ECLI:NL:RBDHA:2026:17669

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33191
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid maatregel vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring die door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 behandeld, waarbij eiser niet ter zitting is verschenen en zijn gemachtigde zich had afgemeld. De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of de maatregel onrechtmatig was en concludeert dat dit niet het geval is.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tevens krijgt eiser geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter P.L.C.M. Ficq en griffier B.S. Beens.

De uitspraak bevat tevens informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na verzending of plaatsing van de uitspraak in het digitale dossier.

De rechtbank verwijst naar relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie die de procedure en rechtspositie van vreemdelingenbewaring verduidelijkt.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.33191

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Stap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 14 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser heeft een formulier
afstandsverklaring ondertekend waarin hij te kennen geeft dat hij niet ter zitting wenst te verschijnen. De gemachtigde van eiser heeft zich met een bericht afgemeld voor de zitting.

Overwegingen

3. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1994.
4. Eiser refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen of het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig was. [2]
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Zie het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858, en van 4 september 2025 in de zaak GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-31 3/25 PPU (Adrar), ECLI:EU:C :2025:647.