Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17578

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.23933
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMparagraaf B7/3.8.1 Vc 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf op grond van jongvolwassenenbeleid

In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor de moeder, broertjes en zusjes van een jongvolwassene (referent).

De minister had de aanvraag afgewezen omdat de identiteit en familierechtelijke relatie niet aannemelijk waren gemaakt en omdat volgens de minister niet werd voldaan aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid, met name dat referent niet in gezinsverband samenleeft en in zijn eigen onderhoud voorziet.

De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat de gezinsband tussen referent en zijn familie is verbroken. De scheiding was onvrijwillig door oorlogsgeweld en referent woont niet zelfstandig, maar is afhankelijk van een pastoor die hem ondersteunt. Ook is onvoldoende betrokken dat referent niet volledig in zijn eigen onderhoud voorziet, aangezien hij zijn bijbaantje noodgedwongen aanhoudt om zijn familie financieel te ondersteunen.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden griffierecht en proceskosten aan eisers vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23933

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , V-nummer: [V-nummer] ,

[eiser 2], V-nummer: [V-nummer] ,
[eiser 3], V-nummer: [V-nummer] ,
[eiser 4], V-nummer: [V-nummer] ,
[eiser 5], V-nummer: [V-nummer] ,
[eiser 6], V-nummer: [V-nummer] ,
eisers,
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: M. van Duren).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag van [referent] voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn moeder, broertjes en zusjes (eisers). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Referent heeft op 15 februari 2022 een aanvraag ingediend voor machtigingen tot voorlopig verblijf voor eisers. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 15 maart 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 april 2025 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent] (referent), de gemachtigde van eisers, F. Karekezi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft de aanvraag voor een mvv voor eisers afgewezen omdat referent de identiteit van zijn broertjes en zusjes niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat geldt ook voor de familierechtelijke relatie met eisers. De minister volgt het beroep op bewijsnood en geeft eisers het voordeel van de twijfel, maar de minister ziet af van nader onderzoek in de vorm van een DNA-onderzoek omdat geen sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Referent valt namelijk niet onder het jongvolwassenenbeleid. Ook is er geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en zijn moeder. Verder is er volgens de minister geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn broertjes en zusjes.
Heeft de minister ten onrechte geconcludeerd dat referent niet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid voldoet?
3.1.
Eisers zijn het niet eens met het standpunt van de minister dat referent niet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid voldoet. De gezinsband tussen referent en eisers is namelijk niet verbroken. Ook voorziet referent niet in zijn eigen onderhoud.
3.2.
Het jongvolwassenenbeleid staat in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000. [1] De minister neemt aan dat sprake is van gezinsleven zónder dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, als het meerderjarige kind 1) jongvolwassen is; 2) met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft; 3) niet in zijn eigen onderhoud voorziet en 4) geen zelfstandig gezin heeft gevormd.
3.3.
Niet ter discussie staat dat referent jongvolwassen is en dat hij geen zelfstandig gezin heeft gevormd. Eisers en de minister zijn het er niet over eens of referent voldoet aan de voorwaarden ‘met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft’ en ‘niet in zijn eigen onderhoud voorziet’.
Samenleven in gezinsverband
3.4.
Eisers voeren aan dat de gezinsband tussen referent en eisers niet is verbroken. De scheiding van referent en eisers is onvrijwillig geweest als gevolg van oorlogsgeweld in Congo. Referent heeft in Nederland geen stappen naar zelfstandigheid gezet: hij is namelijk volledig afhankelijk van de pastoor waarbij hij verblijft. Hij woont dus ook niet zelfstandig.
3.5.
De minister stelt zich op het standpunt dat de gezinsband tussen referent en eisers is verbroken. Referent is als gevolg van oorlogsgeweld van zijn gezin gescheiden geraakt, en deze scheiding is dus noodgedwongen geweest. Referent heeft sinds zijn aankomst in Nederland echter stappen naar zelfstandigheid gezet. Referent woont namelijk zelfstandig, gaat naar school en heeft een bijbaan. Ook betaalt hij huur en vervult hij taken in het huishouden.
3.6.
De rechtbank volgt het standpunt van eisers. Zoals uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 29 mei 2024 volgt, mag de minister omstandigheden die erop wijzen dat niet langer gezinsleven bestaat niet tegenwerpen als die omstandigheden alleen het gevolg zijn van een vluchtsituatie. Als een meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig is geworden, door bijvoorbeeld een vluchtsituatie, mag de minister dat tegenwerpen als dat kind zich zelfstandig en moeiteloos handhaaft. Daarvan is sprake als een meerderjarig kind zelfstandig is gaan wonen en dat kind er ten tijde van de gezinsherenigingsaanvraag in is geslaagd zijn leven zelfstandig vorm te geven. [2] Hoewel de minister mocht betrekken dat referent stappen naar zelfstandigheid heeft gezet, zijn die stappen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat referent zich zelfstandig en moeiteloos handhaaft. Uit de verklaringen van referent blijkt namelijk dat referent samenwoont met de pastoor en zijn zoon en dat de pastoor boodschappen voor hem doet, praktische zaken voor hem regelt en hem helpt met schoolzaken. [3] Ook heeft referent verklaard dat hij moeilijk zonder de pastoor zou kunnen wonen en dat als referent iets nodig heeft of vragen heeft, de pastoor mensen zoekt die referent kunnen helpen en contact maakt met die persoon. [4] De rechtbank volgt het standpunt van eisers dat de situatie van referent daarom minder lijkt op die van een gemiddelde jongvolwassen huurder, en meer op die van een thuiswonend (pleeg)kind dat kostgeld betaalt. Van een situatie waarin referent zelfstandig is gaan wonen en erin is geslaagd zijn leven zelfstandig vorm te geven, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken. De rechtbank ziet ook geen andere omstandigheden die leiden tot de conclusie dat de gezinsband tussen referent en eisers is verbroken. De minister heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat referent met zijn moeder in gezinsverband leeft. De beroepsgrond slaagt.
Voorzien in eigen onderhoud
3.7.
Eisers voeren aan dat referent niet in zijn eigen onderhoud voorziet. Hij is nog student en heeft geen fulltimebaan. Hij betaalt ook geen volledige huur aan de pastoor. Hoewel referent met zijn bijbaantje geld verdient en dit aan eisers opstuurt, is geen sprake van omgekeerde afhankelijkheid. De kosten van levensonderhoud in Uganda, waar eisers verblijven, kunnen namelijk niet worden vergeleken met de kosten voor levensonderhoud in Nederland.
3.8.
De minister stelt zich op het standpunt dat referent in zijn eigen onderhoud voorziet. Hij heeft naast zijn studie een bijbaan bij de [bedrijf] . Van dit inkomen betaalt hij zijn huur. Ook stuurt hij geld op naar zijn familie in Uganda. Referent is dan ook niet meer financieel afhankelijk van zijn moeder.
3.9.
De rechtbank volgt het standpunt van eisers. Uit de voormelde uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024 volgt dat de minister bij zijn beoordeling van het vereiste dat het meerderjarige kind niet in zijn eigen onderhoud voorziet alle individuele omstandigheden moet betrekken in het licht van de vraag of een kind na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouder(s). Dit betekent dat de minister ook kenbaar moet betrekken wat betrokkenen aanvoeren als aanleiding en reden voor het voorzien in eigen onderhoud. [5] De minister heeft betrokken dat referent weliswaar inkomsten heeft uit een bijbaan, maar dat referent daar wel zijn huur van betaalt en daarnaast zijn gezin in Uganda financieel onderhoudt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende betrokken wat voor referent de aanleiding en reden is voor het voorzien in zijn eigen onderhoud. Hoewel referent van zijn inkomen zijn kamer bij de pastoor betaalt, blijkt uit de verklaringen van referent ook dat een belangrijke reden voor hem om te werken is gelegen in het kunnen onderhouden van eisers. [6] Ook ter zitting heeft referent toegelicht dat hij zijn bijbaantje noodgedwongen aanhoudt om zijn gezin financieel te kunnen ondersteunen. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet van een wens of streven naar zelfstandigheid bij referent. De minister heeft die omstandigheid onvoldoende in zijn beoordeling betrokken. De minister heeft daarnaast onvoldoende betrokken dat referent niet volledig in zijn eigen onderhoud voorziet. Referent betaalt maandelijks € 360,- kostgeld aan de pastoor. Ter zitting hebben eisers aangevoerd – en door de minister is ter zitting niet betwist - dat dit bedrag niet vergelijkbaar is met wat een gemiddelde huurder maandelijks aan vaste lasten kwijt is. De minister stelt dan ook ten onrechte dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat referent niet in zijn eigen onderhoud voorziet.
3.10.
Gelet op het bovenstaande heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat referent niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van het jongvolwassenebeleid omdat de gezinsband tussen referent en eisers is verbroken en referent in zijn eigen onderhoud voorziet.
3.11.
Het beroep is gegrond. De minister zal de aanvraag van referent opnieuw moeten beoordelen. De rechtbank komt daarom niet toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van het griffierecht en van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 194,- voor het griffierecht. De vergoeding van de proceskosten bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en ter zitting is verschenen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. T.G. Bijvank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingencirculaire 2000.
2.Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145, r.o. 8.7.
3.Hoorzitting nareis 25 maart 2025, p. 9.
4.Hoorzitting nareis, p. 9.
5.Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, r.o. 8.6.
6.Hoorzitting nareis, p. 10.