarde van een appartement toe indien het op een hogere etage ligt. Verder achten eisers de drie door taxateur Punt gehanteerde referentie-objecten niet vergelijkbaar. [adres 3] is niet vergelijkbaar, omdat deze een veel eenvoudiger keuken en badkamer heeft. Verder is de waardedaling na mutatie van € 3.000,- niet onderbouwd. Volgens eisers is de waardedaling eerder circa € 25.000,-, wat ertoe leidt dat wel een tegemoetkoming in planschade moet worden toegekend.
8.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [11] volgt dat, wanneer het betoog ziet op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur, de juistheid van het taxatierapport in beginsel slechts met vrucht kan worden bestreden met een onderbouwd tegenrapport van een onafhankelijke taxateur, waaruit blijkt dat het taxatierapport onjuist is. Voorbeelden van betogen die zien op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur, zijn betogen die er toe strekken dat in aanmerking genomen vergelijkingstransacties niet representatief zijn, dat andere vergelijkingstransacties ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten of dat ten onrechte al dan niet is gecorrigeerd vanwege gewijzigde economische omstandigheden. Onvoldoende is een - niet met een tegenrapport onderbouwd - betoog van de betrokkene of diens gemachtigde dat ziet op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur. De betrokkene zelf, of diens gemachtigde in zijn hoedanigheid van gemachtigde, kunnen immers niet als onafhankelijke taxateur worden aangemerkt.
8.2.
Hetgeen eisers naar voren hebben gebracht ziet op aspecten die de specifieke deskundigheid van een taxateur betreffen. Zij hebben die stellingen niet onderbouwd met een tegenrapport van een onafhankelijke taxateur. Gelet daarop is er geen aanleiding om te twijfelen aan het rapport van de taxateur. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het bestreden besluit berust ten aanzien van het aspect geluid niet op een draagkrachtige motivering. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien het college met de aanvullende reactie het motiveringsgebrek in het bestreden besluit heeft hersteld, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Dat betekent dat eisers geen tegemoetkoming in planschade krijgen.
9.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Toegekend wordt een bedrag van € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na schorsing van het onderzoek ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690.
3.Zie de in voetnoot 2 vermelde overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3504.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3713.
6.Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:423.
8.Bijlage 4 bij de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.
9.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:437.
10.Zie bijvoorbeeld de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025.
11.Zie de overzichtsuitspraak van 6 augustus 2025.