ECLI:NL:RBDHA:2026:17569

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.9542 en NL25.61414
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:86 AwbArt. 9 Vreemdelingenwet 2000Art. 8.7 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsdocument ongehuwde partner EU/EER

Verzoekster, een Kaapverdische vrouw, diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument als ongehuwde partner van een EU-burger. De aanvraag werd afgewezen omdat niet was aangetoond dat zij en haar partner zes maanden samenwoonden of een duurzame relatie hadden. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit, maar werd niet gehoord in de bezwaarprocedure. De rechtbank oordeelt dat het niet horen van verzoekster in bezwaar onrechtmatig is, omdat er voldoende aanwijzingen waren die een ander oordeel konden rechtvaardigen, zoals inschrijving in de Basisregistratie Personen en diverse bewijsstukken.

De rechtbank stelt vast dat een hoorzitting essentieel is om twijfels weg te nemen en de feitelijke situatie te verduidelijken. Omdat verweerder niet heeft voldaan aan de hoorplicht, wordt het bestreden besluit vernietigd. Verweerder wordt opgedragen verzoekster alsnog te horen en een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De uitspraak benadrukt het belang van de hoorplicht in bezwaarprocedures en de zorgvuldige toetsing van duurzame relaties bij verblijfsaanvragen van ongehuwde partners van EU-burgers.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van het verblijfsdocument wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen na horen van verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.9542 (verzoek om voorlopige voorziening) en NL25.61414 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in de zaak tussen

