ECLI:NL:RBDHA:2026:17586

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/09/706806 / KG ZA 26-628
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 611d RvArt. 6:119 BWAlgemene verordening gegevensbescherming (AVG)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over dwangsommen wegens online blijven TikTok-fragment met beeld van minderjarig kind

Partijen hadden een kortstondige relatie en het geschil betreft de verspreiding van beeldmateriaal van een minderjarig kind via sociale media door eiser, een rapper. Bij een eerder kort geding is eiser veroordeeld om alle beeldmateriaal van het kind van zijn sociale media te verwijderen, waaronder een videoclip met een fragment waarin het kind zichtbaar is, onder dreiging van dwangsommen.

Eiser verwijt gedaagde onrechtmatig handelen door executie van dwangsommen wegens het online blijven van een TikTok-fragment van circa elf seconden, waarin het kind geblurd zichtbaar is. Eiser stelt dat hij het fragment op 3 mei 2026 heeft verwijderd, maar dat het door een storing bij TikTok toch zichtbaar bleef, en dat de dwangsommen daarom onterecht zijn.

De rechtbank oordeelt dat het TikTok-fragment onderdeel is van de eerder verboden video en dus verwijderd had moeten zijn vóór 1 mei 2026. Eiser heeft dit nagelaten en de dwangsommen zijn terecht verbeurd over de periode 1 tot en met 18 mei 2026. Er is geen sprake van onmogelijkheid tot nakoming of misbruik van bevoegdheid, mede omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een technische storing de zichtbaarheid veroorzaakte en hij onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte.

De vorderingen van eiser tot opheffing, beperking of schorsing van de executie worden afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en bevestigt dat de dwangsommen wegens het online blijven van het TikTok-fragment terecht zijn verbeurd.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak-/rolnummer: C/09/706806 / KG ZA 26-628
Vonnis in kort geding van 29 juni 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats 1] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. U. Özcan te Den Haag,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten: mrs. R.A. Korver en T.A.E. Bossen te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 11;
- de op 15 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij [eiser] een pleitnota heeft overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen hebben in 2024 een kortstondige relatie met elkaar gehad.
2.2.
[gedaagde] is de moeder van de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 (hierna: het kind). Het kind is niet erkend en [gedaagde] oefent alleen het gezag over hem uit.
2.3.
[eiser] , bekend onder de artiestennaam ‘ [artiestennaam] ’, opereert als rapper. Hij is actief op diverse sociale media (zoals Instagram, TikTok, Snapchat en Youtube).
2.4.
Bij vonnis in kort geding van 23 april 2026 (gewezen onder zaak-/rolnummer C/09/702279 / KG ZA 26-326) (hierna: het vonnis) is [eiser] (onder 5.1) veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van het vonnis van zijn Instagram-, Snapchat-, TikTok-, YouTube-accounts en alle overige (sociale media)platforms en kanalen waarover [eiser] beschikt of waarop [eiser] een beïnvloedende rol vervult, te verwijderen en verwijderd te houden:
a. alle foto’s, video’s en enig ander herkenbaar beeldmateriaal van het kind;
(…)
de video die op 7 april 2026 gepubliceerd is als videoclip behorende bij het nummer [artiestennaam] – [titel] zolang daarop de foto van het kind op de telefoon van [eiser] , zoals omschreven onder 2.10, of enige andere beeltenis van het kind, onderdeel uitmaakt;
de uitlatingen op 7 april 2026 gepubliceerd op het Instagram-account van [eiser] .
2.5.
Met betrekking tot de hiervoor onder e genoemde video heeft de voorzieningenrechter in het vonnis, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“2.10. Op 7 april 2026 heeft [eiser] een videoclip gepubliceerd behorende bij het nummer ‘ [titel] ’ Daarin is een fragment te zien waarbij [eiser] , kennelijk neergestoken, op de grond ligt met een telefoon in zijn hand, waarop een foto te zien is van [eiser] met het kind. Op 7 april 20206 heeft [eiser] op zijn Instagram-account beelden van dit fragment uit de videoclip geplaatst. Eerder heeft hij een grotere versie van de betreffende foto met het kind op zijn Instagram-account geplaatst.
