Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17533

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28225
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 32 sub a onder ii VisumcodeArt. 32 sub a onder iii VisumcodeArt. 32 sub b Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening visum kort verblijf ondanks zorg voor minderjarige nicht

Verzoekster heeft een visumaanvraag voor kort verblijf ingediend die door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen vanwege onvoldoende aantoonbare doel en omstandigheden van het verblijf, twijfel over middelen van bestaan en twijfel over het vertrek na visumverloop.

Verzoekster vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening toe te kennen zodat zij tijdens de bezwaarprocedure als visumhouder wordt behandeld, met het oog op een geplande reis naar Nederland samen met haar minderjarige nichtje, die de Nederlandse nationaliteit bezit en bij haar in Syrië verblijft vanwege ernstige psychische problemen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat toewijzing van het verzoek onomkeerbare gevolgen heeft en alleen in zeer bijzondere omstandigheden kan worden toegewezen. Het meereizen met het nichtje vormt geen zodanige bijzondere omstandigheid, mede omdat het nichtje ook bij haar ouders in Nederland kan terugkeren. De stellingen over de zorgrelatie zijn onvoldoende onderbouwd.

Verder is het besluit van de minister voldoende gemotiveerd en is geen sprake van nalaten van onderzoek of onjuiste toepassing van relevante jurisprudentie. Het verzoek wordt daarom afgewezen en er is geen aanleiding voor vergoeding van kosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28225

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 maart 2026 afgewezen.
1.1.
Verzoekster stelt dat het besluit is verzonden op 11 mei 2026 en heeft op 19 mei 2026 tegen de afwijzing van de aanvraag bezwaar gemaakt.
1.2.
Verzoekster heeft op 19 mei 2026 de voorzieningenrechter verzocht om hangende dit bezwaar een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt om haar gedurende de behandeling van de bezwaarprocedure te behandelen als ware zij in bezit van een visum kort verblijf. Verzoekster wil graag samen met haar minderjarige nichtje – die de Nederlandse nationaliteit heeft – naar Nederland reizen om hier samen te verblijven.
1.3.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed dit, gelet op de betrokken belangen, vereist. [2] Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de beroepsprocedure niet.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
3. Verzoekster voert aan dat zij een spoedeisend belang heeft bij de verzochte voorlopige voorziening, omdat op 26 juni 2026 een vlucht gepland staat voor verzoekster en haar minderjarige nichtje om naar Nederland te reizen. Omdat de beslissing op bezwaar niet te verwachten is vóór 26 juni 2026 is het spoedeisende belang gegeven.
Waarom is de aanvraag afgewezen?
4. De minister heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond, [3] omdat verzoekster niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken [4] en omdat er redelijke twijfel bestaat over verzoeksters voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het aangevraagde visum. [5]
Moet verzoekster worden beschouwd als ware zij in het bezit van een visum kort verblijf?
5. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter te bepalen dat zij wordt beschouwd als ware zij in het bezit van een visum voor kort verblijf of anderszins een voorziening te treffen die haar feitelijk de toegang tot Nederland mogelijk maakt. Verzoekster geeft daarbij aan dat haar 16-jarige nichtje al geruime tijd bij haar in Syrië verblijft. De reden daarvan is dat het nichtje kampt met ernstige psychische en gedragsmatige problemen en dat verzoekster de zorg voor haar op zich heeft genomen. Tussen hen is een hechte affectieve band ontstaan. Nu wil het nichtje terugkeren naar Nederland, maar uitsluitend samen met verzoekster. Zonder toelating van verzoekster is terugkeer voor het nichtje niet mogelijk. Wanneer verzoekster van haar nichtje zal worden gescheiden, levert dat voor het nichtje een risico op voor ernstige schade voor haar welzijn en ontwikkeling. Volgens verzoekster heeft de minister onvoldoende gewicht toegekend aan de belangen en rechten van haar nicht als kind en Nederlands staatsburger.
5.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat toewijzing van het verzoek om verzoekster te behandelen als ware zij in het bezit van een visum kort verblijf feitelijk een voorlopig karakter ontbeert. Uit het systeem van de toepasselijke voorschriften volgt dat een vreemdeling in haar land van herkomst een visum voor kort verblijf moet aanvragen, alvorens zij de Europese Unie (waaronder Nederland) kan inreizen. Indien de verzochte voorlopige voorziening wordt toegewezen, zal verzoekster Nederland kunnen inreizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die verzoekster met haar aanvraag heeft beoogd, terwijl de minister nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van toewijzing van de voorlopige voorziening zijn dan onomkeerbaar. In zeer bijzondere omstandigheden kan niettemin aanleiding bestaan om te bepalen dat de minister een aanvrager gedurende de bezwaarprocedure dient te beschouwen als ware zij in het bezit van een visum. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.
5.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het meereizen met verzoekster met haar minderjarige nichtje naar Nederland om hier samen te verblijven niet een zodanig bijzondere omstandigheid is dat het daardoor gerechtvaardigd is om een voorlopige voorziening met onomkeerbare gevolgen toe te wijzen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat niet is gebleken dat de wens van verzoekster om naar Nederland te komen is gebonden aan een specifieke datum of tijd. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat het voor het minderjarige nichtje van verzoekster mogelijk is terug te keren naar Nederland, omdat haar beide ouders in Nederland wonen en zij naar hen kan terugkeren. De stellingen dat de ouders niet langer de dagelijkse begeleiding en verzorging kunnen bieden en dat het nichtje alleen met verzoekster wil en/of kan terugkeren zijn niet onderbouwd en vormen voor de voorzieningenrechter daarom geen reden om tot een ander oordeel te komen.
5.3.
De voorzieningenrechter ziet ook verder geen grond voor het oordeel dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Verzoekster stelt hierover dat de minister heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar de afhankelijkheidsrelatie tussen verzoekster en haar minderjarige nichtje en heeft nagelaten een individuele beoordeling te maken van alle relevante omstandigheden [6] en de gevolgen van de weigering van het visum voor haar minderjarige nichtje en haar belangen als minderjarig kind. [7] Daarnaast zou de minister hebben nagelaten onderzoek te doen naar het gezinsleven [8] en de arresten Chavez-Vilchez [9] en K.A. [10] niet kenbaar bij zijn beoordeling hebben betrokken. Verzoekster heeft daarmee echter niet onderbouwd dat en waarom de weigeringsgronden waarop de minister de visumaanvraag van verzoekster heeft afgewezen onjuist zouden zijn.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dat staat in artikel 8:81 van Pro de Awb.
3.Op grond van artikel 32, sub a, onder ii, van de Visumcode.
4.Op grond van artikel 32, sub a, onder iii, van de Visumcode.
5.Op grond van artikel 32, sub b, van de Visumcode.
6.Verzoekster verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 september 2012, ECLI:EU:C:2012:519 (
7.In de zin van Artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en Artikel 24 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU-Handvest).
8.In de zin van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
9.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
10.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018, zaaknummer C-82/16 (