ECLI:NL:RBDHA:2026:17671

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33194
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 44 AMbVArt. 41 AMbVArt. 5.6 VbArt. 5.5 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is op 14 juni 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is opgelegd vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat en een onderduikrisico, gebaseerd op meerdere gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen, onvoldoende medewerking aan vaststelling identiteit, het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.

Eiser betwist de inhoudelijke gronden niet, maar voert aan dat een lichter middel zoals een meldplicht of verblijf in een AZC had moeten worden toegepast en dat de minister onvoldoende voortvarend is in de overdracht. De rechtbank oordeelt dat de gronden feitelijk juist en voldoende zijn toegelicht, en dat het onderduikrisico daarmee aannemelijk is. De minister heeft terecht geen lichter middel toegepast, mede gelet op het ontbreken van vaste woonplaats en middelen, en het feit dat eiser heeft verklaard te stelen om in levensonderhoud te voorzien.

Verder is gebleken dat de minister voldoende voortvarend handelt: een claimverzoek is tijdig ingediend en door Oostenrijk aanvaard. De rechtbank ziet geen medische of persoonlijke omstandigheden die bewaring onevenredig maken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33194

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 14 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. H. Palanciyan als waarnemer van de gemachtigde van eiser, D. Dahman als tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

3. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1985.
4. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van Pro de AMbV. [2] Op grond van het Vreemdelingenbesluit (Vb) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMbV, indien er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde
. [3] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [4]
5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMbV en er een onderduikrisico bestaat.
5.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en zijn voldoende om een onderduikrisico aan te nemen.
7. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht of verblijf in een AZC.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de bewaringsgronden de maatregel kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Daarvoor is onder meer van belang dat eiser niet beschikt over een vaste woon- of verblijfsplaats en/of voldoende middelen van bestaan. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser onder meer verklaard dat hij uit winkels of uit auto’s steelt om aan geld te komen en zo in zijn dagelijkse behoeften te voorzien. De rechtbank is verder niet gebleken dat sprake is van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bewarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om een lichter middel dan bewaring op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Ook voert eiser aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser. Op dit moment zit er geen claimakkoord in het dossier, terwijl de termijn binnen vijf dagen afloopt. Eiser verwijst daarbij naar artikel 41 van Pro de AMbV.
8.1.
Anders dan eiser betoogt werkt de minister wel voldoende voortvarend aan de overdracht van eiser en bestaat daar wel zicht op. De minister heeft ter zitting toegelicht dat er op 17 juni 2026 een claimverzoek is ingediend bij de autoriteiten van Oostenrijk. Dit verzoek is vervolgens op 23 juni 2026 door Oostenrijk aanvaard. Aangezien het claimakkoord op de ochtend van de zitting is ontvangen, is deze nog niet aan het dossier toegevoegd. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.
3.Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.
4.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
5.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.