(…)
“4.5. Tussen partijen is alleen nog in geschil of het beeld van het kind dat onderdeel uitmaakt van de videoclip behorende bij het nummer “ [artiestennaam] - [titel] ” moet worden verwijderd en verwijderd gehouden. Met [gedaagde] is de voorzieningenrechter van oordeel dat het gebruik door [eiser] van deze beeltenis in deze video onrechtmatig is jegens het kind. Het gaat om een fragment waarin [eiser] , kennelijk neergestoken, op de grond ligt met een telefoon in zijn hand, waarop een foto van hem samen met het kind te zien is. Voor het online publiceren van foto’s en video’s van een kind jonger dan 16 jaar is op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger vereist. [gedaagde] is de (enige) wettelijk vertegenwoordiger van het kind en zij heeft deze toestemming niet gegeven.
4.6.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het kind identificeerbaar, ook al is de foto in de videoclip erg klein in beeld en is het gezicht van het kind geblurd. [eiser] heeft de originele (niet geblurde) foto van het kind immers eerder op zijn breed gevolgde Instagram-account geplaatst, op welk account hij ook meerdere uitingen heeft gedaan over het vaderschap van dit kind. Bovendien is de foto in de clip te zien op het moment dat het nummer over vaderschap gaat. Nu het kind dus identificeerbaar in beeld is en [gedaagde] hiervoor geen toestemming heeft gegeven, acht de voorzieningenrechter deze publicatie onrechtmatig. Het belang op bescherming van de privacy van deze jonge baby weegt zwaarder dan de door [eiser] gestelde ‘artistieke vrijheid’ en het financiële belang om de video niet te hoeven bewerken om dit fragment eruit te halen. Dit betekent dat ook het gevorderde onder I sub e zal worden toegewezen als hierna te melden, ook versterkt met een gematigde en gemaximeerde dwangsom.”
2.6.
Onder 5.4 van het vonnis is aan de veroordeling onder (onder meer) 5.1 een dwangsom verbonden van € 5.000 voor iedere dag of dagdeel dat [eiser] in gebreke blijft met de nakoming van één of meer van de veroordelingen dan wel – naar keuze van [gedaagde] – voor iedere keer dat [eiser] één of meer van de veroordelingen overtreedt, tot een maximum van € 250.000.
2.7.
Bij exploot van 29 april 2026 heeft [gedaagde] het vonnis aan [eiser] laten betekenen, met het bevel om (onder meer) binnen 24 uur na die datum te voldoen aan hetgeen onder 5.1 van het vonnis is bepaald.
2.8.
Op 3 mei 2026 heeft (de advocaat van) [gedaagde] (de advocaat van) [eiser] per e-mail erop gewezen dat er nog een fragment uit de hiervoor bedoelde videoclip (‘ [titel] ’) op het TikTok-account van [eiser] (hierna ook: het TikTok-fragment) staat en dat [eiser] dwangsommen verbeurt voor ieder(e) extra dag(deel) dat dat fragment online blijft staan. (De advocaat van) [eiser] heeft hierop niet (richting [gedaagde] ) gereageerd.
2.9.
