ECLI:NL:RBDHA:2026:17367
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faciliterend visum voor verblijf bij Nederlandse familie
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum op grond van de Richtlijn 2004/38/EG om bij zijn Nederlandse echtgenote en dochter te verblijven. De minister wees deze aanvraag af omdat eiser het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende had aangetoond en geen leges had betaald, wat vereist is voor een visum kort verblijf.
Eiser maakte bezwaar en stelde dat hij een visum kort verblijf voor familiebezoek had bedoeld, niet een faciliterend visum. Hij overhandigde documenten ter onderbouwing, waaronder een ingevulde vragenlijst en verklaringen van de Algerijnse autoriteiten. De minister bleef bij zijn afwijzing omdat de aanvraag als faciliterend visum was ingediend zonder betaling van leges.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft afgewezen omdat eiser geen leges heeft betaald en de aanvraag niet als visum kort verblijf kon worden behandeld. Eiser zal een nieuwe aanvraag moeten indienen met betaling van leges. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de proceskosten toe aan de minister.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een faciliterend visum wordt ongegrond verklaard.