In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd aan eiser, die van Algerijnse nationaliteit is. De minister van Asiel en Migratie heeft op 15 december 2025 aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd, alsook de maatregel van bewaring. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. Tijdens de zitting op 30 december 2025 is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en is de minister vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser de zware gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen, heeft betwist. Echter, de rechtbank oordeelt dat de niet betwiste gronden voldoende zijn om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft aangevoerd dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, gezien zijn verslavingsproblemen. De rechtbank oordeelt echter dat de minister terecht heeft gesteld dat er geen andere afdoende, minder dwingende maatregelen dan inbewaringstelling konden worden toegepast, gezien het risico op onttrekking.
De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond is en heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier, en is openbaar gemaakt op 6 januari 2026. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld voor het bestreden besluit 2 en binnen vier weken voor het bestreden besluit 1.