Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De bewijsbeslissing
in verenigingmoet sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander. Uit het dossier blijkt niet dat er sprake was van zo’n samenwerking tussen de verdachte en de bezorger die volgens de aangever bij de deur bleef staan. Op de beelden van het sushi-restaurant is zichtbaar dat de verdachte met de medeverdachte [medeverdachte] praat, maar het is onduidelijk waarover. Ook uit de rest van het dossier blijkt niet dat de medeverdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde feit. Uit het dossier blijkt ook onvoldoende dat iemand anders, bijvoorbeeld de moeder van de verdachte, een rol heeft gehad van voldoende gewicht. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het ‘in vereniging’ plegen van het feit.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De op te leggen straffen
7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft niet onderbouwd waarom er sprake zou zijn van € 300,- aan meegenomen geld in plaats van de € 200,- die in de aangifte is vermeld. Ook de kosten van de bril zijn niet onderbouwd en van de medische kosten is niet te achterhalen of die het gevolg zijn van het strafbare feit. De hoogte van de kosten voor de reiniging van het tapijt is niet onderbouwd. De verdediging verzoekt deze kosten te matigen tot een bedrag van € 150,-. Tegen de gevorderde € 16.000,- immateriële schadevergoeding wordt ook verweer gevoerd. Psychisch letsel kan niet objectief worden vastgesteld en de aangehaalde bedragen uit de Rotterdamse Schaal zijn onterecht aangehaald en bij elkaar opgeteld. De verdediging vindt een immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,- billijk.
De rechtbank stelt de schade vast op een bedrag van € 150,-. De rechtbank wijst de vordering voor het overige af.
10.De toepasselijke wetsartikelen
12.De beslissing
jeugddetentievoor de duur van
38 DAGEN;
8 dagen), bij de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
30 dagen,niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
een twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
60 UREN;
30 DAGEN;