ECLI:NL:RBDHA:2026:17559

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28763
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige maatregel van bewaring langer dan achttien maanden

Eiser werd op 18 mei 2026 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd op 21 mei 2026 opgeheven. Eiser stelde op 22 mei 2026 beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht tevens om schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring.

De rechtbank behandelde het beroep op 3 juni 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De beoordeling richtte zich op de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing.

De rechtbank verwijst naar het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, waarin is bepaald dat de maximale bewaringsduur onder hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen, inclusief onderbroken perioden en bewaring tijdens asielprocedure.

Uit het detentieoverzicht blijkt dat eiser langer dan achttien maanden in bewaring heeft gezeten, waardoor de bewaring onrechtmatig was. Verweerder bood een schadevergoeding van €520,- aan voor vier dagen onrechtmatige bewaring en was bereid proceskosten van €934,- te vergoeden.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, veroordeelt de Staat tot betaling van de schadevergoeding en de proceskosten, en beveelt de tenuitvoerlegging daarvan.

Uitkomst: De rechtbank kent schadevergoeding toe voor onrechtmatige bewaring langer dan achttien maanden en veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28763

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft op 21 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft op 22 mei 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Maatregel van bewaring
2. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (het arrest Aroja) [1] betoogt eiser dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is, nu eiser op grond van het terugkeerbesluit van 10 december 2020 langer dan achttien maanden in bewaring heeft gezeten.
3. De rechtbank overweegt dat uit het arrest Aroja volgt dat de maximale bewaringsduur ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen, dat alle afzonderlijke perioden van bewaring ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar opgeteld moeten worden ook als deze zijn onderbroken door perioden van vrijheid en dat ook perioden van bewaring tijdens de behandeling van een asielaanvraag moeten worden meegerekend.
4. Niet in geschil is dat de bewaring van eiser sinds begin af aan onrechtmatig is. Uit het door verweerder verstrekte detentieoverzicht blijkt dat eiser langer dan achttien maanden in bewaring heeft gezeten ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit. Verweerder heeft schadevergoeding aangeboden voor de periode vanaf 18 mei 2026 tot en met 21 mei 2026, zijnde 1 x € 160,- voor het verblijf in een politiecel en 3 x € 120,- voor het verblijf in een huis van bewaring. De schadevergoeding bedraagt in totaal € 520,-. Ook is verweerder bereid de proceskosten van € 934,- (1 punt) te vergoeden.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
6. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 4 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 3 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 520,-.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 520,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.