ECLI:NL:RBDHA:2026:17653

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33867
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 94 VwArt. 106 VwArt. 44 AMBVArt. 5.6 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

Eiser, een Turkse vreemdeling, is op 17 juni 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Hij betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en vordert tevens een schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026 behandeld via telehoor, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren.

De minister heeft de bewaring opgelegd vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat binnen de AMBV en een onderduikrisico. De rechtbank stelt vast dat eiser meerdere gronden voor bewaring betwist, maar dat de feiten zoals het onrechtmatig binnenkomen van de EU, het niet meewerken aan identificatie, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en het ontbreken van voldoende middelen van bestaan feitelijk juist zijn. Deze gronden dragen de maatregel en rechtvaardigen het onderduikrisico.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht geen lichter middel heeft gekozen, mede gelet op de medische omstandigheden en de beschikbaarheid van adequate zorg in detentie. Voorts is voldoende voortvarendheid en zicht op overdracht aanwezig, met lopende claimverzoeken aan Kroatië en Zwitserland. De rechtbank wijst het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af, en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33867

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. S. Guman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring [1] die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [2] . Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser op 17 juni 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. [3] Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [4]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de AMBV [5] van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat, in bewaring stellen. [6] Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [7] Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. [8] De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. [9]
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMBV en er een onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de vreemdelingrechtelijke procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de AMBV. Zo zijn er voor eiser twee Eurodac-treffers voor Kroatië en Zwitserland.
Gronden
7. Eiser heeft alle aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden betwist. Voor de gronden a en c is voldoende dat zij feitelijk juist zijn. [10] Ten aanzien van grond a heeft eiser niet bestreden dat hij op 5 december 2025 zonder visum (via Kroatië) de EU [11] is ingereisd. Ook heeft hij in Nederland geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf. Daarmee is grond a feitelijk juist. Ook grond c is feitelijk juist, omdat eiser op geen enkele wijze handelingen heeft verricht ter verkrijging van identificerende documenten. De stelling van eiser dat hij vanwege zijn vrees voor de Turkse autoriteiten en zijn familie geen contact met hen wil, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De minister heeft ook grond p aan de maatregel ten grondslag kunnen leggen. In de maatregel is namelijk gemotiveerd dat eiser geen geldige identificerende documenten heeft getoond en ook geen melding heeft gemaakt van zijn illegale verblijf. Ook de gronden r en s kunnen aan eiser worden tegengeworpen, nu eiser niet staat ingeschreven in de BRP [12] en geen (eigen zelfstandige) middelen van bestaan heeft. Eisers stelling dat deze gronden niet aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd omdat hij een asielzoeker is, maakt dat oordeel niet anders. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gronden, in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat om een onderduikrisico aan te nemen.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven.
8.1.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de medische omstandigheden van eiser kenbaar en voldoende zijn betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft er in de maatregel op gewezen dat in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig is en dat, als deze zorg niet voldoende kan worden geboden, eiser kan worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
8.2.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Zo heeft de minister ter zitting aangegeven dat een claimverzoek aan Kroatië en Zwitserland is verzonden en dat van de Zwitserse autoriteiten inmiddels een ontvangstbevestiging is ontvangen.
Refoulementbeoordeling
10. Eiser voert aan dat in de maatregel van bewaring een refoulementbeoordeling in het kader van het arrest Adrar [13] ontbreekt.
10.1.
De rechtbank volgt dit standpunt niet en verwijst hiervoor naar de recente uitspraak van de Afdeling [14] van 12 juni 2026. [15] Nu er nog geen claimakkoord is en de minister daarom geen overdrachtsbesluit heeft genomen, hoeft in de maatregel van bewaring geen refoulementbeoordeling gemaakt te worden.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiser in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit. [16]
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Hierna: bewaring.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
5.Asiel- en migratiebeheerverordening.
6.Zie artikel 44 van Pro de AMBV, artikel 59a, eerste lid, van de Vw en artikel 5.6, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
7.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
8.Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMBV en artikel 59c, eerste lid, van de Vw.
9.Dit volgt uit artikel 59c, tweede lid, van de Vw.
10.Zie artikel 5.6, derde lid, van het Vb.
11.Europese Unie.
12.Basisregistratie personen.
13.Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
14.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
16.Zie het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.