ECLI:NL:RBDHA:2026:17559
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige maatregel van bewaring langer dan achttien maanden
Eiser werd op 18 mei 2026 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd op 21 mei 2026 opgeheven. Eiser stelde op 22 mei 2026 beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht tevens om schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring.
De rechtbank behandelde het beroep op 3 juni 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De beoordeling richtte zich op de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing.
De rechtbank verwijst naar het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, waarin is bepaald dat de maximale bewaringsduur onder hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen, inclusief onderbroken perioden en bewaring tijdens asielprocedure.
Uit het detentieoverzicht blijkt dat eiser langer dan achttien maanden in bewaring heeft gezeten, waardoor de bewaring onrechtmatig was. Verweerder bood een schadevergoeding van €520,- aan voor vier dagen onrechtmatige bewaring en was bereid proceskosten van €934,- te vergoeden.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, veroordeelt de Staat tot betaling van de schadevergoeding en de proceskosten, en beveelt de tenuitvoerlegging daarvan.
Uitkomst: De rechtbank kent schadevergoeding toe voor onrechtmatige bewaring langer dan achttien maanden en veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten.