ECLI:NL:RBDHA:2026:17694

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
702370
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • H.F.R. van Heemstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 UMVoArt. 10 lid 1 UModVoArt. 4 lid 1 UModVoArt. 5 lid 1 UModVoArt. 6 lid 1 UModVo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inbreuk op model- en merkrecht van stuiterbal met maanvorm en kraters

Waboba AB, houdster van een Uniemerk en Uniemodel voor een stuiterbal met een unieke multi-gefacetteerde maanvorm voorzien van kraters, vordert in kort geding dat UP International B.V. wordt verboden inbreuk te maken op haar intellectuele eigendomsrechten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het Waboba-Model geldig is: het is nieuw, heeft een eigen karakter en is niet uitsluitend technisch bepaald. UP's stuiterballen wekken dezelfde algemene indruk en maken daarmee inbreuk op het modelrecht. Ook het gebruik door UP van soortgelijke merktekens met de woorden 'moon' en 'ball' leidt tot verwarringsgevaar en vormt merkinbreuk.

De rechtbank wijst de vorderingen van Waboba toe, legt een verbod op verdere inbreuk binnen 48 uur na betekening, beveelt UP tot recall-acties en opgave van distributiegegevens, en legt dwangsommen op. UP wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: UP International wordt verboden inbreuk te maken op het model- en merkrecht van Waboba en veroordeeld tot dwangsommen en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer: C/09/702370 / KG ZA 26-333
Vonnis in kort geding van 3 juli 2026
in de zaak van
WABOBA AB,
te Stockholm (Zweden),
eiseres,
hierna te noemen: Waboba,
advocaat: mr. L.E. Fresco,
tegen
UP INTERNATIONAL B.V.,
te Waddinxveen,
gedaagde,
hierna te noemen: UP,
advocaat: mr. C.N. van den Heuvel.
1.1. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig, namens Waboba, haar advocaat mr. Fresco voornoemd, alsmede mr. I.M. ten Brink, advocaat te Amsterdam. UP werd bijgestaan door mr. Van den Heuvel voornoemd. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft Waboba een aantal van Waboba’s stuiterballen en van de stuiterballen van UP aan de voorzieningenrechter getoond.
1.2. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter tevergeefs geprobeerd partijen te bewegen tot het treffen van een minnelijke regeling.
1.3. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1.
Eiseres en gedaagde zijn producenten van speelgoed, specifiek van stuiterballen. Eiseres is houdster van een modelrecht op een stuiterbal die gekenmerkt wordt door vijf- en zeshoekige vlakken voorzien van uithollingen (‘kraters’). Eiseres biedt haar stuiterballen aan onder het merk MOON BALL. De voorzieningenrechter oordeelt dat gedaagde door het aanbieden van een gelijkende stuiterbal onder een soortgelijke naam inbreuk maakt op het modelrecht en het merkenrecht van eiseres.

3.De procedure

3.1.
Het procesdossier bevat de volgende stukken:
- de dagvaarding van 9 april 2026,
- de producties EP01 tot en met EP12 van Waboba,
- de conclusie van antwoord van UP,
- aanvullende kostenstaat van Waboba,
- producties GP01 en GP02 van UP,
- de mondelinge behandeling van 5 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van Waboba,
- de pleitnota van UP.

