ECLI:NL:RBDHA:2026:17564

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33095
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 94 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van bewaring vreemdeling na eerdere toetsing

De minister heeft op 20 maart 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel is eerder door de rechtbank getoetst en als rechtmatig beoordeeld in een uitspraak van 7 april 2026. De minister heeft vervolgens een vervolgkennisgeving gedaan om het voortduren van de bewaring te toetsen, waarop eiser beroep heeft ingesteld.

De rechtbank stelt vast dat de vervolgkennisgeving tijdig is gedaan binnen de wettelijke termijn van 75 dagen na het sluiten van het eerdere onderzoek. Het beroep van eiser dat de kennisgeving prematuur zou zijn, wordt verworpen omdat een eerdere kennisgeving leidt tot een eerdere rechterlijke toets en geen nadeel oplevert.

Eiser stelt ook dat de minister onvoldoende voortvarend handelt bij zijn uitzetting naar Algerije, onder meer vanwege vermeende lange perioden tussen vertrekgesprekken en gebrek aan motivatie. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende inspanningen verricht, waaronder het aanvragen van een laissez-passer en het regelmatig voeren van vertrekgesprekken. Eiser wordt geacht actief mee te werken aan zijn uitzetting.

De rechtbank ziet geen onrechtmatigheden in het voortduren van de maatregel sinds het sluiten van het eerdere onderzoek en wijst het beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33095

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 20 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 7 april 2026. [1]
De minister heeft de rechtbank op 12 juni 2026 laten weten dat het langer dan 75 dagen geleden is dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarom heeft de minister verzocht om te beoordelen of de bewaring kan voortduren (de vervolgkennisgeving). Daarbij heeft de minister een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank merkt de vervolgkennisgeving aan als een beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Uit artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat de vreemdeling geacht wordt beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel zodra de rechtbank de (eerste) kennisgeving heeft ontvangen. Omdat de vervolgkennisgeving (nog) niet in de Nederlandse wet- of regelgeving is opgenomen, past de rechtbank deze regel op overeenkomstige wijze toe op de vervolgkennisgeving.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 19 juni 2026 gesloten. [2]

Overwegingen

1. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 31 maart 2026.
Geen zitting
3. Eiser verzoekt om te worden gehoord op een zitting, maar de rechtbank geeft geen gevolg aan dit verzoek. Het horen van eiser is ook niet verplicht, omdat het gaat om een beroep tegen het voortduren van de bewaring. Het horen van eiser is in dit geval ook niet nodig. De rechtbank heeft namelijk op basis van de stukken in het procesdossier al voldoende informatie om een oordeel te kunnen geven over het vervolgberoep.
Kennisgeving
4. Eiser stelt dat de minister de kennisgeving prematuur heeft verzonden.
4.1.
Deze beroepsgrond faalt. Uit het arrest C.B. en X van het Hof van Justitie volgt dat de rechtmatigheid van de bewaring ‘met redelijke tussenpozen’ moet worden getoetst, ook als de vreemdeling daar niet om verzoekt. In het geval van een lange periode moet deze toets door een rechter worden verricht. [3] Uit rechtspraak volgt dat deze ‘lange periode’ drie maanden bedraagt. Om de rechtbank in de gelegenheid te stellen deze toets uit te voeren, stuurt de minister uiterlijk binnen 75 dagen na de datum van het sluiten van het onderzoek in de voorgaande beroepsprocedure een vervolgkennisgeving aan de rechtbank. [4]
4.2.
Dat is in dit geval ook gebeurd. Het onderzoek in de voorgaande beroepsprocedure is op 31 maart 2026 gesloten. De vervolgkennisgeving van de minister is verstuurd op 12 juni 2026 en is daarmee binnen de termijn van 75 dagen verstuurd. De rechtbank toetst het voortduren van de bewaring binnen de termijn van drie maanden. Dat de kennisgeving prematuur zou zijn omdat deze eerder dan op de 75e dag is uitgegaan volgt de rechtbank niet. Er is geen reden om te veronderstellen dat een kennisgeving niet eerder mag worden verzonden. Dat volgt nergens uit. Een ‘vroege’ kennisgeving leidt er hoogstens toe dat de rechterlijke toets eerder wordt uitgevoerd. Daarom begrijpt de rechtbank ook niet welk belang wordt gediend met deze beroepsgrond. Het betoog komt er namelijk op neer dat eiser bezwaar maakt tegen meer rechtsbescherming.
Voortvarendheid
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt aan eisers uitzetting naar Algerije. Daartoe stelt eiser dat tussen de vertrekgesprekken aanzienlijke perioden zitten. Ook dienen de vertrekgesprekken geen wezenlijk doel, omdat eiser niet wordt gemotiveerd of begeleid om concrete stappen te zetten om zijn vertrek uit Nederland te realiseren.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank leest in de voortgangsrapportage terug dat er een laissez-passer voor eiser is aangevraagd. Hierop is nog geen reactie gekomen van de Algerijnse autoriteiten, maar de minister heeft wel op 4 juni, 15 mei, 23 april en 2 april 2026 gerappelleerd. Ook heeft de minister op 7 mei en 15 april 2026 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. De rechtbank oordeelt dat de minister hiermee voldoende voortvarend handelt. Nu de minister vrijwel maandelijks vertrekgesprekken voert, volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat er aanzienlijke perioden tussen de vertrekgesprekken zitten. De rechtbank ziet niet in waarom de vertrekgesprekken geen wezenlijk doel dienen, zoals eiser stelt. Dit is door eiser verder ook niet onderbouwd of verder toegelicht. De rechtbank merkt daarbij op dat het aan de minister is om uitzettingshandelingen te verrichtten, maar dat dit onverlet laat dat op eiser een vertrekplicht rust. Dat houdt in dat eiser actieve en volledige medewerking moet verlenen aan zijn uitzetting. Het is dus ook aan eiser om (uit zichzelf) concrete stappen te zetten om de terugkeer naar Algerije te realiseren. Dat uit de verslagen van de vertrekgesprekken kan worden afgeleid dat eiser daar niet toe bereid is en dat hij ook geen bruikbare informatie wenst te verschaffen, maakt de bewaring dus niet onrechtmatig.
Ambtshalve toetsing
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest. [5]
Het ingestelde, hoger beroep
7. Voor zover eiser aanvoert dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig is, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft de oplegging van de maatregel getoetst in de uitspraak van 7 april 2026. Zoals ook onder 2 uiteen is gezet, beoordeelt de rechtbank in deze procedure slechts de periode sinds het moment van het sluiten van het voorgaande onderzoek. De rechtbank ziet in deze, voorliggende periode geen onrechtmatigheden. Wat eiser aanvoert kan daarom al niet slagen. Dat eiser het niet eens is met de uitspraak van 7 april 2026 en hoger beroep heeft ingesteld, kan daarom ook niet tot een ander oordeel leiden.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 7 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8433.
2.Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Arrest van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.
4.Bijvoorbeeld rb. Den Haag (zp Arnhem) 6 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2726.
5.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329 en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).