ECLI:NL:RBDHA:2026:17672

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.26001
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor behoud leefgeld en opvang Oekraïense ontheemde

Verzoeker, een Oekraïense ontheemde geboren in 2007, ontving op 22 april 2026 bericht van de Gemeente Utrecht dat hij niet langer als ontheemde onder de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne werd aangemerkt en daardoor geen recht meer had op opvang en leefgeld. Op 7 mei 2026 werd aan zijn gemachtigde meegedeeld dat de opvang en verstrekkingen per 15 mei 2026 zouden worden beëindigd. Verzoeker diende daarop een verzoek om voorlopige voorziening in om gedurende de bezwaarprocedure aanspraak te houden op leefgeld, opvang en andere verstrekkingen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verzoeker om opvang en leefgeld te behouden zwaarder woog dan het belang van de minister om deze te beëindigen. Gezien de overvolle opvanglocaties en het risico dat verzoeker op straat zou komen te staan, werd het verzoek toegewezen. De minister is verplicht verzoeker te behandelen alsof hij onder de reikwijdte van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt, totdat op het bezwaar is beslist, met een maximale duur van twee weken na de beslissing op bezwaar.

Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.868,- aan verzoeker. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en beveelt de minister verzoeker te behandelen als tijdelijk beschermde met behoud van leefgeld en opvang tot beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.26001
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 2007, van Oekraïense nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. T.E. van Houwelingen-Boer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. R. Helmus).

Procesverloop

Op 22 april 2026 heeft verzoeker een brief ontvangen van de Gemeente Utrecht dat hij, nu hij niet wordt aangemerkt als ontheemde zoals bedoeld in de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne, geen recht meer heeft op opvang en de daaraan verbonden verstrekkingen zoals het ontvangen van leefgeld.
Op 7 mei 2026 heeft de Gemeente Utrecht aan de gemachtigde van verzoeker laten weten dat de opvang en daaraan verbonden verstrekkingen worden beëindigd per 15 mei 2026. Diezelfde dag heeft verzoeker onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, ertoe strekkende dat verzoeker hangende het bezwaar tegen het besluit van 13 april 2026 beschouwd wordt als tijdelijk beschermde en daardoor aanspraak blijft houden op leefgeld, opvang en andere verstrekkingen.
De minister heeft op 11 mei 2026 op het verzoekschrift gereageerd.
Op 13 mei 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats een ordemaatregel getroffen dat verzoeker wordt behandeld als ware hij valt onder de reikwijdte van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en daarmee aanspraak blijft houden op leefgeld, opvang en andere verstrekkingen totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door een waarnemer van zijn gemachtigde, mr. L. Haenen. Als tolk was ter zitting aanwezig F. Batalova. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat de minister verzoeker aldus dient te behandelen als ware hij valt onder de reikwijdte van de RTB en daarmee aanspraak blijft houden op leefgeld, opvang en andere verstrekkingen, totdat op het bezwaar is beslist;
  • bepaalt dat deze voorziening geldt tot uiterlijk twee weken na de beslissing op bezwaar;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.

Overwegingen

1. Verzoeker wordt vrijgesteld van de verplichting griffierecht te betalen.
2. Gebleken is dat op 7 mei 2026 de Gemeente Utrecht aan de gemachtigde van verzoeker heeft laten weten dat de opvang van verzoeker en daaraan verbonden verstrekkingen worden beëindigd per 15 mei 2026. Daarmee heeft verzoeker een spoedeisend belang bij zijn verzoek.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt in deze zaak het belang van verzoeker om gedurende de behandeling van zijn bezwaar opvang en de daaraan verbonden verstrekkingen te behouden, zwaarder dan het belang van de minister om deze voorzieningen reeds daarvoor te beëindigen. Voorkomen moet worden dat verzoeker op straat terechtkomt. Dit risico wordt versterkt doordat, zelfs indien verzoeker zijn asielverzoek zou formaliseren, de kans reëel is dat hij geen opvangplaats zal krijgen en buiten moet slapen. Gelet op signalen van het COA over overvolle opvanglocaties blijkt immers dat personen, waaronder alleenstaande jonge mannen zoals verzoeker, noodgedwongen buiten bij het aanmeldcentrum dreigen te moeten overnachten. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen. De minister wordt verboden om de opvang en de daaraan verbonden verstrekkingen te beëindigen tot uiterlijk twee weken na de beslissing op het bezwaar.
4. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De voorzieningenrechter stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
5. De voorzieningenrechter heeft partijen mondeling meegedeeld dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.
Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026 door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.