ECLI:NL:RBDHA:2026:17687

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2612143:R-RK en NL:TZ:2612176:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot oplegging dwangakkoord ondanks weigering grootste schuldeiser

Verzoeker bevindt zich in een problematische schuldensituatie met een totale schuldenlast van €99.576,14 verdeeld over zestien schuldeisers. Hij heeft een schuldregeling voorgesteld waarbij een deel van de vorderingen wordt voldaan en het restant wordt kwijtgescholden. Vijftien schuldeisers hebben ingestemd, maar ELQ, de grootste schuldeiser met 65,33% van de schuld, weigert mee te werken.

De rechtbank heeft het verzoek tot oplegging van een dwangakkoord behandeld. De schuldbemiddeling is uitgevoerd door een bevoegde instantie, de gemeente, en het voorstel is goed gedocumenteerd. De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het onredelijk is dat ELQ weigert in te stemmen, mede omdat verzoeker de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, uitsluitend AOW ontvangt en het voorstel het maximaal haalbare is.

De rechtbank overweegt dat hoewel ELQ een groot deel van de schuld vertegenwoordigt, de wet geen bijzondere positie aan deze schuldeiser toekent. De meerderheid van de schuldeisers heeft ingestemd en ELQ heeft geen verweer gevoerd. Bovendien is de schuld aan ELQ al deels afgelost via beslag op het inkomen van verzoeker.

Het dwangakkoord leidt tot een gunstiger resultaat voor alle schuldeisers dan de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP), die hogere kosten met zich meebrengt. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot toelating tot de WSNP af. De rechtbank beveelt ELQ om in te stemmen met de schuldregeling en legt het dwangakkoord op.

Uitkomst: De rechtbank legt een dwangakkoord op en beveelt de grootste schuldeiser mee te werken aan de schuldregeling.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Toezicht
rekestnummers: NL:TZ:2612143:R-RK en NL:TZ:2612176:R-RK
vonnis van 15 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [verzoeker],
tegen
ELQ Portefeuille B.V., vertegenwoordigd door De Best & Partners,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: ELQ.
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Hij heeft een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers, waarbij een deel van de vordering(en) wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeiser wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De feiten waar de rechtbank van uit gaat

1.1.
[verzoeker] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van € 99.576,14 aan zestien schuldeisers. Het is [verzoeker] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de [gemeente] heeft hij voor het laatst op 23 oktober 2025 een schuldregeling aangeboden (saneringsakkoord). Dit voorstel houdt in dat aan de schuldeisers met een recht van voorrang een uitkering ineens wordt aangeboden van 3,09% en aan de gewone schuldeisers een uitkering ineens van 1,54%, tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen.
1.2.
ELQ is als enige schuldeiser niet akkoord gegaan met dit voorstel. [verzoeker] heeft een schuld aan ELQ van € 65.057,12, dat is 65,33% van de totale schuldenlast.
1.3.
De overige vijftien schuldeisers hebben het aanbod aanvaard.
1.4.
Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil hij dat de rechtbank ELQ dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil hij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).

2.De procedure

2.1.
De verzoeken van [verzoeker] zijn behandeld op de zitting van 10 juni 2026. Op deze zitting verschenen:
- [verzoeker],
- mevrouw [naam 1], schuldhulpverlener van de [gemeente],
- mevrouw [naam 2], schuldhulpverlener van de [gemeente],
- de heer [naam 3], beschermingsbewindvoerder van [verzoeker].
2.2.
ELQ is opgeroepen, maar niet op de zitting verschenen.
2.3.
Naar aanleiding van hetgeen tijdens de zitting is besproken, heeft de rechtbank [verzoeker] in de gelegenheid gesteld zijn verzoek tot oplegging van een dwangakkoord nader te onderbouwen met aanvullende stukken.
2.4.
De rechtbank heeft op 12 juni 2026 aanvullende stukken ontvangen van mevrouw [naam 1].
2.5.
De rechtbank heeft bepaald (uiterlijk) 17 juni 2026 uitspraak te doen.

