ECLI:NL:RBDHA:2026:17693

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.14169 en NL26.14171
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 17 DublinverordeningArt. 12 DublinverordeningVreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen overdracht aan Frankrijk op grond van Dublinverordening

Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van 12 maart 2026 waarin hun asielaanvragen niet in behandeling zijn genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eisers stelden dat overdracht aan Frankrijk hun gezondheid zou schaden, met name vanwege de kwetsbare situatie van eiseres die hoogzwanger is en haar zoon met psychische klachten.

De rechtbank oordeelt dat eisers onvoldoende medische stukken hebben overgelegd om aannemelijk te maken dat overdracht leidt tot een reëel en bewezen risico op aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van hun gezondheid. De medische klachten zijn niet onderbouwd met specialistische behandelingen en er is geen bewijs dat de medische zorg in Frankrijk ontoereikend is. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waardoor mag worden uitgegaan van vergelijkbare medische voorzieningen in Frankrijk.

Verder is niet gebleken dat eisers bijzondere kwetsbaarheid hebben die aanvullende individuele garanties vereist. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat Frankrijk gezinnen opvangt en noodzakelijke hulp biedt. Ook is vermeld dat medische gegevens met toestemming worden overgedragen. De rechtbank concludeert dat de asielaanvragen terecht niet in behandeling zijn genomen en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de overdracht aan Frankrijk op grond van de Dublinverordening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14169 en NL26.14171

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer 1]

en

[eiseres] , eiseresV-nummer: [V-nummer 2]

Mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen,
[eiser 2], V-nummer: [V-nummer 3] ,
[eiser 3], V-nummer: [V-nummer 4]
hierna samen: eisers
(gemachtigde: mr. H.C. van Asperen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.E. Joseph).

Procesverloop

Bij besluiten van 12 maart 2026 (de bestreden besluiten) zijn de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen als tolk [tolk] .

