ECLI:NL:RBDHA:2026:17533
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening visum kort verblijf ondanks zorg voor minderjarige nicht
Verzoekster heeft een visumaanvraag voor kort verblijf ingediend die door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen vanwege onvoldoende aantoonbare doel en omstandigheden van het verblijf, twijfel over middelen van bestaan en twijfel over het vertrek na visumverloop.
Verzoekster vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening toe te kennen zodat zij tijdens de bezwaarprocedure als visumhouder wordt behandeld, met het oog op een geplande reis naar Nederland samen met haar minderjarige nichtje, die de Nederlandse nationaliteit bezit en bij haar in Syrië verblijft vanwege ernstige psychische problemen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat toewijzing van het verzoek onomkeerbare gevolgen heeft en alleen in zeer bijzondere omstandigheden kan worden toegewezen. Het meereizen met het nichtje vormt geen zodanige bijzondere omstandigheid, mede omdat het nichtje ook bij haar ouders in Nederland kan terugkeren. De stellingen over de zorgrelatie zijn onvoldoende onderbouwd.
Verder is het besluit van de minister voldoende gemotiveerd en is geen sprake van nalaten van onderzoek of onjuiste toepassing van relevante jurisprudentie. Het verzoek wordt daarom afgewezen en er is geen aanleiding voor vergoeding van kosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.