ECLI:NL:RBDHA:2026:17631

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
09-095584-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdstrafrechtelijke veroordeling voor afpersing met geweld in woning slachtoffer

De rechtbank Den Haag heeft op 18 juni 2026 uitspraak gedaan in een jeugdstrafzaak tegen een verdachte geboren in 2007. De verdachte werd beschuldigd van afpersing met geweld op 12 maart 2025 in Delft, waarbij hij het slachtoffer sloeg en bedreigde met de eis van € 12.000. De rechtbank verklaarde het feit bewezen, maar sprak de verdachte vrij van medeplegen, het geven van een kopstoot en de bedreiging, vanwege onvoldoende bewijs.

De rechtbank nam het feit ernstig en legde een straf op bestaande uit 38 dagen jeugddetentie waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 60 uren. De verdachte had geen vergelijkbare eerdere veroordelingen en toonde tijdens de zitting berouw en reflectie. De rechtbank zag geen noodzaak voor een locatie- of contactverbod.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van ruim € 19.000, waarvan de rechtbank € 2.350 toewijst, bestaande uit € 350 materiële en € 2.000 immateriële schade. De rest van de vordering werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De verdachte werd veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met wettelijke rente vanaf de datum van het strafbare feit.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 38 dagen jeugddetentie (waarvan 30 voorwaardelijk), 60 uren werkstraf en betaling van € 2.350 schadevergoeding met rente.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-095584-25
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 4 juni 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. R.B. Schiphuis en de raadsman van de verdachte is mr. J. Klein Molekamp te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
afpersing (in vereniging) van [aangever] op 12 maart 2025 in Delft, door hem te slaan, een kopstoot te geven en te zeggen dat als [aangever] geen € 12.000 betaalt, hij vermoord wordt.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, met uitzondering van het medeplegen en het onder het tweede en derde gedachtestreepje ten laste gelegde (de kopstoot en de bedreiging).
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met nummer PL1550-20250800032 van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Westland-Delft met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 307).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 13 maart 2025 (p. 116-119).
3.4
Bewijsoverwegingen
In vereniging?
Om te kunnen spreken van afpersing
in verenigingmoet sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander. Uit het dossier blijkt niet dat er sprake was van zo’n samenwerking tussen de verdachte en de bezorger die volgens de aangever bij de deur bleef staan. Op de beelden van het sushi-restaurant is zichtbaar dat de verdachte met de medeverdachte [medeverdachte] praat, maar het is onduidelijk waarover. Ook uit de rest van het dossier blijkt niet dat de medeverdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde feit. Uit het dossier blijkt ook onvoldoende dat iemand anders, bijvoorbeeld de moeder van de verdachte, een rol heeft gehad van voldoende gewicht. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het ‘in vereniging’ plegen van het feit.
Kopstoot
De rechtbank moet beoordelen of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de aangever een kopstoot heeft gegeven. De aangever heeft verklaard dat hij een kopstoot heeft gekregen van de verdachte, maar heeft in diezelfde verklaring ook aangegeven verward te zijn geweest na het hele voorval. De verdachte ontkent met klem de kopstoot te hebben gegeven, terwijl hij verder open is geweest over wat zich tijdens het voorval heeft afgespeeld. Het dossier bevat verder geen steunbewijs specifiek voor het geven van een kopstoot en het letsel kan ook passen bij de klappen die de verdachte wel bekend heeft. De rechtbank zal de verdachte daarom, vanwege een gebrek aan overtuiging, vrijspreken van het geven van de kopstoot.
Bedreiging
De rechtbank zal de verdachte tot slot vrijspreken van het laatste gedachtestreepje van de tenlastelegging (de bedreiging), omdat uit de aangifte blijkt dat de tenlastegelegde woorden (verbale bedreiging) zouden zijn geuit door de moeder van de verdachte, via de telefoon. Omdat onvoldoende duidelijk is geworden welke rol de moeder van de verdachte heeft gespeeld en de verdachte daarom ook wordt vrijgesproken van het medeplegen, moet de verdachte hiervan worden vrijgesproken.
Conclusie
De rechtbank zal het ten laste gelegde feit bewezen verklaren, met uitzondering van het in vereniging plegen van het feit en de laatste twee gedachtestreepjes die zien op de kopstoot en de bedreiging.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 12 maart 2025 te Delft,
met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld
[aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (€ 200,-),
dat aan die [aangever] toebehoorde, door die [aangever]
- met de vuist te slaan tegen zijn linkerzij en op zijn linkeroog.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straffen

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht en een voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie vraagt daarbij om als bijzondere voorwaarde een locatieverbod rondom de woning van het slachtoffer op te leggen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman vraagt om de verdachte geen (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen, maar hoogstens een deels voorwaardelijke taakstraf, bijvoorbeeld 100 uren waarvan 60 voorwaardelijk. De verdediging ziet geen aanleiding voor een locatieverbod, maar als de rechtbank dat wel ziet, verzoekt de verdediging om een contactverbod op te leggen in plaats van een (te ruim) locatieverbod, omdat de verdachte in dezelfde stad woont als de aangever.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft het slachtoffer plotseling in zijn woning aangevallen en meerdere malen geslagen, omdat volgens hem de aangever zijn moeder had opgelicht en nog geld verschuldigd was. De verdachte heeft hiermee letsel en angst veroorzaakt bij het slachtoffer, die eten besteld had en dacht de deur open te doen voor alleen de bezorger. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij op deze gewelddadige manier heeft geprobeerd om een conflict op te lossen en zijn woede heeft geuit.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar strafbaar feit is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 19 mei 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de verdachte veel werkt bij een kapperszaak, veel sport en niet meer in aanraking is gekomen met de politie. De verdachte heeft met de reclassering gereflecteerd op de situatie en ziet in dat hij niet juist heeft gehandeld. De Raad ziet veel beschermende factoren en weinig risicofactoren en schat de kans daarom klein in dat de verdachte nogmaals een strafbaar feit zal plegen. De Raad adviseert om een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen, onder de algemene voorwaarde dat de verdachte geen strafbare feiten zal plegen.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank vindt dat er vanwege de ernst van het feit geen andere straf passend is dan een (voorwaardelijke) jeugddetentie. De rechtbank wil hiermee ook het signaal afgeven dat het onaanvaardbaar is om op deze manier geweld te gebruiken, ook als je door iemand (financieel) benadeeld bent. De rechtbank houdt er aan de andere kant rekening mee dat de verdachte het feit in een opwelling heeft gepleegd. Hij heeft goed kunnen reflecteren op zijn handelen en heeft tijdens de zitting verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. De rechtbank weegt ook mee dat het goed gaat met de verdachte en dat hij sinds dit feit niet meer in aanraking is gekomen met de politie. De rechtbank zal daarom een voorwaardelijke jeugddetentie van 38 dagen opleggen met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, onder de algemene voorwaarde dat hij geen strafbare feiten mag plegen. De rechtbank zal daarnaast een werkstraf opleggen van 60 uren, zodat de verdachte ook nu een consequentie ervaart van zijn gedrag.
Geen locatie- of contactverbod
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verdachte een locatie- of contactverbod met het slachtoffer op te leggen. De verdachte wist ook al vóór dit voorval (en de bestelling van het slachtoffer bij het sushi-restaurant) waar het slachtoffer woonde en heeft geen contact met hem gezocht. Ook sindsdien heeft de verdachte geen contact gezocht met het slachtoffer en hij zegt dat ook niet van plan te zijn. De rechtbank ziet geen reden om daaraan te twijfelen.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] , ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. Jagesar, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 19.869,25 althans € 19.421,10 te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering, die op 3 juni 2026 is aangevuld, ziet op € 3.869,25/€ 3.412,10 aan materiële schade en € 16.000,- aan immateriële schade. Ter zitting heeft mr. Jagesar benadrukt dat de vordering van 3 juni 2026 moet worden gezien als een aanvulling op de eerder door de heer [aangever] zelf ingediende vordering. In deze eerder ingediende vordering is ook verzocht om vergoeding van materiële schade van € 300,- aan gestolen geld. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, voor zover die ziet op de materiële schade van € 200,- voor het gestolen geld en de ziekenhuiskosten met uitzondering van de incassokosten. De officier van justitie vindt € 3.500,- immateriële schadevergoeding in dit geval billijk. De officier van justitie vraagt om de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De officier van justitie vraagt de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
7.2
Het standpunt van de verdediging
Namens de verdachte wordt verweer gevoerd tegen de materiële schadevergoeding.
De benadeelde partij heeft niet onderbouwd waarom er sprake zou zijn van € 300,- aan meegenomen geld in plaats van de € 200,- die in de aangifte is vermeld. Ook de kosten van de bril zijn niet onderbouwd en van de medische kosten is niet te achterhalen of die het gevolg zijn van het strafbare feit. De hoogte van de kosten voor de reiniging van het tapijt is niet onderbouwd. De verdediging verzoekt deze kosten te matigen tot een bedrag van € 150,-. Tegen de gevorderde € 16.000,- immateriële schadevergoeding wordt ook verweer gevoerd. Psychisch letsel kan niet objectief worden vastgesteld en de aangehaalde bedragen uit de Rotterdamse Schaal zijn onterecht aangehaald en bij elkaar opgeteld. De verdediging vindt een immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,- billijk.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade – meegenomen geld
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de € 200,- meegenomen geld, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van € 200,-. De rechtbank gaat uit van een bedrag van € 200,- en niet van € 300,-, omdat de benadeelde zelf in zijn aangifte spreekt over een meegenomen geldbedrag van € 200,- en niet nader is onderbouwd waarom hij in zijn vordering van een hoger bedrag uitgaat.
Materiële schade – tapijt
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij schade heeft geleden, nu het tapijt in de woning gereinigd moest worden, omdat daar bloed op zat. De benadeelde partij heeft het gevorderde bedrag (van € 484,-) niet met stukken onderbouwd. Omdat de rechtbank vaststelt dat er schade is geleden, maar de precieze omvang van de schade niet kan vaststellen, maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek).
De rechtbank stelt de schade vast op een bedrag van € 150,-. De rechtbank wijst de vordering voor het overige af.
Materiële schade – bril en ziekenhuiskosten
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot materiële schadevergoeding. De ziekenhuiskosten en de kosten voor de bril van de verdachte zijn door de verdediging betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kan niet vaststellen welke medische kosten er worden gevorderd en of die het rechtstreeks gevolg waren van het strafbare feit. Ook kan de rechtbank uit het dossier niet vaststellen of de bril van de benadeelde partij is beschadigd door het feit en wat die bril zou hebben gekost. In de aangifte is niet gesproken over een bril die stuk zou zijn gegaan. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. De benadeelde heeft letsel opgelopen, namelijk in ieder geval een gebroken neus en verwondingen rond zijn oog. Daarnaast vindt de rechtbank het ook aannemelijk dat de benadeelde enige psychische schade heeft opgelopen, vanwege de aard en ernst van de normschending, omdat het slachtoffer onverwacht is afgeperst en daarbij klappen heeft gekregen in zijn eigen woning. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank van de gevorderde immateriële schade een bedrag van € 2.000,- toewijzen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Conclusie
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.350,-, bestaande uit € 350,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.350,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 maart 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen is gegrond op de artikelen:
36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

12.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
ten aanzien van feit 1:
afpersing;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
38 DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (de rechtbank gaat uit van
8 dagen), bij de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt, dat een gedeelte van die straf van
30 dagen,niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
een twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
veroordeelt de verdachte daarnaast tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
60 UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
30 DAGEN;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.350,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij een bedrag van € 2.350,-, bestaande uit € 350,- materiële schade en € 2.000,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 maart 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
wijst de vordering voor het overige af wat betreft de kosten die zien op de reiniging van het tapijt;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.350,- , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag door de
verdachte aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen en omgekeerd;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. van Die, kinderrechter, voorzitter,
mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter,
en mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.T. Verlinde, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2026.