ECLI:NL:RBDHA:2026:17612

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.7061 en NL26.7064
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 32 Visumcode (Verordening (EG) nr. 810/2009)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering visum kort verblijf wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid

Eiser, van Pakistaanse nationaliteit, vroeg samen met zijn moeder een visum kort verblijf aan voor familiebezoek in Nederland. De moeder kreeg het visum toegekend, maar de aanvraag van eiser werd afgewezen wegens onvoldoende aanneming van het doel van het verblijf en twijfel over zijn binding met Pakistan.

De rechtbank oordeelt dat eiser en zijn moeder hetzelfde doel en dezelfde omstandigheden van het verblijf hebben aangetoond, en dat het standpunt van verweerder dat de vliegreservering van eiser niet meer bestaat onvoldoende is om het doel niet aan te nemen. Ook is vastgesteld dat eiser en zijn moeder uit hetzelfde gezin komen en dezelfde stukken hebben overgelegd.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser zijn sociale en economische binding met Pakistan wel aannemelijk heeft gemaakt, ondanks het ontbreken van een eigen gezin en de onduidelijkheid over bankstortingen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsvereiste en beveelt verweerder binnen één week een nieuw besluit te nemen. De proceskosten worden aan verweerder opgelegd.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van het visum kort verblijf aan eiser wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen binnen één week een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.7061 (beroep)
NL26.7064 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1999, van Pakistaanse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en

de minister van Buitenlandse zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. van der Lei).

