ECLI:NL:RBDHA:2026:17657
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende motivering en onderzoek lichter middel
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser, met de Turkse nationaliteit, voerde aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. De rechtbank stelde vast dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar de mogelijkheid van een minder dwingende maatregel en dat de motivering in het besluit ontoereikend was.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig was vanaf het moment van opleggen en beval de opheffing van de maatregel met ingang van 25 juni 2026. Tevens werd een schadevergoeding van €1.320,- toegekend voor 11 dagen onrechtmatige bewaring en een proceskostenvergoeding van €1.868,- aan eiser toegewezen.
De uitspraak benadrukt het belang van een grondig en specifiek onderzoek naar minder ingrijpende maatregelen en een zorgvuldige motivering door de minister, conform de Vreemdelingencirculaire en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard, opgeheven en eiser krijgt een schadevergoeding en proceskostenvergoeding toegekend.