ECLI:NL:RBDHA:2026:17667

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.34426
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 28 VwArt. 8 VwArt. 5.6 VbArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel is gebaseerd op het risico dat eiser zich aan toezicht onttrekt en niet voldoet aan verplichtingen uit het vreemdelingenbesluit, wat een onderduikrisico inhoudt.

Eiser betwist de gronden voor de bewaring niet inhoudelijk, maar voert aan dat er geen zicht op uitzetting bestaat. De rechtbank stelt vast dat deze passage abusievelijk in de maatregel is opgenomen en laat deze buiten beschouwing. De overige gronden zijn voldoende en juist toegelicht.

Na ambtshalve toetsing concludeert de rechtbank dat de maatregel niet onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten.

De uitspraak is gedaan door rechter E.F. Bethlehem en griffier A.S.J.I. Hendrickx op 29 juni 2026 te Middelburg. Partijen kunnen binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34426

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 20 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
De rechtbank heeft het beroep gepland voor behandeling ter zitting op 25 mei 2026. Op die datum bleek het niet mogelijk om een beeldverbinding met het detentiecentrum tot stand te brengen, waardoor eiser niet aan de zitting kon deelnemen om gehoord te worden.
Partijen hebben na overleg ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend op 26 mei 2026. Op 26 mei heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 26 juni 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. [2] Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [3]
2. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
4. De beroepsgrond van eiser dat geen zicht op uitzetting bestaat, behoeft geen inhoudelijke bespreking. Verweerder heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat deze passage abusievelijk is opgenomen en deze laten vallen. Deze grond ligt daarom niet ter beoordeling voor.
5. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 29 juni 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb.