ECLI:NL:RBDHA:2026:17584

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28173
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P. Bruins
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, eerste, derde en vierde lid, Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking

De minister van Asiel en Migratie legde op 19 mei 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Roemeense nationaliteit, stelde beroep in tegen dit besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt.

De rechtbank behandelde het beroep op 1 juni 2026, waarbij eiser niet aanwezig was. De rechtbank constateerde dat het beroep niet was voorzien van gronden en besloot ambtshalve te toetsen of de maatregel in stand kon blijven. De minister had als zware gronden aangevoerd dat eiser zich eerder aan toezicht had onttrokken, niet aan vertrekverplichtingen had voldaan en had aangegeven niet te zullen terugkeren. Daarnaast waren lichte gronden genoemd zoals het ontbreken van een vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.

De rechtbank oordeelde dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren en dat er een reëel risico op onttrekking bestond. De maatregel van bewaring was daarom niet onrechtmatig. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.28173
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A. Alam-Khan),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1986.
2. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank bij bericht van 28 mei 2026 verzocht om de zaak op de stukken af te doen. De rechtbank stelt vast dat het beroep niet is voorzien van gronden. Zij zal daarom ambtshalve toetsen of de maatregel in stand kan blijven.
De bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht
Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd niet heeft bestreden. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat sprake is van een risico op onttrekking en kunnen daarom de maatregel van bewaring dragen.
Ambtshalve toets
5. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij voor het overige gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 juni 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.