4.De feiten

4.1.
Waboba is een bedrijf in speelgoed, sport- en recreatieartikelen. Waboba heeft haar hoofdkantoor in Zweden, en heeft daarnaast vestigingen in de VS en China. De producten van Waboba worden wereldwijd verkocht. Eén van Waboba’s producten is een stuiterbal die zij verkoopt onder het merk MOON BALL. Ter illustratie dienen de volgende afbeeldingen:
4.2.
UP is een in Nederland gevestigde groothandel in speelgoed, die producten in heel Europa aanbiedt. UP handelt ook onder de naam Johntoy.
4.3.
Waboba is houdster van een Uniemerkregistratie voor het woordmerk MOON BALL (hierna: het Waboba-Merk), met aanvraagdatum 21 juli 2011 en registratiedatum 30 november 2011 onder registratienummer 010140242. Het merk is geregistreerd voor klasse 28 (‘Games and playthings; balls for games, play and sports; gymnastic and sporting articles not included in other classes’).
4.4.
Waboba is tevens houdster van een Uniemodel, ingeschreven op 21 juli 2011 onder registratienummer 015119398-000. Het model is ingeschreven in klasse 21.02 voor ‘balls’ (hierna: het Waboba-Model). Bij de modelinschrijving horen de volgende afbeeldingen:
4.5.
Waboba heeft proefaankopen gedaan van stuiterballen die in Nederland en Duitsland werden aangeboden door wederverkopers van UP onder de benamingen “Moon Ball”, “Rainbow moon” en/of “bouncing moon”. Producent van deze stuiterballen zijn UP of Johntoy. Ter illustratie dienen de volgende afbeeldingen:
4.6.
Wederverkopers van UP in Nederland en Duitsland bieden varianten aan van dezelfde stuiterballen. Ter illustratie dienen de volgende afbeeldingen:
4.7.
Op 28 mei 2026 heeft Waboba een proefaankoop gedaan van een ‘Johntoy Gooi en vangspel maanbal met polsband’ via [website 1]. Ter illustratie dienen de volgende afbeeldingen:
4.8.
Eveneens op 28 mei 2026 heeft Waboba een proefaankoop gedaan van de ‘Johntoy Stuiterende maan 7 cm’, via [website 2]. Ter illustratie dienen de volgende afbeeldingen:

5.Het geschil

5.1.
Waboba vordert dat het de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag moge behagen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. Gedaagde te bevelen onmiddellijk na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis iedere inbreuk op het Merk van Waboba, het Model van Waboba en/of de auteursrechten van Waboba op de Moon Ball te staken en gestaakt te houden in de Europese Unie, dan wel subsidiair in Nederland, in het bijzonder het vervaardigen, aanbieden, verkopen, invoeren, uitvoeren of anderszins gebruiken dan wel openbaarmaken of verveelvoudigen van de Inbreukmakende Stuiterballen of het voor deze doeleinden in voorraad (laten) houden daarvan, en het aanbieden van dergelijke producten onder de aanduidingen “Moon” of “Moon Ball”;
B. Gedaagde te bevelen binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, aan haar professionele afnemer(s) in de landstaal van de betreffende afnemer een bericht met verzend- en ontvangstbevestiging te sturen met uitsluitend de navolgende inhoud en zonder bijschrift:
“De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van [invullen datum] geoordeeld dat Up International inbreuk maakt op de [merk-, model- en auteursrechten] van Waboba AB met stuiterballen die wij aan u hebben verkocht en/of geleverd (productcodes [__]).
Deze stuiterballen mogen derhalve niet langer worden aangeboden, verkocht of geleverd, dan wel gebruikt of in voorraad gehouden. Wij verzoeken u hierbij deze producten die u bij ons heeft besteld en/of geleverd, niet langer aan te bieden (on- of offline) en alle exemplaren daarvan die zich onder u bevinden aan ons te retourneren binnen zeven dagen na dagtekening van deze brief. Wij zullen de aankoopprijs en alle kosten in verband met de retournering van de producten aan u vergoeden.”
Dan wel een brief met zodanige inhoud of vorm als de Voorzieningenrechter in goede justitie zal bepalen, een en ander onder de verplichting om gelijktijdige kopieën van alle verzonden brieven te verschaffen aan de advocaten van Waboba;
C. Gedaagde te bevelen binnen eenentwintig dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis een volledige en waarheidsgetrouwe verklaring te verstrekken aan de advocaten van Waboba, vergezeld van alle relevante documenten ter staving van de juistheid van die verklaring, betreffende al hetgeen hen bekend is omtrent de herkomst en de distributiekanalen van de Inbreukmakende Stuiterballen, waaronder maar niet beperkt tot:
i. de volledige naam/namen en adres/adressen van alle producenten/leveranciers en
professionele afnemers van de Inbreukmakende Stuiterballen;
ii. het aantal Inbreukmakende Stuiterballen dat Gedaagde wanneer per producent/leverancier heeft ingekocht;
iii. het aantal Inbreukmakende Stuiterballen dat Gedaagde wanneer aan welke afnemer heeft verkocht;
iv. het totale aantal Inbreukmakende Stuiterballen dat Gedaagde nog op voorraad heeft en/of retour heeft of zal ontvangen van de conform sub B aangeschreven afnemers;
D. Gedaagde te veroordelen tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 5.000 per dag dat Gedaagde in strijd handelt met één of meer van de in sub A tot en met sub C gevorderde bevelen en verboden (een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend), dan wel, ter keuze van Waboba, van € 100 per in strijd met het bevel sub A verkochte betrokken product;
E. de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv binnen welke de eis in de hoofdzaak dient te worden ingesteld te bepalen op zes maanden na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis;
en
F. Gedaagde hoofdelijk te veroordelen in de volledige proceskosten van het geding ex artikel 1019h Rv, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro [1] over het totale bedrag vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der voldoening.
5.2.
Waboba legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Waboba is houdster van een Europese registratie voor het woordmerk MOON BALL. Door gebruik van de tekens “Moon Ball”, “Rainbow moon” en/of “bouncing moon” maakt UP inbreuk op het merkrecht van Waboba in de zin van artikel 9 lid 2 sub a en Pro/of b UMVo [2] . Waboba is tevens houdster van een Europese modelregistratie voor een bal. UP maakt inbreuk op het modelrecht van Waboba in de zin van artikel 10 lid 1 UModVo Pro [3] door het ter verkoop aanbieden van een model dat geen andere algemene indruk maakt op de geïnformeerde gebruiker dan het model van Waboba. Tot slot komt het auteursrecht op de Moon Ball aan Waboba toe, en UP maakt inbreuk op het auteursrecht van Waboba door een (vrijwel) identieke stuiterbal aan te bieden.
5.3.
UP voert verweer. UP concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Waboba, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Waboba met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Waboba in de kosten van deze procedure.
5.4.
UP voert het volgende aan. Waboba beschikt niet over de gepretendeerde rechten van Intellectuele Eigendom (IE). Het Model is niet nieuw, heeft geen eigen karakter en is technisch bepaald. Van aan Waboba toekomende auteursrechten is geen sprake, omdat haar product niet oorspronkelijk is en niet het persoonlijk stempel van Waboba (als maker) draagt. Het ontwerp is (te zeer) technisch bepaald.
5.5.
UP meent verder dat Waboba weliswaar rechtsgeldig houder is van de inschrijving van het merk MOON BALL, maar zij kan UP niet verbieden om de generieke aanduidingen Bouncing rainbow moon, Wrist turnball moon ball en/of Bouncing moon te gebruiken. Het merk MOON BALL enerzijds en de generieke aanduidingen van UP anderzijds zijn niet identiek, noch overeenstemmend, zodat er geen verwarring onder het in aanmerking komende c.q. relevante publiek is te duchten. Ook is de combinatie van de woorden ‘moon’ en ‘ball’ als woordmerk in aanzienlijke mate beschrijvend voor het stuitereffect wat de Moon Ball beoogt.
5.6.
Tot slot maakt UP bezwaar tegen de hoogte van de gevorderde dwangsommen.
5.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

