ECLI:NL:RBDHA:2026:17630

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
09/135217-25, 09/226492-25 en 09/242201-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor afpersing, mishandeling, weigering bloedonderzoek, belediging en bedreiging

De rechtbank Den Haag heeft op 25 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van meerdere feiten waaronder afpersing in vereniging, mishandeling, weigering van een bloedonderzoek, belediging van een politieambtenaar en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en van het witwassen van een broek, omdat niet wettig en overtuigend was vastgesteld dat de verdachte wist van de ongeldigverklaring en dat de broek uit een misdrijf afkomstig was. Voor de overige feiten werd de verdachte schuldig bevonden, waarbij medeplegen van afpersing werd vastgesteld op basis van bewijsmiddelen en verklaringen.

De strafoplegging bestond uit een gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met de medeverdachte. De rechtbank legde geen rijontzegging op omdat het rijbewijs al ongeldig was verklaard.

De rechtbank motiveerde de straf aan de hand van de ernst van de feiten, de kwetsbaarheid van het slachtoffer, de relationele mishandeling en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een gemiddeld recidiverisico en psychosociale problematiek.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/135217-25, 09/226492-25 en 09/242201-25
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige kamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1995 te [geboorteplaats 1] ,
op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd het Detentiecentrum [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 11 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A. Kamphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R. Zantman naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I (parketnummer 09/135217-25)
hij op of omstreeks 2 mei 2025 te Noordwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een (Rolex) horloge, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever 1] en/of een derde toebehoorde(n) door met meerdere personen voor portier van het voertuig van die [aangever 1] te staan en/of dreigend door het raam van dat voertuig te hangen en/of die [aangever 1] in het gezicht te slaan;
Dagvaarding II (parketnummer 09/226492-25)
hij op of omstreeks 23 augustus 2025 te Ammerstol, gemeente Krimpenerwaard [aangever 2] heeft mishandeld, door te slaan en/of te schoppen;
Dagvaarding III (parketnummer 09/242201-25)
1
hij op of omstreeks 15 september 2025 te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Provincialeweg N210, als bestuurder een motorrijtuig (auto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
2
hij op of omstreeks 15 september 2025, te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard, (van) een broek (merk: DSsquared), althans een of meer voorwerpen
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,
en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
3
hij op of omstreeks 15 september 2025 te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een auto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;
4
hij op of omstreeks 15 september 2025 te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "kankerlijer" en/of "sletje" en/of "vieze flikker" en/of "homo", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
5
hij op of omstreeks 15 september 2025 te Gouda [naam] en/of [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam] en/of [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen "Ik sla je helemaal de kanker" en/of "Ik vreet je kop er af" en/of "Ik sla je half dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding III onder 1 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I en dagvaarding II tenlastegelegde. Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding III onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit voor het bij dagvaarding I en het bij dagvaarding III onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. Ten aanzien van het bij dagvaarding II tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Tot slot heeft de raadsman zich ten aanzien van het bij dagvaarding III onder 4 en 5 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat deze feiten bewezen kunnen worden verklaard.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in
bijlage Iopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
De rechtbank zal voor de bij dagvaarding III onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van dagvaarding III, feit 1
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het bij dagvaarding III onder feit 1 ten laste gelegde rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank stelt op grond van de stukken in het dossier vast dat de verdachte op 15 september 2025 een auto heeft bestuurd terwijl zijn rijbewijs op dat moment ongeldig was verklaard. Door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) is het besluit tot ongeldig verklaring van het rijbewijs op 1 september 2025 per aangetekende brief verzonden naar het GBA-adres van de verdachte, te weten de [adres] . Uit deze brief blijkt dat het rijbewijs van de verdachte per 8 september 2025 ongeldig verklaard werd. De aangetekende brief is niet retour gekomen naar het CBR. Evenmin is gebleken dat de verdachte de brief van het CBR in ontvangst heeft genomen. Uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief aan hem is verzonden en niet als onbestelbaar retour is gekomen, mag volgens vaste jurisprudentie niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Andere omstandigheden waaruit die wetenschap dan toch zou kunnen volgen zijn niet gebleken. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Gelet hierop is hetgeen de verdachte bij dagvaarding III onder 1 ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen, zodat hij hiervan wordt vrijgesproken.