Bij exploot van 13 mei 2026 is [eiser] bevolen om binnen twee dagen een bedrag van € 60.000 aan verbeurde dwangsommen aan [gedaagde] te voldoen. Vervolgens heeft [gedaagde] op 18 mei 2026 bankbeslag ten laste van [eiser] laten leggen. Daarna is, op diezelfde dag, het TikTok-fragment verwijderd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
[gedaagde] te veroordelen om binnen 12 uur na het te wijzen vonnis alle gelegde beslagen op te heffen en af te zien van toekomstige beslagen op grond van verbeurde dwangsommen voortvloeiend uit gebeurtenissen, meer specifiek de vermeende te late verwijdering van het fragment op TikTok op 18 mei 2026, onder oplegging van een dwangsom van € 5.000 per (gedeelte van een) dag dat [gedaagde] nalaat aan één van de veroordelingen tot opheffing en staking van de executoriale beslagen te voldoen;
[gedaagde] te veroordelen alle reeds geëxecuteerde bedragen van de rekening van [eiser] binnen 24 uur na het wijzen van het vonnis terug te storten, onder oplegging van een dwangsom van € 5.000 per dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke is;
[gedaagde] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis schriftelijk aan [eiser] , diens advocaat, de deurwaarder en de betrokken derde-beslagenen te bevestigen dat de executie is gestaakt en de beslagen zijn opgeheven;
subsidiair:
voor zover de voorzieningenrechter oordeelt dat enige dwangsom is verbeurd, de executie van die dwangsom op nihil te stellen, althans [gedaagde] te verbieden tot executie over te gaan voor een hoger bedrag dan nihil dan wel de verschuldigdheid van dwangsommen te beperken tot de periode tot en met 3 mei 2026 althans tot een gematigd bedrag;
meer subsidiair:
voor zover de voorzieningenrechter oordeelt dat de executie niet geheel dient te worden gestaakt, de executie te schorsen totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is vastgesteld of en tot welk bedrag dwangsommen zijn verbeurd;
onder veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
Daartoe voert [eiser] in de eerste plaats aan dat er geen dwangsommen zijn verbeurd. Het TikTok-fragment valt namelijk niet onder de veroordeling onder 5.1 (a, e of f) van het vonnis. Van een overtreding van het vonnis is dus geen sprake. Gelet hierop handelt [gedaagde] onrechtmatig door de dwangsommen in te vorderen en moet [gedaagde] worden veroordeeld om de beslagen op te heffen en de executie te staken. Verder geldt volgens [eiser] dat de executie van de volledige dwangsommen onaanvaardbaar is. Aan de veroordelingen in het vonnis is namelijk in de kern voldaan. Alleen het TikTok-fragment is abusievelijk online gebleven. In dit fragment is het kind bovendien slechts één seconde geblurd zichtbaar. Daarbij komt dat [eiser] zeker weet dat hij het fragment, nadat hij dit aanvankelijk over het hoofd had gezien, op 3 mei 2026 heeft verwijderd. Toen hij op 18 mei 2026 werd geconfronteerd met het feit dat de verwijdering niet was geslaagd, is hij direct (nogmaals) tot verwijdering overgegaan. [eiser] heeft zich dus voldoende ingespannen om aan het vonnis te voldoen. Onder de genoemde omstandigheden is het niet te rechtvaardigen dat [gedaagde] vasthoudt aan de executie van de (volledige) dwangsommen, gelet ook op de ernstige financiële gevolgen die dit voor hem zou hebben. [eiser] beroept zich in dit verband op artikel 611d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dan wel misbruik van executiebevoegdheid.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
In een executiegeschil als het onderhavige, waarbij het erom gaat of de executie van een tussen partijen gewezen vonnis doorgang kan vinden of niet, heeft de voorzieningenrechter niet tot taak de in dat vonnis gegeven beoordeling te toetsen, maar dient hij zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals dit door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de voorzieningenrechter het doel en de strekking van de veroordeling waaraan de dwangsommen zijn verbonden tot richtsnoer te nemen, waarbij geldt dat de veroordeling niet verder mag strekken dan ter bereiking van het daarmee beoogde doel noodzakelijk is. De draagwijdte van een gegeven verbod of bevel dient dus beperkt te worden uitgelegd. Het moet gaan om handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat die, mede gelet op de gronden waarop de veroordelingen werden uitgesproken, inbreuk maken op het vonnis.
4.2.