6.De beoordeling

Bevoegdheid
6.1.
Voor zover Waboba aan haar vorderingen inbreuk op het Waboba-Model ten grondslag heeft gelegd, is deze rechtbank, gelet op de vestigingsplaats van UP in Nederland, internationaal en relatief bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van Waboba op grond van artikel 80 lid Pro 1, artikel 81 aanhef Pro en onder a en artikel 82 lid 1 UModVo Pro, in samenhang met artikel 3 van Pro de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de gehele Europese Unie.
6.2.
Voor zover Waboba aan haar vorderingen inbreuk op het Waboba-merk ten grondslag heeft gelegd, is de voorzieningenrechter van deze rechtbank internationaal en relatief bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van artikel 123 lid Pro 1, 124 aanhef en onder a en 125 lid 1 in combinatie met artikel 131 lid 2 UMVo Pro in samenhang met artikel 3 van Pro de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Uniemerk, nu UP woonplaats heeft in Nederland. Deze bevoegdheid strekt zich eveneens uit tot de gehele Europese Unie.
6.3.
Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op auteursrecht is de rechtbank bevoegd alleen al omdat haar bevoegdheid niet is bestreden. Deze bevoegdheid is beperkt tot Nederland.
Spoedeisend belang
6.4.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Waboba daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
6.5.
Naar vaste rechtspraak is sprake van voldoende spoedeisend belang bij een voortgaande inbreuk, zodat Waboba in deze procedure voldoende belang heeft bij een voorlopige voorziening. Overigens is de spoedeisendheid niet (voldoende) door UP bestreden.
Modelrecht
Geldigheid Waboba-Model
6.6.
Een Uniemodel wordt op grond van artikel 4 lid 1 UModVo Pro beschermd indien en voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft. Een ingeschreven Uniemodel wordt, gelet op artikel 5 lid 1 aanhef Pro en onder b UModVo, als nieuw beschouwd indien geen identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld vóór de datum van depot. Het publiek bestaat uit ingewijden in de betrokken sector die in de Europese Unie gevestigd zijn. Ingevolge artikel 6 lid 1 aanhef Pro en onder b UModVo wordt een ingeschreven Uniemodel geacht een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die vóór de eerdergenoemde datum voor het publiek beschikbaar zijn gesteld (het vormgevingserfgoed). Een recht op een Uniemodel geldt op grond van artikel 8 lid 1 UModVo Pro niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door de technische functie worden bepaald.
6.7.
De ‘geïnformeerde gebruiker’ is een gebruiker die niet slechts gemiddeld, maar in hoge mate aandachtig is, hetzij door zijn persoonlijke ervaring, hetzij door zijn uitgebreide kennis van de betrokken sector. Deze gebruiker is gepositioneerd tussen de – op het gebied van het merkenrecht gehanteerde – gemiddelde consument, van wie geen enkele specifieke kennis wordt verwacht en die de strijdige modellen in de regel niet rechtstreeks vergelijkt, en de vakman met grondige technische deskundigheid. Voor wat betreft het aandachtsniveau van deze geïnformeerde gebruiker betekent dit dat deze weliswaar niet de redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende gemiddelde consument is die een model gewoonlijk als een geheel waarneemt en niet op de verschillende details ervan let, maar dat het evenmin gaat om de vakman die in detail de minieme verschillen die mogelijkerwijs tussen de conflicterende modellen bestaan, kan onderscheiden [4] . Het betreft de gebruiker die, zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn, de in de betrokken sector bestaande verschillende modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau bij gebruik ervan. De voorzieningenrechter gaat op basis van de standpunten van partijen voor deze geïnformeerde gebruiker uit van zowel het algemene publiek, bestaand uit kinderen en hun ouders, als professionele afnemers in de Europese Unie (verkopers van speelgoed).
6.8.
UP heeft de nietigheid van het Waboba-Model opgeworpen en daartoe gesteld dat het Waboba-Model technisch bepaald is, niet nieuw is en geen eigen karakter heeft. De voorzieningenrechter hoeft niet van de geldigheid van het ingeroepen modelrecht uit te gaan, indien de gedaagde, in dit geval UP, in een procedure inzake voorlopige en beschermende maatregelen de nietigheid van het Uniemodel opwerpt (artikel 90 lid 2 UModVo Pro). De door UP opgeworpen nietigheidsargumenten dienen in deze procedure dan ook te worden betrokken bij de beoordeling van de gevorderde voorlopige voorzieningen.
6.9.
Een Uniemodel wordt op grond van artikel 4 lid 1 UModVo Pro beschermd indien en voor zover het
nieuwis en een
