ECLI:NL:RBDHA:2026:17481

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
C/09/690293 / FA RK 25-6256
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot beëindiging gezamenlijk gezag en zorgregeling minderjarige

Partijen, voormalig gehuwd en ouders van een minderjarige, zijn in geschil over het gezamenlijk gezag en de zorg- en omgangsregeling. De moeder verzoekt om eenhoofdig gezag over het kind, terwijl de vader verweer voert en tevens een zelfstandig verzoek indient. De ouders beschuldigen elkaar van het frustreren van contact en communicatieproblemen, waarbij ook hulpverleningstrajecten en meldingen bij Veilig Thuis een rol spelen.

De rechtbank constateert dat de beschikbare informatie onvoldoende is om een weloverwogen beslissing te nemen over het gezag en de zorgregeling. Er ontbreken stukken over eerdere procedures, hulpverlening en de feitelijke gang van zaken rondom vakanties en omgang.

Daarom gelast de rechtbank een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming naar het belang van het kind, de wenselijkheid van gezamenlijk of eenhoofdig gezag, de passende zorg- en omgangsregeling en de noodzaak van hulpverlening. De behandeling wordt aangehouden tot ontvangst van het rapport en advies, waarna de zaak wordt voortgezet.

De rechtbank legt tevens een dwangsom op aan de moeder voor het niet nakomen van de zorgregeling, met een maximum van €15.000. De beschikking is uitgesproken tijdens een openbare zitting op 28 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank gelast een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en houdt de zaak aan voor verdere behandeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6256
Zaaknummer: C/09/690293
Datum beschikking: 28 mei 2026

Gezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling

Beschikking op het op 15 augustus 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.V. Paniagua in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.J. Ottens in Noordwijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 10 november 2025 met bijlage van de moeder;
  • het bericht van 11 november 2025 met bijlage van de moeder;
  • het bericht van 12 november 2025 met bijlage van de moeder;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.
Op 11 mei 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De minderjarige [minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2012 tot [datum 2] 2022.
  • Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1].
- Daarnaast zijn zij de ouders van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2004 in [geboorteplaats 2].
  • De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
  • Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
  • De moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en de vader heeft de Marokkaanse nationaliteit.
Verzoek en verweer
Het verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt om haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader bij wijze van zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • een raadsonderzoek te gelasten om te onderzoeken hoe [minderjarige] onbelast contact met beide ouders kan hebben;
  • een dwangsom van €500,00 aan de moeder op te leggen voor iedere keer dat zij de zorgregeling niet nakomt, met een maximum van €15.000,00.

Beoordeling

Gezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling
De moeder stelt dat de ouders nauwelijks contact hebben en als zij contact hebben, dit in discussies vervalt. De houding van de vader heeft er in het verleden voor gezorgd dat de moeder niet makkelijk met de kinderen op vakantie kon. De moeder moet elke keer weer een procedure voeren of dreigen met een procedure om toestemming te krijgen. De vader maakt volgens de moeder misbruik van het gezag, waardoor zij steeds weer extra onnodige kosten moet maken om de kinderen een vakantie in het buitenland te kunnen geven. Daarnaast merkt de moeder op dat de vader meermaals aan haar heeft laten weten dat hij akkoord zal gaan met beëindiging van het gezag.
De vader stelt dat de moeder op allerlei manieren het contact tussen hem en de kinderen heeft gefrustreerd. De vader heeft op dit moment geen contact met [minderjarige] hoewel er in de echtscheidingsbeschikking een zorgregeling is vastgelegd tussen de vader en [minderjarige], welke door het Hof is bekrachtigd. De moeder blokkeert echter het contact tussen de vader en de kinderen. De vader betwist het inzetten van procedures om toestemming te krijgen voor vakanties, omdat hij al eerder toestemming had gegeven. Daarnaast legt de moeder geen bewijs over van haar andere stellingen. De vader stelt dat de moeder hem van een aantal zaken beschuldigt, wat de communicatie moeilijk maakt. De vader staat open voor hulpverlening of mediation om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. Gezien de weigerachtigheid van de moeder om mee te werken met hulpverlening om de omgang weer op gang te krijgen, is de vader van mening dat een verwijzing naar Cardea niet meer voldoende is.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat de ouders elkaar over en weer van verschillende zaken beschuldigen. De moeder stelt dat er bij Veilig Thuis een melding is gemaakt over seksueel misbruik en de vader heeft daartegenover gesteld dat Veilig Thuis telefonisch aan hem heeft medegedeeld dat er sprake was van een misverstand. Hier zijn echter door beide ouders geen stukken van overgelegd. Voorts is gebleken dat de ouders bij Cardea een hulpverleningstraject zijn gestart, maar deze is beëindigd waarvan wederom geen stukken zijn overgelegd. Daarnaast heeft de moeder op de zitting toegelicht dat zij meerdere malen een kort geding is gestart om vervangende toestemming te vragen voor vakanties, terwijl de vader daartegenin brengt dat hij deze toestemming telkens wel heeft gegeven. Ook hiervan ontbreken de stukken waaruit de feitelijke gang van zaken kan worden afgeleid. De rechtbank constateert dat er sprake is van spanningen tussen de ouders, maar dat de beschikbare informatie ontoereikend is om de feitelijke situatie en de belangen van [minderjarige] te kunnen beoordelen.
Op dit moment acht de rechtbank zich nog onvoldoende voorgelicht teneinde een beslissing te nemen ten aanzien van het gezag en de zorgregeling. De rechtbank wil de Raad daarom verzoeken om onderzoek te doen en de volgende vragen daarin te betrekken:
Is gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige], of is het belang van [minderjarige] er het meest mee gediend als de moeder belast wordt met het eenhoofdig gezag?
Zo ja, welke zorg c.q. omgangsregeling (begeleid of onbegeleid) is in het belang van [minderjarige]?
Is hulpverlening voor [minderjarige] en/of de ouders noodzakelijk, en zo ja, welke?

BeslissingDe rechtbank:

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling op de zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter zitting ieder via de eigen advocaten op te roepen;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het gezag, zorgregeling c.q. omgangsregeling en de dwangsomaan tot
1 februari 2027 pro forma;
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.