ECLI:NL:RBDHA:2026:17578
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf op grond van jongvolwassenenbeleid
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor de moeder, broertjes en zusjes van een jongvolwassene (referent).
De minister had de aanvraag afgewezen omdat de identiteit en familierechtelijke relatie niet aannemelijk waren gemaakt en omdat volgens de minister niet werd voldaan aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid, met name dat referent niet in gezinsverband samenleeft en in zijn eigen onderhoud voorziet.
De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat de gezinsband tussen referent en zijn familie is verbroken. De scheiding was onvrijwillig door oorlogsgeweld en referent woont niet zelfstandig, maar is afhankelijk van een pastoor die hem ondersteunt. Ook is onvoldoende betrokken dat referent niet volledig in zijn eigen onderhoud voorziet, aangezien hij zijn bijbaantje noodgedwongen aanhoudt om zijn familie financieel te ondersteunen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden griffierecht en proceskosten aan eisers vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd.