ECLI:NL:RBDHA:2026:1741
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielprocedure na afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 17 september 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening op 16 januari 2026, waarbij zowel verzoeker, diens waarnemer, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. Op dezelfde dag werd ook de hoofdzaak behandeld.
Omdat de rechtbank bij uitspraak van 2 februari 2026 (zaaknummer NL25.46208) reeds op het beroep heeft beslist, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.