ECLI:NL:RBDHA:2026:175

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
NL25.61851 NL25.61860
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod van de minister van Asiel en Migratie

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd door de minister van Asiel en Migratie aan een eiser van Peruaanse nationaliteit. De minister had op 15 december 2025 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd, alsook de maatregel van bewaring. Eiser heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld, waarbij hij ook een verzoek om schadevergoeding heeft ingediend. Tijdens de zitting op 30 december 2025 heeft eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn standpunten toegelicht. Eiser stelde dat hij procedureel rechtmatig verblijf heeft in Spanje, waar hij een aanvraag voor verblijf bij zijn partner heeft lopen. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en dat de gronden voor de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank overweegt dat het recht op familie- en gezinsleven niet absoluut is en dat de omstandigheden van eiser onvoldoende onderbouwd zijn om te concluderen dat zijn verwijdering naar Peru in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.61851 en NL25.61860

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2025 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R.A. Caicedo Larrea. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Peruaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991.
Over bestreden besluit 1
Het inreisverbod
2. Eiser voert aan dat aan hem geen inreisverbod mag worden opgelegd, omdat hij procedureel rechtmatig verblijf heeft in Spanje. Hij heeft daar een lopende aanvraag voor het verblijf bij zijn partner. Eiser heeft ook een samenlevingsovereenkomst overgelegd, waaruit volgt dat zij beiden op hetzelfde adres staan ingeschreven in Spanje.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat eiser op 8 augustus 2025 een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen, dat in rechte vast staat. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Na onderzoek van de minister bij de Spaanse autoriteiten
is gebleken dat eiser geen verblijfsvergunning (‘permit’) in Spanje heeft. Eiser voert aan dat hij procedureel rechtmatig verblijf geniet in Spanje. Een procedureel rechtmatig verblijf in Spanje maakt echter niet dat eiser onder de uitzonderingsbepaling van artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, valt. Die uitzonderingsbepaling is een implementatie van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Uit de toelichting van de Europese Commissie bij dit artikellid (zie paragraaf 5.4. van aanbeveling EU 2017/2338, “het terugkeerhandboek”) blijkt dat de zinsnede “geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf” weliswaar ruim is, maar dat een enkele aanvaarding van tijdelijk uitstel van terugkeer of verwijdering daar niet onder valt. De rechtbank leidt uit die toelichting af dat met die term een verblijfsrecht van een zekere en bestendige duur wordt bedoeld. Procedureel rechtmatig verblijf is naar zijn aard onzeker, veelal van korte(re) duur en dient als uitstel van de plicht het land te verlaten tot op de aanvraag is beslist.
Procedureel rechtmatig verblijf kan daarom niet aangemerkt worden als een geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf in de zin van artikel 62a, eerste lid, onder b, van de Vw 2000D. De minister heeft eiser daarom een inreisverbod kunnen opleggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Over bestreden besluit 2
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet zijn betwist.
Familieleven in Spanje
6. Eiser voert aan dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld, omdat hij familieleven in Spanje heeft in de zin van artikel 5, onder b, van de terugkeerrichtlijn (2008/115/EG) met [persoon1] . Hij heeft sinds 12 mei 2025 een samenlevingsovereenkomst met haar en hij heeft een lopende reguliere aanvraag voor verblijf bij haar. Volgens het arrest Adrar (4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) dient hier getoetst te worden of het familieleven van eiser zich verzet tegen de verwijdering van eiser naar Peru.
