ECLI:NL:RBDHA:2026:17615

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.25913
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 32 Visumcode (Verordening (EG) nr. 810/2009)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs doel en binding

Eiseres heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om een vriendin in Nederland te bezoeken van 5 januari tot 4 februari 2025. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, met name de relatie met de referent en het ontbreken van objectiveerbare bewijsstukken.

Daarnaast heeft eiseres niet aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken voor het verblijf en de terugreis, en bestaat er redelijke twijfel over haar voornemen Nederland tijdig te verlaten vanwege onvoldoende sociale en economische binding met Marokko. Verweerder heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en heeft terecht afgezien van een hoorzitting omdat het bezwaar geen nieuwe feiten bevatte die tot een ander oordeel konden leiden.

De rechtbank oordeelt dat eiseres voldoende tijd heeft gehad om ontbrekende stukken aan te leveren en dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld. De hoorplicht is niet geschonden omdat het bezwaar geen nieuwe relevante informatie bevatte. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.25913
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedag] 1976, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres,
(gemachtigde: mr. A. el Yahiaoui)
en

de minister van Buitenlandse zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. Y. van der Lei).

Inleiding

1. Bij besluit van 6 december 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor de verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.1.
Bij besluit van 28 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres ingestelde bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben [de persoon] als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag voor een visum kort verblijf op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar deze zaak over gaat
4. Eiseres heeft op 26 november 2024 een visum voor kort verblijf gevraagd voor bezoek bij referente, [referente], in de periode van 5 januari 2025 tot 4 februari 2025. Referente is een vriendin van eiseres.
4.1.
Verweerder heeft de visumaanvraag afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zijn aangetoond. De relatie tussen eiseres en de opgegeven referente is namelijk niet aannemelijk gemaakt dan wel aangetoond middels objectiveerbare bewijsstukken. Verder heeft eiseres niet aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar Marokko. Ook bestaat volgens verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt over een regelmatig en substantieel inkomen in Marokko te beschikken om in het eigen onderhoud te kunnen voorzien en zij haar sociale en economische binding met Marokko niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder betrokken dat de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ niet binnen de gestelde termijn door verweerder is ontvangen en niet is aangegeven door eiseres waarom de vragenlijst niet is teruggestuurd. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres niet gehoord hoefde te worden, nu een hoorzitting niet tot een ander oordeel zou leiden. Tot slot is verweerder van mening dat zij geen dwangsom hoeft te betalen omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.
Toetsingskader
5. Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond, niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken of indien redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum (oftewel het vestigingsgevaar). [1] Bij de beoordeling hiervan heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge. [2]
5.1.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden
genomen. [3] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure.
Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen
twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden
dan het standpunt in het primaire besluit. [4] Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond
worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan.
Doel, omstandigheden en duur van het verblijf
6. Eiseres stelt zich allereerst op het standpunt dat verweerder ten onrechte stelt dat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Verweerder heeft, zonder eiseres in de gelegenheid te stellen het verzuim te herstellen of een hoorzitting te organiseren, de stukken niet afgewacht en het bezwaar afgewezen. Verweerder heeft ook ten onrechte niet in acht genomen dat eiseres inspanningen heeft verricht om bepaalde stukken te krijgen, en ook stukken heeft overgelegd. [5]
6.1.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiseres het doel en omstandigheden van haar voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. De rechtbank betrekt daarbij dat verweerder in de motivering van het primaire besluit had aangegeven dat het doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond omdat de relatie tussen eiseres en referent niet aannemelijk is gemaakt dan wel aangetoond met objectiveerbare bewijsstukken. Eiseres stelt dat zij een vriendin wil bezoeken in Nederland. Nu het reisdoel van eiseres vriendenbezoek was, had het op haar weg gelegen om de gestelde relatie met haar vriendin aannemelijk te maken. Eiseres heeft de vragenlijst visumaanvraag niet ingevuld en niet met stukken aannemelijk gemaakt wat de relatie is tussen haar en referente. Dat eiseres niet voldoende tijd is geboden om het verzuim te herstellen volgt de rechtbank niet. Het bezwaar dateert van 16 januari 2025 en op
28 mei 2025 is de beslissing op bezwaar genomen. Daarmee heeft eiseres bijna vier maanden de tijd gehad om de benodigde stukken over te leggen. Eiseres heeft ook niet onderbouwd waarom dit niet genoeg tijd zou zijn. Daar komt bij dat eiseres verweerder op
6 mei 2025 in gebreke heeft gesteld waardoor verweerder gehouden was snel te beslissen. De drie uitspraken van de rechtbank Den Haag waar eiseres zich op beroept kunnen ook niet slagen. Eiseres heeft immers niet met verweerder gecommuniceerd dat zij meer tijd nodig had om aan stukken te komen en heeft geen aantoonbare inspanningen verricht deze te verkrijgen. Dat eiseres ten aanzien van haar sociale en economische binding met Marokko stukken heeft overgelegd maakt dit niet anders. Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf betreft immers een zelfstandige afwijzingsgrond waaraan voldaan moet zijn voor er wordt gekeken naar de binding met het land van herkomst. Omdat eiseres in bezwaar niet alsnog een onderbouwing van de gestelde relatie heeft gegeven, heeft verweerder om die reden het bezwaar al kennelijk ongegrond kunnen achten. Het bezwaar had immers redelijkerwijs niet tot een andere uitkomst kunnen leiden omdat aan deze voorwaarde niet is voldaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
7. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen afzien van het horen in bezwaar, omdat uit het bezwaarschrift zelf meteen duidelijk is gebleken dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat hij in het kader van de bezwaarprocedure een ‘vragenlijst visumaanvraag’ aan gemachtigde heeft toegezonden, [6] maar dat deze vragenlijst niet is teruggestuurd. Gelet op de geringe inspanningen van eiseres om de door verweerder gevraagde informatie aan te leveren en gelet op de omstandigheid dat zij in bezwaar verder geen omstandigheden naar voren heeft gebracht die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat er geen redelijke twijfel bestaat aan haar voornemen Nederland te verlaten na verloop van het visum, heeft verweerder met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van horen kunnen afzien. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 32, eerste lid, onder a, onderdeel ii, iii en onder b, van de Visumcode (Verordening (EG) nr. 810/2009).
2.Dit volgt uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.
3.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.
5.Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van
6.Zie herstelverzuimbrief van 27 februari 2025.