ECLI:NL:RBDHA:2026:17633

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33449
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 106 VwArt. 94 VwArt. 5.6 VbArt. 5.7 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vw

Eiser is op 15 juni 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en vordert tevens een schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 behandeld en beoordeelt of de maatregel voldoet aan de wettelijke voorwaarden en of een lichter middel mogelijk was.

De maatregel is gebaseerd op de a-grond (onvoldoende zekerheid over identiteit/nationaliteit) en de b-grond (noodzaak tot verkrijgen van gegevens voor asielaanvraag). De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit, geen identiteitsdocumenten bezit en dat er een reëel risico op onderduiken bestaat. De minister heeft bovendien voldoende gemotiveerd waarom geen minder dwingende maatregel passend is.

Eiser voert aan dat zijn medische omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen en dat hij ongeschikte medicatie ontvangt. De rechtbank oordeelt dat de minister deze omstandigheden voldoende heeft betrokken en dat medische zorg in het detentiecentrum adequaat is. Ook is er voldoende voortvarendheid in de afhandeling van de asielprocedure, met een gepland asielgehoor op 25 juni 2026.

De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is opgelegd, dat geen lichter middel passend is en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33449

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. T. Esen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K. Nuninga).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring [1] die aan eiser is opgelegd. De maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw [2] . Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [3]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser op 15 juni 2026 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. [4] Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Esen. Ook is een tolk verschenen. De gemachtigde van eiser nam via een videoverbinding (Teams) deel aan de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De bewaring is gebaseerd op de a-grond en de b-grond van artikel 59b, eerste lid. De a-grond is aanwezig als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb [5] voordoen. [6] De b-grond is aanwezig als door de bewaring de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kunnen worden verkregen. Ook voor de b-grond geldt dat zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb moeten voordoen. [7]
3.1.
De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. In het besluit tot bewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de bewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. [8]
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. In de maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en daarnaast met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag (b-grond).
4.1
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt.;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend.;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
u. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
Voortraject
5. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat eiser, anders dan in het beroepschrift is vermeld, de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet bestrijdt. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de a-grond van artikel 59b, van de Vw is opgelegd. De minister stelt in de maatregel van bewaring terecht dat er onvoldoende zekerheid bestaat over de identiteit van eiser, omdat hij niet in bezit is van identiteitsdocumenten. Dat eisers biometrische gegevens zijn geregistreerd in Eurodac en SIS [9] betekent nog niet dat zijn identiteit en nationaliteit vaststaan.
6.1.
Ook de b-grond van artikel 59b van de Vw is terecht toegepast. Als goed gemotiveerd is dat een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat [10] , vloeit daaruit voort dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is om gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Anders zouden die gegevens immers niet verkregen kunnen worden. [11] De rechtbank oordeelt hierna, onder 7, dat sprake is van een risico op onttrekking.
Gronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel zijn opgenomen inhoudelijk niet betwist. De gronden zijn voldoende feitelijk toegelicht en voor zover nodig is ook het bestaan van een onderduikrisico nader toegelicht. [12] Deze gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een onderduikrisico bestaat.
Lichter middel
8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Zoals hierboven genoemd is de rechtbank van oordeel, dat de gronden de maatregel kunnen dragen en dat hiermee het risico tot onttrekken aan het toezicht vaststaat. [13] Eiser stelt desondanks dat een lichter middel volstaat, omdat hij graag vrij wil zijn, naar Ter Apel kan en dat hij wil werken voor zijn familie in Algerije. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht in zijn overwegingen betrokken dat het gedrag van eiser geen aanleiding geeft tot het toepassen van een lichter middel. Zo is eiser op 15 februari 2024 met onbekende bestemming vertrokken, heeft hij eerder op 17 maart 2021 een terugkeerbesluit ontvangen en heeft hij hier tot op heden geen opvolging aan gegeven. Daarnaast is eiser sinds zijn asielaanvraag op 8 december 2020 niet in het bezit van identificerende documenten, heeft hij geen vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
8.1.
Eiser stelt daarnaast dat zijn medische omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen en dat deze niet specifiek op hem van toepassing zijn. Ook heeft eiser ter zitting aangedragen dat hij de medische dienst in het detentiecentrum heeft bezocht, hij geen en/of naar zijn inzicht geen geschikte medicatie krijgt voor de pijn die hij ervaart, slechts paracetamol.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. De rechtbank stelt voorop dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn klachten. De minister heeft er terecht op gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is, die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eiser opnieuw naar de arts of de medische dienst in het detentiecentrum kan gaan als zijn medicatie niet afdoende is voor zijn klachten. Van persoonlijke omstandigheden die de maatregel onevenredig maken voor eiser is niet gebleken.
Voortvarend handelen
8. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister bij een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting. De handelingen die de minister wel moet verrichten zien op de afhandeling van de asielaanvraag. De termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden.
8.1.
Ter zitting heeft de minister toegelicht dat er voor eiser op 25 juni 2026 een asielgehoor staat gepland. Naar het oordeel van de rechtbank wordt er hiermee voldoende voortvarend aan de afhandeling van de asielaanvraag van eiser gewerkt.
Zicht op uitzetting
9. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 [14] heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.

Conclusie

10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [15]
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tiggelaar, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Hierna: bewaring.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
5.Vreemdelingenbesluit 2000.
6.Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb.
7.Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb.
8.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
9.Schengen Informatie Systeem.
10.Zie artikel 5.6, tweede en derde lid, van het Vb.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4011).
12.Zie artikel 5.6, derde lid, van het Vb.
13.Zie artikel 5.1b, eerste en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
15.Zie ook het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.