Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
De minister van Asiel en Migratie legde op 19 mei 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Roemeense nationaliteit, stelde beroep in tegen dit besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt.
De rechtbank behandelde het beroep op 1 juni 2026, waarbij eiser niet aanwezig was. De rechtbank constateerde dat het beroep niet was voorzien van gronden en besloot ambtshalve te toetsen of de maatregel in stand kon blijven. De minister had als zware gronden aangevoerd dat eiser zich eerder aan toezicht had onttrokken, niet aan vertrekverplichtingen had voldaan en had aangegeven niet te zullen terugkeren. Daarnaast waren lichte gronden genoemd zoals het ontbreken van een vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
De rechtbank oordeelde dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren en dat er een reëel risico op onttrekking bestond. De maatregel van bewaring was daarom niet onrechtmatig. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.