eigen karakterheeft. Een recht op een Uniemodel geldt op grond van artikel 8 lid 1 UModVo Pro niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door de
technische functieworden bepaald. De voorzieningenrechter zal hierna de geldigheid van het Waboba-Model beoordelen aan de hand van deze drie (cursief weergegeven) vereisten. De voorzieningenrechter gaat in deze procedure uit van de geldigheid van het Waboba-Model. Daartoe is het volgende redengevend.
De kenmerken van het Waboba-Model
6.10.
Waboba heeft betoogd dat het Waboba-model afwijkt van gebruikelijke ronde gladde balvormen doordat het een multi-gefacetteerde vorm met afgeronde hoeken heeft, waarbij de vlakken voorzien zijn van cirkelvormige ondiepe uitsparingen in twee verschillende groottes (‘kraters’). Twee aangrenzende hexagonvormige vlakken van het Waboba-Model zijn glad gelaten (zij zijn ‘kraterloos’). Het Waboba-model is zo ontworpen, dat het doet denken aan de maan of een ander hemelobject met kraters, aldus Waboba.
6.11.
De voorzieningenrechter sluit zich aan bij de beschrijving van Waboba. UP heeft de beschrijving ook niet bestreden.
Waboba-Model is niet uitsluitend technisch bepaald
6.12.
Partijen twisten in de eerste plaats over de vraag of de uiterlijke kenmerken van het Waboba-Model uitsluitend worden bepaald door de technische functie. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat dat niet het geval is en licht dat als volgt toe.
6.13.
Op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie moet bij de beoordeling of uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel uitsluitend door de technische functie van dat voortbrengsel worden bepaald, nagegaan worden of die functie de enige factor is die bepalend was voor die kenmerken, of dat er andere overwegingen, met name die met betrekking tot het visuele aspect van het voortbrengsel, een rol hebben gespeeld bij de keuze van die kenmerken. In dit verband is niet doorslaggevend of er alternatieve modellen zijn [5] . Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met alle relevante, objectieve omstandigheden van het specifieke geval [6] .
6.14.
UP stelt dat het Waboba-Model een zogenaamde ‘afgeknotte icosaëder’ is. Dit is een geometrische vorm die is opgebouwd uit een combinatie van grotere zeshoeken en kleinere vijfhoeken. Deze variatie is wiskundig noodzakelijk, omdat een gesloten bolvormig oppervlak niet uitsluitend uit identieke zeshoeken kan bestaan. Deze vorm is een bekende technische oplossing voor het creëren van een stabiel bolvormig oppervlak uit vlakke, veelhoekige panelen. Het gebruik van deze geometrie is noodzakelijk om de beoogde prestaties van het Waboba-Model te bereiken en laat geen ruimte voor creatieve vrijheid, aldus UP. UP meent bovendien dat volgens (de website van) Waboba zelf de prestaties van de Moon Ball worden gekenmerkt door de extreme stuiterhoogte, het kenmerkende 'plop'-geluid bij impact en de verbeterde grip en vangbaarheid. Dit zijn volgens UP functionele eigenschappen die direct voortvloeien uit de vorm en structuur van de bal. De op de bal geplaatste ‘kraters’ hebben (uitsluitend) deze functies tot doel, aldus steeds UP.
6.15.
Waboba betwist het betoog van UP door erop te wijzen dat de vorm van het Waboba-Model samen met de kratervormige uitsparingen in verschillende groottes associaties met hemellichamen wekt. Dit is volgens haar ingegeven door esthetische- en marketing-overwegingen en niet het gevolg van technische noodzaak, aldus Waboba.
6.16.
De voorzieningenrechter verwerpt het betoog van UP. De Moon Ball van Waboba is een zogenaamde ‘stuiterbal’. UP heeft niet aannemelijk gemaakt dat nu juist deze vorm bepalend is voor de ‘stuiterefficiëntie’ van de Moon Ball, en daarmee voor het technisch effect, te weten de zeer goede stuiterkwaliteit. Dit is ook door Waboba betwist. Zij stelt dat de stuiterefficiëntie het gevolg is van het gekozen materiaal en niet van de vorm. Naar voorshands oordeel is de enkele stelling dat het Waboba-Model een afgeknotte icosaëder is, dat wil zeggen: een wiskundige vorm, onvoldoende om het beroep van UP op de techniekexceptie te dragen. Wat daar immers ook van zij, het wiskundige aspect als zodanig maakt niet dat de vormgeving uitsluitend technisch is bepaald. Bovendien is het Waboba-Model niet uitsluitend een wiskundige vorm, maar heeft de ontwerper ook de kraters aangebracht, die geen verband hebben met de (al dan niet) icosaëderische aspecten.
6.17.
Tegenover de onderbouwde stellingen van Waboba dat het ontwerp van de ‘maanvorm’ of ‘hemellichaamvorm’ geen technische functie heeft, had het op de weg van UP gelegen om haar stellingen nader te onderbouwen. UP heeft geen voorbeelden overgelegd van andere hoekige stuiterballen met gelijke technische prestaties. Ook ontbreekt onderbouwing in de vorm van bijvoorbeeld een deskundigenrapport of informatie uit handboeken of relevante tijdschriften over de (bewezen) stuiterefficiëntie van deze specifieke wiskundige vorm.