[verzoekster] , V-nummer: [nummer] , verzoekster

(gemachtigde: mr. T. Sleeman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1.1.
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 22 april 2025 afgewezen (het primaire besluit).
1.2.
Verzoekster heeft bezwaar ingesteld tegen het primaire besluit. Op 15 december 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar (zaaknummer NL25.61414).
1.3.
Met het bestreden besluit van 30 januari 2026 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster kennelijk ongegrond verklaard.
1.4.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer NL26.9542). Op 2 maart 2026 heeft verzoekster in de hoofdzaak gronden ingediend tegen het bestreden besluit (NL25.61414).
1.5.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, referent, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Kortsluiten
2.1.
Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende een beroepsprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2.
Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Partijen hebben ter zitting aangegeven in te stemmen met toepassing van deze bepaling.
2.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter doet daarom uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening en op het beroep.
Totstandkoming van het besluit
3.1.
Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1971 en heeft de Kaapverdische nationaliteit. Zij is eerder in het bezit gesteld van een verblijfsdocument EU/EER, maar dat verblijfsrecht is op 4 mei 2017 beëindigd wegens verplaatsing van het hoofdverblijf van haar toenmalige referent.
3.2.
Op 14 juni 2024 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument waaruit haar rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw (de onderhavige aanvraag). Zij beoogt verblijf bij haar (gestelde) partner [persoon A] , die de Portugese nationaliteit heeft.
3.4.
Bij besluit van 22 april 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 14 juni 2024 afgewezen, omdat verzoekster en referent niet hebben aangetoond dat zij zes maanden feitelijk hebben samengewoond en/of gedurende tenminste zes maanden een duurzame relatie hebben onderhouden. Verzoekster kan daarom niet worden aangemerkt als ongehuwde partner van referent in de zin van artikel 8.7, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Zij voldoet daarom niet aan de voorwaarden voor afgifte van het gevraagde verblijfsdocument EU/EER. Verweerder ziet ook geen reden om aan verzoekster een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
3.5.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Omdat verzoekster volgens verweerder heeft nagelaten bewijsstukken en informatie te overleggen die een ander licht werpen op het primaire besluit, heeft verweerder het bezwaar van verzoekster kennelijk ongegrond verklaard en is zij in bezwaar niet gehoord.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een spoedeisend belang. Uit de door verzoekster overgelegde e-mail van RCE Personeelszaken van 10 maart 2026 volgt dat verzoekster uiterlijk op 1 juni 2026 een kopie van de verlenging van haar verblijfsvergunning moet overleggen, of een bewijs dat haar aanvraag bij de IND in behandeling is, omdat haar dienstverband anders van rechtswege zal worden beëindigd per 9 juni 2026. Het verliezen van haar werk en voornaamste bron van inkomsten zal onomkeerbare gevolgen hebben voor haar woning, verblijf en bestaanszekerheid in het algemeen.
Toetsingskader duurzame relatie
5. Op grond van artikel 8.7, vierde lid, van het Vb kan een ongehuwde partner van een Unieburger een aanvraag voor afgifte van een EU/EER document doen als zij een deugdelijk bewezen duurzame relatie hebben. Verweerder neemt dit in ieder geval aan als de partners op het moment van de aanvraag of het besluit op de aanvraag ten minste zes maanden lang een gezamenlijke huishouding voeren en hebben samengewoond. [1] Op grond van de persoonlijke omstandigheden van het geval kan een relatie als duurzaam worden aangemerkt als de Unieburger en de ongehuwde partner nog geen zes maanden feitelijk hebben samengewoond en zij gedurende tenminste zes maanden een duurzame relatie onderhouden. Verweerder kan daarbij in ieder geval de volgende relevante aspecten betrekken die aannemelijk maken dat er emotionele en affectieve banden zijn aangegaan, die maken dat sprake is van een duurzame relatie: de duur van de gezamenlijke huishouding, het dragen van zorg voor elkaar, het hebben van een gezamenlijk kind en daar de gezamenlijke zorg voor dragen, het hebben van gezamenlijke financiële verplichtingen of banden, samenwoning in het verleden en/of de frequentie van het contact en elkaar zien. In alle gevallen moet het gaan om een bestaande duurzame relatie.
Hoorplicht
6. Verzoekster heeft onder meer aangevoerd dat zij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar.
6.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster in de bezwaarprocedure heeft nagelaten bewijsstukken en informatie te overleggen die een ander licht werpen op het primaire besluit. Volgens verweerder is het ontbreken van de juiste bewijsstukken en informatie omtrent de gestelde duurzame relatie tussen verzoekster en referent essentieel voor de beoordeling van de aanvraag. Het was volgens verweerder voldoende kenbaar voor verzoekster welke informatie er redelijkerwijs van haar kon worden verwacht en er is geen goede reden waarom verzoekster deze informatie niet heeft ingebracht in de procedure. Verweerder heeft het bezwaar van verzoekster kennelijk ongegrond verklaard en heeft haar daarom niet gehoord.
6.2.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure is en als uitgangspunt moet worden genomen. [2] Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. [3] Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Als relevante omstandigheid heeft de Afdeling onder meer genoemd de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
6.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was er in het voorliggende geval geen sprake van een bezwaar dat redelijkerwijs niet tot een ander oordeel kon leiden. Gelet op de inschrijving van referent op het adres van verzoekster in de Basisregistratie Personen (Brp) en alle overgelegde stukken (waaronder brieven van de Belastingdienst, verklaringen van kennissen en foto’s), bestond er zonder meer aanleiding om verzoekster te horen en zo nodig een simultaan gehoor met referent te organiseren.
6.4.
De inschrijving van referent op het adres van verzoekster in de Brp is wel degelijk een belangrijke indicatie. Ook de brieven van de Belastingdienst (zowel aan verzoekster als aan referent) die naar hetzelfde adres zijn verzonden lijken niet door verweerder te zijn betrokken in de besluitvorming. Verzoekster heeft in bezwaar ook nieuwe stukken overgelegd en heeft ook verzocht om te worden gehoord als de overgelegde stukken voor verweerder niet voldoende zouden zijn. Hoewel de verklaringen die zijn overgelegd afkomstig zijn van bekenden van verzoekster, komt hier, in samenhang bezien met andere overgelegde stukken, wel (enige) betekenis aan toe. Een collega van referent heeft ook verklaard dat hij referent sinds een bepaalde datum op een andere locatie in de stad ophaalt. Verzoekster had tijdens een gehoor een nadere toelichting kunnen geven over haar feitelijke woonsituatie met referent. Een hoorzitting is bij uitstek een geschikt middel om eventueel twijfels van verweerder weg te nemen en de omstandigheden toe te lichten. Ook van de ongedateerde foto’s die zijn overgelegd had in een hoorzitting opgehelderd kunnen worden wanneer deze zijn genomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verweerder dan ook niet kunnen afzien van het horen in bezwaar.
6.4.
Reeds gelet op het voorgaande is het beroep van verzoekster gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat verzoekster gelijk krijgt en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder dient verzoekster (en zo nodig ook referent) eerst te horen in bezwaar om vervolgens een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
8. Omdat het beroep gegrond is bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
9. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De kosten, gemaakt in verband met behandeling van het beroep worden vastgesteld op € 934,- (1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De kosten, gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening, worden vastgesteld op een bedrag van € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om verzoekster te horen in bezwaar en daarna een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht in beide zaken van in totaal € 394,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 2.802,-;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarmee is beslist op het beroep, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van Paragraaf B10/2.2.4.5. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.