Inleiding

1. Bij besluit van 5 december 2024 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor de verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.1.
Bij besluit van 26 mei 2025 heeft verweerder het door eiser ingestelde bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Op 20 juni 2025 heeft eiser beroep ingediend tegen dit besluit. Op 12 januari 2026 is het beroep in overleg met verweerder ingetrokken.
1.3.
Vervolgens heeft verweerder op 2 februari 2026 een nieuw besluit (bestreden besluit) genomen waarin het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond is verklaard.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.5.
De rechtbank/ voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het griffierecht
2. Eiser heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe.
Ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag voor een visum kort verblijf op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en de voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar deze zaak over gaat
4. Eiser heeft voor zichzelf en zijn moeder op 3 december 2024 een visum voor kort verblijf gevraagd voor bezoek bij referent, [referent], in de periode van 23 december 2024 tot en met 6 februari 2025. Zijn moeder kan niet alleen reizen, dus wil eiser samen met haar naar Nederland reizen voor familiebezoek in verband met het overlijden van een nichtje. Op
2 februari 2026 is het bezwaar van zijn moeder gegrond verklaard en heeft zij een visum kort verblijf gekregen.
4.1.
Verweerder heeft de visumaanvraag afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Ook bestaat volgens verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt over een regelmatig en substantieel inkomen in Pakistan te beschikken om in het eigen onderhoud te kunnen voorzien en hij zijn sociale en economische binding met Pakistan niet aannemelijk heeft gemaakt. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet gehoord hoefde te worden, nu een hoorzitting niet tot een ander oordeel zou leiden. Tot slot is verweerder van mening dat zij geen dwangsom hoeft te betalen omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.
Toetsingskader
5. Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond, niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken of indien redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum (oftewel het vestigingsgevaar). [1] Bij de beoordeling hiervan heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge. [2]
5.1.
Voor de beoordeling van het vestigingsgevaar betrekt verweerder de sociale en economische binding van de aanvrager met het land van herkomst. Daarbij betrekt verweerder welke omstandigheden in het voordeel en welke in het nadeel van de aanvrager uitvallen. Op basis daarvan komt verweerder tot een conclusie over de vraag of redelijke twijfel bestaat over tijdige terugkeer naar het land van herkomst. De rechter kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen.
Doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf
6. Eiser stelt allereerst dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Het is uit de aanvraag duidelijk dat het gaat om een familiebezoek in verband met het overlijden van een nichtje. Het is voor eiser onbegrijpelijk dat het doel en de omstandigheden van het verblijf bij zijn moeder wel zijn aangenomen maar bij hem niet. Zij hebben immers hetzelfde doel in hun aanvraag opgenomen.
6.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf door eiser niet zijn aangetoond. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat de vliegreservering van eiser niet meer lijkt te bestaan en dat hij daarom het doel van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond.
6.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser en zijn moeder hebben beide hetzelfde reisdoel, namelijk het bezoeken van familie in Nederland na het overlijden van hun nichtje, aan hun aanvragen ten grondslag gelegd. Daarbij heeft de moeder van eiser tevens aangevoerd dat zij hulpbehoevend is en samen met eiser moet reizen. Eiser en zijn moeder komen uit hetzelfde gezin en werken binnen hetzelfde boeren- en familiebedrijf. Nu eiser en zijn moeder exact dezelfde stukken hebben overgelegd, wat door verweerder niet wordt betwist, kan de rechtbank verweerder niet volgen in het standpunt dat eiser het doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en zijn moeder wel. Dat volgens verweerder de gemaakte vliegreservering niet meer lijkt te bestaan maakt dit niet anders. De bij de aanvraag overgelegde vliegereservering is immers voor zowel eiser als zijn moeder gemaakt. Niet valt in te zien waarom de vliegreservering uit 2024 voor eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aan zou tonen nu dat voor de moeder van eiser wel voldoende was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf wel heeft aangetoond. De beroepsgrond slaagt.
Tijdig terugkeren- sociale en economische binding
7. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat er sprake is van sociale binding met Pakistan. Eiser stelt zich ook op het standpunt dat de verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat er sprake is van economische binding met Pakistan. Eiser heeft een zeer grote binding met Pakistan en kan niet in Nederland blijven. Zijn naaste familie woont in Pakistan en al hun bezittingen zijn daar. Eiser behoort tot een boerenfamilie met landgoed in Pakistan dat onderhouden dient te worden en er dient te worden geoogst. Daarnaast hebben eiser en zijn familie ook vee waardoor een lang verblijf in Nederland is uitgesloten. Bovendien is de sociale en economische binding van zijn moeder vergelijkbaar met die van eiser. Door alleen een Schengenvisum aan zijn moeder toe te kennen en het Schengenvisum aan eiser te weigeren wordt een onbegrijpelijk besluit genomen. Het bestreden besluit is om die reden ook onvoldoende gemotiveerd.
7.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de eiser zijn sociale- en economische binding met Pakistan niet aannemelijk heeft gemaakt. Ten aanzien van de sociale binding heeft verweerder overwogen dat eiser (relatief) jong is, ongehuwd is en geen kinderen heeft. Gelet hierop bestaat er geen sociale band met Pakistan voor wat betreft een eigen gezin, waarvoor hij de verantwoordelijkheid draagt. Dat eiser zijn vader, broers en zussen achterlaat maakt niet zonder meer dat er voldoende sociale binding met Pakistan kan worden aangenomen. Er is namelijk niet gebleken dat eiser de zorg heeft voor directe familieleden of in staat zou zijn om hen te onderhouden. Ook is niet gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die de vreemdeling zouden dwingen tijdig naar Pakistan terug te keren. Ten aanzien van de economische binding heeft verweerder overwogen dat zowel referent als eiser hebben nagelaten de gestelde werkzaamheden en eigendommen te onderbouwen met objectiveerbare stukken. Verder worden er regelmatige hoge stortingen gedaan op de bankrekening van eiser. Uit de bankafschriften blijkt niet waar de hoge stortingen op de rekening vandaan komen. Er zijn geen aanwijzingen dat deze stortingen het gevolg zijn van inkomsten gegenereerd uit werk.
7.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. Zoals onder 6.2. is overwogen is het doel van het voorgenomen verblijf voor eiser en zijn moeder identiek. Nu eiser en zijn moeder hetzelfde reisdoel hebben, uit hetzelfde gezin komen en exact dezelfde stukken hebben overgelegd, valt niet in te zien waarom eiser zijn binding met Pakistan niet aannemelijk heeft gemaakt. Zo volgt de rechtbank verweerder niet in het standpunt dat eiser zijn sociale binding met Pakistan niet aannemelijk heeft gemaakt. Volgens verweerder is het verschil tussen eiser en zijn moeder gelegen in het feit dat de moeder wel een eigen gezin heeft met minderjarige kinderen en eiser niet. Het enkele feit dat eiser alleenstaand is en geen eigen gezin heeft maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser zijn sociale binding met Pakistan niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser en zijn moeder maken immers onderdeel uit van hetzelfde gezin, wat gezamenlijk de zorg voor de boerderij draagt. Verder volgt de rechtbank verweerder niet in het standpunt dat eiser zijn economische binding met Pakistan niet aannemelijk heeft gemaakt. Zowel eiser als zijn moeder dragen bij in het levensonderhoud van het gezin. Dit is door verweerder ook niet betwist. Dat eiser heeft nagelaten de gestelde werkzaamheden en eigendommen te onderbouwen met objectiveerbare stukken kan de rechtbank niet volgen. De moeder van eiser heeft immers exact dezelfde stukken overlegd en bij haar waren deze stukken kennelijk wel voldoende om de gestelde werkzaamheden en eigendommen te onderbouwen. Het standpunt van verweerder dat er hoge stortingen op de bankrekening van eiser te zien zijn waarvan niet duidelijk is waar die vandaan komen, maakt dit ook niet anders. Het gezin verkrijgt uit het boerenbedrijf gezamenlijk inkomsten. Eiser heeft daarbij voldoende toegelicht dat deze inkomsten in contante betalingen gestort worden op de bankrekening van eiser. Wat er ook van de ongespecificeerde stortingen op de bankrekening van eiser zij, de rechtbank ziet niet in dat deze bedragen reden geven voor eiser om het grondgebied van de Europese Unie niet voor het verstrijken van het visum te verlaten. De hoogste storting bedraagt immers 40.000 Pakistaanse roepies, omgerekend naar de huidige koers slechts €125,47,-.
8. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser zijn sociale en economische binding met Pakistan wel heeft aangetoond. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsvereiste [3] en het motiveringsvereiste [4] . De rechtbank ziet, gelet op de aard van de gebreken, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van één week, gelet op het feit dat de moeder van eiser vóór uiterlijk 2 augustus 2026 van haar visum gebruik moet maken.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
11. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de
voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.7061,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 2 februari 2026;
- draagt verweerder op binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak een
nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.7064,
- wijst het verzoek af.
De rechtbank, in alle zaken:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 32, eerste lid, onder a, onderdeel ii, iii en onder b, van de Visumcode (Verordening (EG) nr. 810/2009).
2.Dit volgt uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van
3.Volgens artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Volgens artikel 7:12 van Pro de Awb.