ECLI:NL:RBDHA:2026:17585

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28865
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P. Bruins
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 94, eerste lid Vreemdelingenwet 2000Art. 28 Wet beëdigde tolken en vertalersArt. 5.1b, eerste, derde en vierde lid VreemdelingenbesluitArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens gebrek beëdigde tolk ongegrond verklaard

Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, werd op 24 april 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij voerde aan dat bij het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling geen beëdigde tolk was gebruikt en dat dit niet gemotiveerd was, wat volgens hem zijn belangen schaadde.

De minister erkende het ontbreken van een beëdigde tolk maar stelde dat dit geen nadeel voor eiser opleverde. De rechtbank constateerde dat het gebrek aan beëdigde tolk een formeel gebrek is, maar dat dit niet leidde tot onrechtmatigheid van de maatregel omdat eiser zijn zienswijze kon geven en geen aanwijzingen waren dat hij de tolk niet begreep.

Eiser stelde ook dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar zijn gezinsbanden in Europa, met name een kind in Italië, en dat de minister onvoldoende voortvarend handelde bij de uitzetting. De rechtbank oordeelde dat eiser tijdens de gehoorzittingen geen melding maakte van een kind in Italië en dat de minister voldoende vragen had gesteld. Ook was de minister afhankelijk van Nigeriaanse autoriteiten voor de uitzetting en handelde zij voortvarend.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Wel werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.28865
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister. (gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevr. Mensah.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990.
Gebruik gemaakt van een niet-beëdigde tolk
2. Eiser voert aan dat er bij het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk, en dat in de maatregel niet nader gemotiveerd is waarom geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk. De minister heeft ter zitting erkend dat dit het geval is, maar dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. De minister heeft nog gewezen op de omstandigheid dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij niet meewerkt aan zijn uitzetting.
3. De minister maakt uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers.1 In afwijking daarvan kan gebruik gemaakt worden van een tolk die niet beëdigd is indien wegens de vereiste spoed een ingeschreven tolk in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal geen ingeschreven tolk bevat.2 Als van het gebruik van een beëdigde tolk wordt afgezien, dan moet dit met redenen omkleed schriftelijk worden vastgesteld.3
4. De minister heeft in het opgemaakte proces-verbaal van gehoor noch in het bestreden besluit van 24 april 2026 nader toegelicht waarom in dit geval geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk. Dit betekent dat aan het gehoor, voorafgaande aan de maatregel van inbewaringstelling een gebrek kleeft. Dit heeft echter niet zonder meer tot gevolg dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. De maatregel is pas onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Gesteld noch gebleken is dat eiser de tolk niet goed heeft verstaan of begrepen, of dat hij zijn verklaringen niet goed naar voren heeft kunnen brengen. De inhoud van het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel biedt geen aanknopingspunten voor dit oordeel. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat eiser als gevolg van het geconstateerde gebrek niet de mogelijkheid is ontnomen om zijn zienswijze te geven op de maatregel van bewaring. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de met de maatregel gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

6. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
1. Artikel 28 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv).
2 Artikel 28, derde lid, van de Wbtv.
3 Artikel 28, vierde lid, van de Wbtv.
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. Ter zitting heeft de minister de zware grond 3d laten vallen.
8. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet bestreden. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Zicht op uitzetting
9. In het kader van het zicht op uitzetting voert eiser aan dat de minister niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het arrest Adrar.4 Eiser heeft in beroep verklaard dat hij een kind heeft in Italië. Eiser is van mening dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of uitzetting van eiser een schending van het bepaalde in artikel 8 van Pro het EVRM met zich brengt; de minister heeft nagelaten om specifiek en direct aan eiser te vragen of hij kinderen had in Europa. Indien daarvan sprake is, kan het zicht op uitzetting ontbreken en zou de maatregel van bewaring onrechtmatig opgelegd zijn.
10. Voor zover eiser betoogt dat onvoldoende doorgevraagd is naar het gestelde kind van eiser in Italië overweegt de rechtbank als volgt. In het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring op grond van 59b, eerste lid, van de Vw van 11 maart 2026 is vermeld dat aan eiser is gevraagd welke gevolgen een insluiting en mogelijke uitzetting op zijn (eventueel aanwezige) familieleden, partner en/of kinderen in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie heeft. Eiser heeft hierop geantwoord: ‘’Nee, ik heb niemand in Europa’’. Tijdens het gehoor, voorafgaande aan de oplegging van de onderhavige maatregel op 24 april 2026 is verwezen naar het gehoor van 11 maart 2026. Op de vragen of eiser familie in Nederland, in Europa of buiten Europa heeft eiser met “Nee” geantwoord. Ook op de vraag of er redenen zijn waarom eiser van mening is dat de vreemdelingenbewaring niet voort kan duren, en of er redenen zijn waarom hij niet opnieuw in vreemdelingenbewaring kan worden gesteld heeft eiser niets over een kind in Italië gezegd. De rechtbank overweegt dat het in de eerste plaats aan eiser is om het gestelde kind in Italië tijdens een gehoor te noemen, en is van oordeel dat de minister, gelet op de eerder afgelegde verklaringen van eiser over de aanwezigheid van familie in Europa, tijdens het gehoor op 24 april 2026 heeft mogen volstaan met de vragen die daar gesteld zijn. Ook in beroep en ter zitting zijn de verklaringen van eiser over een kind in Italië niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat hier sprake is onvoldoende onderzoek door de minister, dan wel van een mogelijke schending van het bepaalde in artikel 8 van Pro het EVRM waardoor er in geval van eiser geen zicht op uitzetting zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

11. Eiser voert aan dat de minister met meer dan gebruikelijke voortvarendheid had moeten handelen na het vertrekgesprek dat heeft plaatsgevonden op 29 april 2026, waarbij hij stelt dat de presentatie eerder zou moeten plaatsvinden. Eiser heeft tijdens dit
4 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
vertrekgesprek aangegeven dat hij graag terug wil en bereid is om te spreken met de IOM en de vertegenwoordiging van Nigeria.
12. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser is op 24 april 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Op 29 april 2026 is een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarbij liep sinds 23 april 2026 een aanvraag bij de Nigeriaanse autoriteiten voor een laissez-passer. De minister heeft verklaard dat eiser op 19 juni 2026 bij de Nigeriaanse vertegenwoordiging zal worden gepresenteerd. Gelet op de omstandigheid dat de minister hierbij afhankelijk is van de medewerking van de Nigeriaanse autoriteiten ziet de rechtbank op dit moment geen grond voor het oordeel dat dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij meewerkt aan zijn vertrek naar Nigeria overweegt de rechtbank dat hij ter zitting heeft verklaard geen contact te hebben gelegd met de IOM en evenmin zelf in contact is getreden met de Nigeriaanse vertegenwoordiging. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toets

13. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. De rechtbank ziet aanleiding om de minister te veroordelen tot betaling van de door eiser gemaakte proceskosten van dit beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 juni 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.