ECLI:NL:RBDHA:2026:17449

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
C/09/692764 / FA RK 25-7613
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 265 RvArt. 1:12 lid 1 BWArt. 1:253n BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing eenhoofdig gezag aan moeder wegens ontbreken contact en betrokkenheid vader

De rechtbank Den Haag behandelde op 28 mei 2026 het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over haar minderjarige kind te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. De vader, die het gezag samen met de moeder uitoefende, was niet verschenen en voerde geen verweer.

De minderjarige is sinds juli 2023 uit huis geplaatst en verbleef daarvoor bij de vader. Er is sinds de uithuisplaatsing geen contact meer tussen de vader en het kind, ondanks meerdere pogingen van de gecertificeerde instelling om contact te herstellen. De vader heeft zijn ouderlijke verantwoordelijkheden niet nagekomen, onder meer door het niet ondertekenen van formulieren voor het onderwijs en het weigeren om de inschrijving van het kind in de Basisregistratie Personen te wijzigen.

De rechtbank oordeelt dat het gezamenlijk gezag in het belang van het kind moet worden beëindigd omdat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders. De moeder kan zo alle noodzakelijke hulpverlening en beslissingen rondom het kind zelfstandig regelen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gegeven.

In een aparte brief aan de minderjarige heeft de kinderrechter de beslissing op een begrijpelijke wijze toegelicht, waarbij hij het kind succes wenst en bevestigt dat de vader geen gezag meer heeft.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek toe en kent de moeder het eenhoofdig gezag toe over de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7613
Zaaknummer: C/09/692764
Datum beschikking: 28 mei 2026

Gezag

Beschikking op het op 7 oktober 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.G. Nagel in Almere.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Als informant wordt aangemerkt:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Procedure

Bij beschikking van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, zich onbevoegd verklaard van het verzoek kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin die zich op dat moment bevond, verwezen naar deze rechtbank.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift.
Op 19 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam 1] namens William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (de jeugdbeschermer);
  • [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] .
  • De vader heeft [de minderjarige] erkend.
  • De ouders zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast, ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 9 mei 2019.
  • [de minderjarige] is in juli 2023 uit huis geplaatst. Tot zijn uithuisplaatsing verbleef hij bij de vader en ging hij om de week gedurende het weekend naar de moeder.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2025 heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, bepaald:
  • dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] wordt verlengd tot 13 juli 2026;
  • dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder wordt verlengd tot 13 juli 2026, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;
  • dat het gezag over [de minderjarige] , voor zover dit betrekking heeft op de aanmelding bij een onderwijsinstelling, gedurende de periode van de machtiging tot uithuisplaatsing, te weten tot 13 juli 2026, wordt uitgeoefend door William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Bevoegdheid
Artikel 265 Rv Pro bepaalt dat in zaken betreffende minderjarigen de rechter van de woonplaats van de minderjarige bevoegd is. Een minderjarige volgt op grond van artikel 1:12 lid 1 BW Pro de woonplaats van de persoon die het gezag over hem uitoefent. Als beide ouders tezamen het gezag uitoefenen maar niet dezelfde woonplaats hebben, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie hij feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven. De ouders van [de minderjarige] hebben niet dezelfde woonplaats. [de minderjarige] verblijft feitelijk bij geen van hen, omdat hij uithuisgeplaatst is. Daarvoor verbleef hij feitelijk bij zijn vader. De woonplaats van de vader van [de minderjarige] bevindt zich in het arrondissement van de rechtbank Den Haag, die daarom bevoegd is.
Eenhoofdig gezag
Wettelijk kader
De rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder stelt dat er geen contact is tussen de vader en [de minderjarige] . Ondanks de pogingen van de gecertificeerde instelling lukt het niet om de vader te bewegen tot onderhouden van contact met [de minderjarige] . Daarnaast komt de vader zijn verplichtingen niet na als gezaghebbende ouder, zodat er wordt voldaan aan het klem en verloren-criterium. De vader ondertekende de formulieren voor het onderwijs van [de minderjarige] niet, waardoor de gecertificeerde instelling genoodzaakt was om gedeeltelijke gezagsuitoefening te verzoeken. Nu het contact tussen de moeder en [de minderjarige] wel goed is en er gekeken wordt of er toegewerkt kan worden naar thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, acht de moeder het van belang dat haar alleen het ouderlijk gezag toekomt. Het is immers noodzakelijk dat alle benodigde hulpverlening kan worden aangevraagd indien dit nodig is vanwege problematiek van [de minderjarige] en voorts dat ook overschrijvingen naar bijvoorbeeld een andere school kunnen worden gerealiseerd, zonder dat de minderjarige klem en verloren dreigt te raken, omdat de vader daartoe niet zijn benodigde medewerking verleent.
De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat er sinds de uithuisplaatsing in 2023 geen contact is tussen de vader en [de minderjarige] , ondanks meerdere pogingen tot contactherstel van de gecertificeerde instelling. De vader geeft dus geen invulling aan zijn ouderlijke verantwoordelijkheid. Dat beeld wordt versterkt door het feit dat de vader in deze procedure geen verweer heeft gevoerd en dat hij niet op de zitting is verschenen. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat gezagsbeslissingen over [de minderjarige] niet genomen kunnen worden vanwege het ontbreken van de toestemming van de vader. De moeder en de jeugdbeschermer hebben op de zitting toegelicht dat er eerder vervangende toestemming nodig is geweest voor inschrijving van [de minderjarige] op school en dat de vader al twee jaar lang weigert om de inschrijving van [de minderjarige] in de Basisregistratie Personen (BRP) te wijzigen ondanks dat de gecertificeerde instelling dit heeft verzocht. Gelet op de onbereikbaarheid van de vader voorziet de rechtbank, net als de moeder en de gecertificeerde instelling, problemen als er in de toekomst gezagsbeslissingen over [de minderjarige] genomen moeten worden, met name met betrekking tot de hulpverlening voor [de minderjarige] . De rechtbank acht het gelet op voorgaande in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder voortaan alleen het gezag over [de minderjarige] zal uitoefenen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom toewijzen.
Brief aan [de minderjarige]
De rechter heeft in een aparte brief aan [de minderjarige] de beslissing uitgelegd. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap [de minderjarige] heeft ontvangen.
Beste [de minderjarige] ,
Ik ben de kinderrechter met wie je een tijdje terug gepraat hebt. Ik vond het erg knap van je dat je alleen naar binnen durfde. Je vond het namelijk best wel spannend, zei je.
Voor jou is het allerbelangrijkste dat je bij mama mag wonen. Daar kan ik helaas niet over beslissen. Ik weet dat je dat erg jammer vindt. Je moeder vindt dat ook erg jammer.
Ik heb besloten dat je vader geen gezag meer over jou heeft. Dat betekent dat hij bijvoorbeeld niet mag meebeslissen als je naar de dokter toe moet.
Ik vond het erg leuk om met je te praten, [de minderjarige] . Je lijkt me een aardige jongen. En je kunt goed nadenken over wat je wil en dat vertellen. Ik wens je veel succes met alles!
Met vriendelijke groet,
Erik Boot
Kinderrechter

BeslissingDe rechtbank:

*
bepaalt dat voortaan aan de moeder het eenhoofdig gezag toekomt over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.