Beoordeeld moet worden of de gestelde overtreding (het tot en met 18 mei 2026 online laten staan van het TikTok-fragment) onder de veroordeling in het dictum van het vonnis valt. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. In het vonnis is [eiser] uitdrukkelijk veroordeeld om ‘de video die op 7 april 2026 gepubliceerd is als videoclip behorende bij het nummer ‘ [titel] ’ zolang daarop de foto van het kind op de telefoon van [eiser] , zoals omschreven onder 2.10, of enige andere beeltenis van het kind, onderdeel uitmaakt’ te verwijderen en verwijderd te houden. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat in het eerdere kort geding over deze video, zowel in de processtukken als ter zitting, uitgebreid is gediscussieerd. De voorzieningenrechter heeft vervolgens geoordeeld dat de video in zijn geheel moest worden verwijderd (onder e van r.o. 5.1). Het betreffende fragment waar het in deze procedure over gaat (het TikTok-fragment) is een onderdeel van die video. Ook dit fragment mocht dus niet online blijven staan. Het betoog van [eiser] dat de veroordeling was beperkt tot het platform Instagram kan niet worden gevolgd. Uit de aanhef van de veroordeling onder 5.1 blijkt dat de veroordeling om de video te verwijderen zag op alle (sociale media)platforms en kanalen van [eiser] , waaronder expliciet ook TikTok is genoemd. Het feit dat alle andere content wel door [eiser] is verwijderd en het kind in het betreffende kortdurende fragment slechts één seconde geblurd te zien is, maakt niet dat het kind niet identificeerbaar is. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar hetgeen is overwogen onder 4.6 van het vonnis. De publicatie van het TikTok-fragment wordt dan ook, buiten redelijke twijfel, bestreken door het verbod dat aan [eiser] is opgelegd bij het vonnis. Ook het TikTok-fragment had dus voor 1 mei 2026 verwijderd moeten worden. [eiser] heeft dit echter, ondanks een waarschuwing van [gedaagde] op 3 mei 2026, pas op 18 mei 2026 (definitief) gedaan.
4.3.
De conclusie is dat [eiser] in strijd met de veroordeling in het vonnis heeft gehandeld door, na betekening van het vonnis op 29 april 2026, het TikTok-fragment op zijn TikTok-account te laten staan. Dit betekent dat de dwangsommen in beginsel zijn verbeurd (over de periode van 1 mei 2026 t/m 18 mei 2026, oftewel voor een bedrag van € 90.000) en dat [gedaagde] niet onrechtmatig handelt door deze dwangsommen in te vorderen. Hierin is dus geen grond gelegen om de beslagen op te heffen of de executie te staken.
4.4.
Vervolgens is het de vraag of er grond is voor opheffing, beperking (t/m 3 mei 2026) of matiging op grond van artikel 611d Rv bestaat. [eiser] stelt zich in dit verband op het standpunt dat geen sprake is geweest van onwil of verwijtbare niet-naleving. Hij heeft volledig willen meewerken, maar als gevolg van een fout of storing bij TikTok is het betreffende fragment, nadat hij dit had verwijderd, toch zichtbaar gebleven of weer online verschenen. Hierdoor is sprake geweest van gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen.
4.5.
Van onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen is sprake indien zich een situatie voordoet waarin de dwangsom als dwangmiddel – dat wil zeggen: als geldelijke prikkel om nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verzekeren – zijn zin verliest. Dit laatste moet worden aangenomen in een geval waarin niet (tijdig) aan de hoofdveroordeling is voldaan, indien het onredelijk zou zijn om meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht. Het vorenstaande brengt mee dat de rechter dient te onderzoeken of de veroordeelde sinds zijn veroordeling redelijkerwijze al het mogelijke heeft gedaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen. De onmogelijkheid om de hoofdveroordeling uit te voeren moet dan ook in beginsel worden beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de hoofdveroordeling. [1]
4.6.
Gebleken is dat [eiser] in de eerste periode na (betekening van) het vonnis (tot 3 mei 2026) het TikTok-fragment niet heeft verwijderd, omdat hij dit fragment - naar hij stelt - over het hoofd heeft gezien. Hiermee heeft [eiser] erkend dat tot dit moment van onmogelijkheid geen sprake was. Voor deze periode geldt in ieder geval dat de dwangsommen niet kunnen worden opgeheven of verminderd (artikel 611d lid 2 Rv). [2]
4.7.