7. De rechtbank overweegt als volgt. In het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling heeft eiser het volgende verklaard (pagina’s 6 en 7):
“V: U krijgt de mogelijkheid uw zienswijze hierop te geven. Wat voor u de problemen zijn als ik u een inreisverbod voor 2 jaar voor de Europese Unie zou opleggen. Wilt u hier iets op zeggen?
A: Ik ben hier gekomen om te werken snapt u. Toen het probleem zich voordeed in augustus was ik naar hier gekomen voor werk. Na dat probleem ben ik weer terug gegaan naar Spanje. Ik ben hier gekomen voor een feest maar ik zou terug kunnen gaan naar mijn land dat is het niet. Ik ben hier voor een betere toekomst voor mijn kinderen, ik heb twee dochters. Ik heb geen strafbaar feit begaan, ik heb niks gestolen of iemand vermoord. Ik ben hier alleen naar toegekomen om naar een feest te gaan ik was er slecht over in gelicht ik dacht dat dat kon terwijl mijn aanvraag in behandeling was maar dat is dus niet zo. Ik ben hier voor mijn familie. Ik ben hier al bijna een jaar en ik wil nog niet terug en kan ook niet terug.
V: Heeft u familieleden in Nederland of Europa?
A: Ja, in Spanje. Ik heb daar mijn vriendin, mijn neef en mijn nicht. En nog een peetkind.
V: Heeft u ook als enige de zorg over het peetkind?
A: Ik en haar vader ook. Hij vader verblijft ook in Spanje in [plaats] , op het adres waar ik ook woon op [adres] .
V: U heeft ook nog twee dochters waar verblijven uw dochters?
A: Mijn dochters zijn in Peru. De moeder van mijn dochters zorgt nu voor ze, want ze zijn gescheiden. Ik zorg financieel voor ze.
V: U had ook een vriendin bent u daarmee getrouwd?
A: Nee maar we zijn al 4,5 tot 5 jaar bij elkaar. Zij is geen Spaanse maar Venuzulaanse V: Zou u haar persoonsgegevens voor mij willen opschrijven?
O: Betrokkene schrijft op: [persoon2] .
V: Verblijft zij in Spanje op basis van een verblijfsvergunning in Spanje? A: Nee, zij gaat asiel aanvragen en zij gaat daar werken.
V: Zij heeft ook nog geen verblijfsvergunning op dit moment? A: Nee dat is ook in behandeling.”
8. Op basis van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om verder te onderzoeken of sprake is van beschermenswaardig familieleven in Spanje dat zich verzet tegen uitzetting aan Peru. Hierbij heeft de minister ook mogen betrekken dat eiser geen verblijfsvergunning heeft in Spanje.
9. Ter zitting is verduidelijkt dat er enige verwarring was tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. De relatie van 4,5 tot 5 jaar waar eiser naar verwijst ziet volgens eiser op mevrouw [persoon2] in Peru, maar deze relatie is inmiddels beëindigd. Sinds dit jaar heeft eiser een relatie met mevrouw [persoon1] in Spanje, waarvan de samenlevingsovereenkomst is overgelegd en de aanvraag tot verblijf bij haar.
10. De rechtbank is ook ambtshalve van oordeel dat het dossier van eiser geen aanknopingspunten biedt voor het vermoeden dat met de uitvoering van het terugkeerbesluit afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie- en gezinsleven. Het recht op familie- en gezinsleven is geen absoluut recht, wat betekent dat het bestaan van familie- of gezinsleven er niet zonder meer aan in de weg staat om op basis van een in rechte vaststaand terugkeerbesluit daadwerkelijk een vreemdeling te verwijderen. In geval van eiser wijzen alleen het overgelegde samenlevingscontract, de aanvraag tot verblijf bij mevrouw [persoon1] en eisers toelichting dat hij haar in mei heeft ontmoet erop dat sprake is van familieleven. Daartegenover staat dat eiser op 17 januari 2025 naar Spanje is gegaan, waarna hij zijn vrije termijn van 90 dagen heeft overschreven. De aanvraag tot verblijf bij mevrouw [persoon1] is gedaan op 12 augustus 2025, nadat eiser een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen op 8 augustus 2025. Het gestelde familieleven is dus (deels) ontstaan terwijl eiser geen rechtmatig verblijf had. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van beschermenswaardig familieleven, zodanig dat er geen zicht zou zijn op concrete uitzetting van eiser.

Over de beroepen

11. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.