Overwegingen

Eisers zijn respectievelijk geboren op [geboortedag 1] 1986, [geboortedag 2] 1989, [geboortedag 3] 2018 en [geboortedag 4] 2020 en hebben de Soedanese nationaliteit. Zij hebben op 12 november 2025 asielaanvragen ingediend in Nederland.
Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Uit EU-VIS is gebleken dat de Franse autoriteiten aan eiser een visum hebben verstrekt dat geldig is van 26 oktober 2025 tot 24 april 2026. Ook blijkt uit EU-VIS dat de Franse autoriteiten aan eiseres een visum hebben verstrekt. Dit visum was geldig van 14 mei 2025 tot 13 november 2025. De visa van eisers waren daarmee geldig ten tijde van de indiening van hun asielaanvragen in Nederland. Nederland heeft Frankrijk op 9 december 2025 verzocht om eisers over te nemen. Frankrijk heeft deze verzoeken op 9 februari 2026, op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening [2] aanvaard.
3. Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten en voeren daartoe het volgende aan. Een overdracht aan Frankrijk leidt voor eiseres en haar zoon tot verslechtering van hun gezondheidssituatie. In de eerste drie maanden na de overdracht aan Frankrijk zullen eisers als volwassenen verstoten zijn van niet-urgente medische behandelingen en zorg. Voor de kinderen van eisers is alleen fysieke medische zorg aanwezig. Eisers verwijzen hierbij naar een AIDA-rapport Frankijk update 2024. Eiseres is hoogzwanger, heeft een historie van miskramen en heeft daarnaast aan psychische trauma gerelateerde klachten. De zoon van eisers ervaart spannings- en stressklachten en ontvangt wekelijkse begeleiding van een ambulante jeugdwerker. Volgens deze jeugdwerker is het voor de zoon van eisers van groot belang dat stabiliteit en voorspelbaarheid in zijn leefomgeving behouden blijft. Deze zorg zal volgens het AIDA-rapport voor de zoon van eisers gedurende de hele asielprocedure in Frankrijk niet aanwezig zijn. Verweerder heeft onvoldoende beoordeeld welke gevolgen een overdracht aan Frankrijk voor eisers kunnen hebben gelet op de gezondheidstoestand en onomkeerbare gevolgen van de overdracht. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat vanwege de bijzondere kwetsbaarheid van dit gezin moet worden afgezien van een overdracht aan Frankrijk, dan wel dat vooraf garanties moeten worden gevraagd en verkregen voor wat betreft de opvang en de medische behandeling. Verweerder heeft daarbij onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de kinderen en het ongeboren kind van eisers.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet is in geschil dat verweerder ten aanzien van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
5. Uit het arrest C.K. [3] volgt dat het aan eisers is om met medische stukken aannemelijk te maken dat hun overdracht leidt tot een reëel en bewezen risico op aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van hun gezondheidstoestand. Eisers zijn hierin niet geslaagd. Daarbij is van belang dat, ondanks het feit dat zowel eiseres als haar zoon medische klachten hebben, door eisers niet wordt betwist dat de zoon van eiseres niet onder medische behandeling staat. De overgelegde stukken ten aanzien van de medische klachten van eiseres geven geen inzicht in de specialistische behandeling van haar klachten. Ook blijkt uit de door eisers overgelegde stukken niet dat een overdracht aan Frankrijk zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van hun gezondheidstoestand. Voor zover eisers aanvoeren dat gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf in Frankrijk slechts urgente medische zorg aanwezig is, is niet gebleken dat dit zal leiden tot een onomkeerbare achteruitgang van hun gezondheidssituatie nu er voor eisers momenteel geen medische psychologische trajecten lopen. Ook verder is niet gebleken dat eiseres of haar zoon bijzonder ernstige medische problemen hebben, waardoor zij directe urgente zorg nodig hebben na een overdracht aan Frankrijk.
6. Eisers hebben bovendien niet nader onderbouwd dat Nederland het meest geschikte land is om hen te behandelen of dat de medische behandeling die zij nodig stellen te hebben niet in Frankrijk aanwezig en toegankelijk is. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag worden uitgegaan dat de medische voorzieningen in Frankrijk vergelijkbaar zijn met de medische voorzieningen in Nederland en dat deze ook ter beschikking staan van eisers als Dublinclaimanten. Gelet op het voorgaande is er geen reden om aan te nemen dat overdracht aan Frankrijk zal leiden tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie van eiseres of haar zoon. Van een situatie zoals bedoeld in het arrest C.K. is daarom niet gebleken.
7. Op grond van het [arrest] -arrest [4] dient verweerder, in het geval van bijzondere kwetsbaarheid van een vreemdeling, om individuele garanties te vragen voordat verweerder de vreemdeling overdraagt. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. Eisers zijn hier niet in geslaagd. Eisers hebben niet met concrete en objectieve stukken aannemelijk gemaakt dat zij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, geen toegang zullen hebben tot adequate zorg- en opvangvoorzieningen in Frankrijk. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt kunnen stellen dat de opvangvoorzieningen in Frankrijk onder andere gericht zijn op het opvangen van gezinnen en dat ook uit het door eisers aangehaalde AIDA-rapport niet volgt dat gezinnen in dit kader geen ondersteuning krijgen. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat van Frankrijk mag worden verwacht dat zij gezinnen opvangen en de hulp aanbieden die noodzakelijk is voor een gezin dat in een vluchtsituatie verkeert. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit en ter zitting vermeld dat op grond van artikel 32 van Pro de Dublinverordening, waar nodig en met toestemming van eisers, de relevante medische gegevens aan de Franse autoriteiten worden overgedragen alvorens de overdracht van eisers zal plaatsvinden. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voorafgaand aan de overdracht aanvullende individuele garanties had moeten verkrijgen.
8. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om de asielaanvraag van eisers onverplicht aan zich te trekken met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eisers hebben verder geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd, anders dan de omstandigheden die reeds zijn betrokken, die maken dat een overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt.
9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 25 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013
3.Arrest van het Hof van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127.
4.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.