3.Standpunten van partijen

3.1.
[verzoeker] stelt dat het onredelijk is dat ELQ het aanbod niet aanvaardt. Volgens hem heeft hij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden en kan hij niet meer aanbieden dan hij heeft gedaan.
3.2.
ELQ heeft haar standpunt niet kenbaar gemaakt aan de rechtbank.

4.De beoordeling van de verzoeken

4.1.
De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] om een dwangakkoord op te leggen toewijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat ELQ weigert in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De schuldbemiddeling moet zijn uitgevoerd door een bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door de [gemeente]. Dat betekent dat wordt voldaan aan de door wet gestelde voorwaarden, namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij. Het voorstel is naar het oordeel van de rechtbank bovendien goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
4.4.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen (van een (groot) deel) van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
4.5.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van [verzoeker] zelf, van de weigerende schuldeiser(s) en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier op zijn plaats is.
[verzoeker] heeft het maximaal haalbare voorstel gedaan
4.6.
Het voorstel dat [verzoeker] aan zijn schuldeisers heeft gedaan is het maximaal haalbare. Een beter voorstel is niet mogelijk. [verzoeker] heeft de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt en ontvangt uitsluitend een AOW-uitkering. Het aangeboden voorstel is daarop gebaseerd. Er zijn geen aanwijzingen dat zijn inkomen in de toekomst zodanig zal stijgen dat hij meer afloscapaciteit zal krijgen. Daarom is niet te verwachten dat de schuldeisers een hogere uitkering zullen ontvangen dan op grond van het aangeboden voorstel. Verder is [verzoeker] is op 15 januari 2025 onder beschermingsbewind gesteld. De vaste lasten worden betaald, er ontstaan geen nieuwe schulden en de financiële situatie is stabiel.
Deze regeling is in het belang van de andere schuldeisers
4.7.
De vordering van ELQ bedraagt met 65,33% een aanzienlijk deel van de totale schuldenlast. Dat brengt aan de ene kant mee dat niet snel kan worden geoordeeld dat het onredelijk is dat ELQ heeft geweigerd met de schuldregeling in te stemmen. Tegelijk kent de wet niet een bijzondere positie toe aan schuldeisers die een groot deel van de schuldenlast vertegenwoordigen. De rechtbank kan dus het dwangakkoord ook toewijzen wanneer de weigerende schuldeiser het grootste deel van de schuldenlast vertegenwoordigt. In dit geval is van belang dat de meerderheid van de schuldeisers (namelijk vijftien van de zestien schuldeisers), die samen (ruim) 34,67% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, wél met de aangeboden regeling hebben ingestemd.
Daar komt bij dat ELQ geen verweer heeft gevoerd, dat de schuld aan ELQ al geruime tijd geleden is ontstaan (in 2013) en dat er al op deze schuld is afgelost via beslag op het inkomen van [verzoeker].
4.8.
Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken blijkt dat het dwangakkoord voor alle schuldeisers tot een gunstiger resultaat leidt dan de WSNP. Toepassing van de WSNP leidt tot hoge kosten, doordat de vergoeding van de bewindvoerder uit het gespaarde saldo wordt voldaan. Hierdoor blijft een lagere uitkering voor de schuldeisers over. Het aangeboden akkoord wordt op korte termijn aan de schuldeisers overgemaakt, zodat zij het dossier kunnen sluiten.
Het WSNP-verzoek is niet langer aan de orde
4.9.
Omdat het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord zal worden toegewezen, heeft [verzoeker] geen belang meer bij zijn verzoek om te worden toegelaten tot de WSNP. Dat verzoek zal daarom worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt ELQ in te stemmen met de onder 1.1 bedoelde schuldregeling;
- wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.
Dit is een beslissing van mr. M. van Nooijen, rechter, in samenwerking met C. Groesbeek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026 (bij vervroeging).
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die in het ongelijk is gesteld gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.