Ten aanzien van dagvaarding III, feit 2
Voor wat betreft het bij dagvaarding III onder 2 ten laste gelegde eenvoudig witwassen, is de rechtbank van oordeel dat niet vast is komen te staan dat de desbetreffende broek van het merk Dsquared2 onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de broek van iemand heeft gekregen, waarna hij de broek vervolgens zonder hem te bekijken, in de achterbak van zijn auto heeft gelegd. De verdachte stelt de zogeheten anti-diefstaltag en het prijskaartje niet te hebben gezien. Aan de hand van deze omstandigheden, stelt de rechtbank vast dat de verdachte wist dat de DSsquared broek in de kofferbak van zijn auto lag en dat hij daarover ook kon beschikken. De verdachte heeft de Dsquared2 broek daarmee ook voorhanden gehad. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de broek uit enig misdrijf afkomstig zou zijn. Niet valt immers uit te sluiten dat de anti-diefstaltag bij de aankoop van de broek (per abuis) niet is verwijderd. Daarbij overweegt de rechtbank dat zelfs indien kon worden vastgesteld dat de broek onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig was, op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden geconcludeerd dat de verdachte dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bij dagvaarding III onder 2 ten laste gelegde feit niet bewezen kan worden verklaard. De rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van dagvaarding I
De raadsman heeft vrijspraak bepleit nu de rol van de verdachte beperkt zou zijn geweest en - naar de rechtbank begrijpt - daarmee volgens de raadsman geen sprake is geweest van medeplegen, maar van medeplichtigheid. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat er twijfel bestaat over de vraag of de verdachte het slachtoffer geslagen heeft, nu er geen (slaande) beweging te zien is op de camerabeelden.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer vast is komen te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal van voldoende gewicht moeten zijn geweest.
De rechtbank overweegt verder als volgt. De rechtbank stelt op basis van het onderzoek ter terechtzitting en de bewijsmiddelen in het dossier vast dat de bijdrage van beide verdachten inwisselbaar is geweest. De verdachten zijn continu samen geweest. De verdachten zijn samen in de auto van de verdachte – waarvan de verdachte tevens de bestuurder was – aan komen rijden bij de parkeerplaats waar de aangever in zijn Canta zat. Vervolgens zijn de verdachten nagenoeg gelijktijdig uit de auto gestapt en in de richting van de Canta van de aangever gelopen. Daar hebben zij vervolgens enige tijd gepraat met de aangever. Uit de verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting, blijkt dat de verdachte wist dat het gesprek over een Rolex ging en dat de medeverdachte nog geld kreeg van de aangever. Daarnaast heeft de verdachte ter zitting verklaard dat de medeverdachte het horloge van de aangever heeft gepakt waarbij hij de aangever zou hebben bedreigd met de woorden: “anders ga ik je moeder opblazen”. Na afloop van het incident zijn beide verdachten samen in de auto van de verdachte gestapt en weggereden. De verdachte was daarbij de chauffeur. De rechtbank stelt vast dat de verdachte wist dat het gestolen horloge zich in de auto bevond. Ook stelt de rechtbank vast dat de verdachte de medeverdachte niet uit zijn auto heeft gezet. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat er sprake is geweest een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Het verweer van de raadsman dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger, wordt dan ook verworpen.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat er een klap is gegeven aan de aangever door de medeverdachte, [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Daarmee heeft de verdachte erkent dat er tijdens het incident geweld is gebruikt.
Ook de aangever heeft in zijn aangifte verklaard in zijn gezicht te zijn geraakt. De rechtbank heeft geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid van de gedetailleerde en consistente verklaring van de aangever, die wordt ondersteund door de camerabeelden, waarop te zien is dat de verdachten samen bij de Canta van de aangever stonden en de verdachte naar voren leunde en zijn hoofd in de Canta stak. De verklaring van de verdachte dat hij alleen een vuurtje aan de aangever heeft gevraagd, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. De rechtbank overweegt in dat kader dat op de camerabeelden op geen enkel moment te zien is dat de verdachte een sigaret vasthoudt dan wel aansteekt.
Op basis hiervan acht de rechtbank het bij dagvaarding I tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I (parketnummer 09/135217-25)
hij op 2 mei 2025 te Noordwijk tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een (Rolex) horloge, die aan die [aangever 1] toebehoorde door met meerdere personen voor
hetportier van het voertuig van die [aangever 1] te staan en dreigend door het raam van dat voertuig te hangen en die [aangever 1] in het gezicht te slaan;
Dagvaarding II (parketnummer 09/226492-25)
hij op 23 augustus 2025 te Ammerstol, gemeente Krimpenerwaard [aangever 2] heeft mishandeld, door te slaan en te schoppen;
Dagvaarding III (parketnummer 09/242201-25)
3
hij op 15 september 2025 te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard, als degene tegen wie
deverdenking was gerezen als bestuurder van een auto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend;
4
hij op 15 september 2025 te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "kankerlijer" en "sletje" en "vieze flikker" en "homo";
5
hij op 15 september 2025 te Gouda [naam] en [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [naam] en [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen "Ik sla je helemaal de kanker" en "Ik vreet je kop er af" en "Ik sla je half dood".
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] , alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden ten aanzien van de weigering van het bloedonderzoek
.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Indien de rechtbank van oordeel is dat daarnaast nog een straf opgelegd dient te worden, verzoekt de raadsman subsidiair een taakstraf dan wel een geldboete aan de verdachte op te leggen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vijftal strafbare feiten. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld door samen met de medeverdachte [medeverdachte] het horloge van de aangever af te nemen. Het horloge is voor het slachtoffer van grote waarde, nu het een erfstuk van zijn vader betreft. Hiermee hebben de verdachte en de medeverdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het slachtoffer en bij hem gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Bovendien wordt door dergelijke feiten het gevoel van veiligheid van de samenleving in het algemeen aangetast. Het incident heeft zich op de openbare weg afgespeeld en anderen konden hiervan getuige zijn.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-vriendin door haar te slaan en te schoppen. Hiermee heeft verdachte een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Zij heeft daarbij pijn en letsel opgelopen in de vorm van blauwe plekken. Dit wordt de verdachte aangerekend.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de belediging van een politieambtenaar en de bedreiging van twee politieambtenaren. Dat zijn hinderlijke feiten, die de rechtbank de verdachte aanrekent. Tot slot heeft de verdachte medewerking aan een bloedonderzoek geweigerd. Door aldus te handelen heeft de verdachte de controle op de naleving van voorschriften die de verkeersveiligheid dienen, gefrustreerd.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 31 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder meermaals is veroordeeld voor Wegenverkeerswet-feiten. Daaruit blijkt ook dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten, dan wel delicten met een geweldscomponent en ook niet voor bedreiging en belediging.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 28 augustus 2025, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op het gebied van psychosociaal functioneren, houding en sociale netwerk en van een gemiddeld recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten: meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en een contactverbod jegens de mededader, [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 2] .
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Het zwaartepunt in het bepalen van de straf ligt bij de afpersing in vereniging. De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor tasjesroof met een enkele duw/ruk. Daarin is als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, ten opzichte van dit uitgangspunt, meerdere strafverzwarende omstandigheden aan de orde. Zo acht de rechtbank strafverhogend de diefstal met (bedreiging) van geweld is gepleegd jegens een kwetsbaar slachtoffer. Dat het slachtoffer beperkt is, had de verdachte duidelijk moeten zijn nu hij in een invalidenvoertuig reed. Voorts acht de rechtbank strafverhogend dat de mishandeling plaatsvond in de relationele sfeer, bovendien in de woning van de aangeefster, waar zij zich veilig zou moeten voelen.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van vijf maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank zal een deel van die straf, te weten drie maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaren en de daaraan door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd zal de rechtbank geen ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen, nu het rijbewijs van de verdachte reeds ongeldig is verklaard door het CBR per 8 september 2025, wat betekent dat de verdachte zijn rijbewijs opnieuw zal moeten halen. Met het oog daarop ziet de rechtbank geen toegevoegde waarde voor de oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen ten aanzien van de weigering van het bloedonderzoek.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 47, 57, 266, 267, 285, 300, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht;
- 163, 176 van de Wegenverkeerswet 1994;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding III (parketnummer 09/242201-25) onder 1 en 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I (parketnummer 09/135217-25), bij dagvaarding II met parketnummer (09/226492-25) en bij dagvaarding III (parketnummer 09/242201-25) onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van het bij dagvaarding I (09/135217-25) ten laste gelegde:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van het bij dagvaarding II (09/226492-25) ten laste gelegde:
mishandeling;
ten aanzien van het bij dagvaarding III (09/242201-25) onder 3 ten laste gelegde:
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
ten aanzien van het bij dagvaarding III (09/242201-25) onder 4 ten laste gelegde:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
ten aanzien van het bij dagvaarding III (09/242201-25) onder 5 ten laste gelegde:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
5 (VIJF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
3 (DRIE) MAANDEN,niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 2001 te [geboorteplaats 2] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- meewerkt aan diagnostiek uitgevoerd door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, en zich, indien geïndiceerd, laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na het ingaan van de proeftijd. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.S. Verboom, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. I.C. Kranenburg, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. E. Assies en F.A.M. Schuijt, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2026.