Wat betreft de periode vanaf 3 mei 2026 geldt het volgende. [eiser] stelt dat hij zeker weet dat hij het fragment op 3 mei 2026, na de waarschuwing door [gedaagde] , wel heeft verwijderd maar dat het (mogelijk) door een storing of fout bij TikTok zichtbaar is gebleven of weer online is verschenen. [gedaagde] heeft, onder overlegging van productie 10, betwist dat van een storing sprake is geweest en [eiser] heeft dit vervolgens op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Uit de door hem overgelegde productie 6 blijkt alleen dat het zich in het algemeen kan voordoen dat verwijderde posts desondanks (door technische storingen) zichtbaar blijven. Dat op 3 mei 2026 daadwerkelijk een dergelijke storing heeft plaatsgevonden waardoor het TikTok-fragment niet kon worden verwijderd kan uit die productie niet worden afgeleid. Het was bovendien de eigen verantwoordelijkheid van [eiser] om erop toe te zien dat het TikTok-fragment na 3 mei 2026 daadwerkelijk was verwijderd, niet de verantwoordelijkheid van [gedaagde] om [eiser] eerder te informeren of om hem erop te wijzen dat het fragment nog online stond, zoals [eiser] heeft gesteld. Niet is gebleken dat [eiser] zich aantoonbaar heeft ingespannen en de benodigde zorgvuldigheid in acht heeft genomen om volledig aan het vonnis te voldoen. Die zorgvuldigheid was juist van belang, omdat – zo heeft [gedaagde] onweersproken gesteld – het fragment bovenaan ‘vastgepind’ op het TikTop-account van [eiser] stond, wat inhield dat het fragment op die plaats bovenaan op de pagina bleef staan ook al werden er nieuwe video’s bijgeplaatst. Het fragment was dus voor iedereen direct zichtbaar. Ook voor de periode vanaf 3 mei 2026 geldt dus dat er geen grond is voor opheffing of beperking/matiging in de zin van artikel 611d Rv.
4.8.
Tot slot moet worden beoordeeld of het beroep van [eiser] op misbruik van bevoegdheid slaagt. [eiser] heeft hiertoe aangevoerd dat het disproportioneel en onredelijk is om de volledige dwangsom van € 90.000 op te eisen voor slechts één online gebleven TikTok-fragment van circa elf seconden waarin het kind circa één seconde geblurd in beeld is, temeer nu het fragment diende als verwijzing naar de volledige videoclip van het nummer [titel] en deze videoclip wel al door [eiser] was verwijderd. [eiser] zou door het volledig opeisen van deze dwangsom ‘financieel worden geruïneerd’.
4.9.
Voorop gesteld moet worden dat de rechter in een executiegeschil een bijzondere terughoudendheid past voor wat betreft de vraag of de (onverkorte) executie van de verbeurde dwangsommen misbruik van bevoegdheid oplevert. Voor de tenuitvoerlegging van iedere executoriale titel geldt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat misbruik van bevoegdheid wordt aangenomen, anders dan in sprekende gevallen, in welk verband met name valt te denken aan de omstandigheid dat de verlening van de titel klaarblijkelijk op een feitelijke of juridische misslag berust, dan wel tenuitvoerlegging van die titel klaarblijkelijk een onaanvaardbare noodtoestand zal doen ontstaan aan de zijde van de geëxecuteerde. [3]
4.10.
[eiser] beroept zich erop dat er aan zijn zijde een onaanvaardbare noodtoestand zal ontstaan, gelet op de ernstige financiële gevolgen die het opeisen van de volledige dwangsommen voor hem zal hebben. [gedaagde] heeft echter betwist dat [eiser] financieel aan de grond zit en de dwangsommen niet kan voldoen en [eiser] heeft zijn stelling in het geheel niet onderbouwd. Op deze grond kan dus niet worden aangenomen dat sprake is van misbruik van recht of dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de dwangsommen te innen. Ook het feit dat het online gebleven TikTok-fragment slechts elf seconden duurt en het kind daarin slechts één seconde geblurd te zien is, is hiertoe onvoldoende, zeker nu [eiser] nadat hij op 3 mei 2026 is gewaarschuwd door (de advocaat van) [gedaagde] daarop in het geheel niet heeft gereageerd. Zoals al overwogen lag het op de weg van [eiser] om ervoor te zorgen dat volledig aan het vonnis zou worden voldaan. Het beroep op misbruik van bevoegdheid wordt dan ook verworpen.
4.11.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de primaire en subsidiaire vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Evenmin bestaat er aanleiding om, zoals meer subsidiair is gevorderd, de executie te schorsen in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure waarin ten gronde zal (kunnen) worden geoordeeld of en in hoeverre [eiser] dwangsommen heeft verbeurd. Ook deze vordering wordt dus afgewezen.
Proceskosten
4.12.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 93,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.459,00
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.459, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.
2163

Voetnoten

1.HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:396.
2.Vgl. Gerechtshof Amsterdam 10 januari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:46.
3.Gerechtshof Arnhem 25 september 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB6229.