6.18.
Tot slot heeft Waboba ook bestreden dat de kraters op haar stuiterbal technisch bepaald zijn, meer specifiek dat het kenmerkende ‘plopgeluid’ uitsluitend technisch bepaald is. Waboba heeft aangevoerd dat de zwarte kraters op de Moon Ball bedoeld waren om de indruk te versterken van een maan of planeet. Naar voorlopig oordeel heeft Waboba daarmee de stelling van UP voldoende weerlegd, zodat voorshands geoordeeld wordt dat het plopgeluid een bijkomstigheid is en niet het gevolg van vormgeving die uitsluitend dit technisch effect beoogde of heeft.
6.19.
De conclusie op dit onderdeel luidt dat het Waboba-Model naar voorlopig oordeel niet uitsluitend technisch is bepaald.
Het model heeft een eigen karakter
6.20.
Op dezelfde gronden als de technische overwegingen, meent UP dat het Waboba-Model een eigen karakter mist in de zin van artikel 6 UModVo Pro. Zoals al is besproken (zie r.o. 6.6) wordt een ingeschreven Uniemodel geacht een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die vóór de eerdergenoemde datum voor het publiek beschikbaar zijn gesteld (het vormgevingserfgoed).
6.21.
Omdat het Waboba-Model is ingeschreven voor ballen in het algemeen, kan als relevant vormgevingserfgoed iedere bal worden beschouwd die eerder voor het publiek beschikbaar is gesteld. UP heeft echter geen eerdere modellen overgelegd van (stuiter)ballen die dezelfde algemene indruk wekken als het Waboba-Model. UP heeft zelfs in het geheel geen vormgevingserfgoed overgelegd. De combinatie van een hoekige vorm en de kraters wordt zodoende door de voorzieningenrechter niet teruggevonden in het vormgevingserfgoed.
6.22.
De conclusie op dit onderdeel luidt daarom dat het Waboba-Model naar voorlopig oordeel in voldoende mate een eigen karakter heeft.
Het model is nieuw
6.23.
Op grond van artikel 5 lid 1 jo Pro. lid 2 UModVo wordt een model als nieuw beschouwd indien voor de aanvrage om inschrijving geen identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld, waarbij modellen worden geacht identiek te zijn indien de kenmerken ervan slechts in onbelangrijke details verschillen.
6.24.
UP heeft geen voorbeelden overgelegd van modellen van andere hoekige ballen die eerder voor het publiek beschikbaar zijn gesteld, zodat voorshands wordt geoordeeld dat het Waboba-Model nieuw is.
Conclusie ten aanzien van de geldigheid van het Model
6.25.
De voorzieningenrechter komt op grond van voorgaande overwegingen tot het voorlopige oordeel dat het Waboba-Model geldig is. Dit betekent dat – anders dan door UP is betoogd – er naar voorlopig oordeel geen sprake is van een serieuze, niet te verwaarlozen kans dat het Waboba-Model een eventuele door UP bij het EUIPO [7] ingestelde nietigheidsactie niet zal overleven.
Modelrechtinbreuk
Beschermingsomvang
6.26.
Daarmee komt de voorzieningenrechter toe aan de beoordeling van de vraag of de stuiterballen van UP binnen de reikwijdte vallen van de aan het Waboba-Model te ontlenen bescherming.
6.27.
Bij beoordeling van de gestelde inbreuk moet het volgende in aanmerking worden genomen. Volgens artikel 10 lid 1 UModVo Pro omvat de beschermingsomvang van een Gemeenschapsmodel elk model dat bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt. Volgens lid 2 wordt bij het beoordelen van de draagwijdte van de bescherming rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model. Bij de vergelijking is het model zoals ingeschreven in beginsel maatgevend voor de beschermingsomvang. Bij de beoordeling van de algemene indruk die door de betreffende modellen wordt gewekt, kunnen de daadwerkelijk verhandelde voortbrengselen in aanmerking worden genomen voor zover dit een bevestiging oplevert van wat uit het model zoals ingeschreven blijkt, dus enkel ter verduidelijking, om al eerder getrokken conclusies te bevestigen. [8] Tussen de beantwoording van de vragen of een model geldig is en wat de beschermingsomvang daarvan is, bestaat in die zin een verband dat, indien vaststaat dat een model geldig is, de beschermingsomvang daarvan (i) afhankelijk is van de afstand die bestaat tussen het model en eerdere soortgelijke modellen, en (ii) ten opzichte van latere modellen niet groter is dan de afstand die bestaat tussen het model en eerdere soortgelijke modellen. [9]
6.28.
Bij de beoordeling van de beschermingsomvang stelt de voorzieningenrechter voorop dat de inhoud van de inschrijving als geheel - voor de geïnformeerde gebruiker die het register raadpleegt, zoals deze hierboven nader is gedefinieerd in r.o. 6.7 - de algemene indruk bepaalt, en daarmee de beschermingsomvang van het model. [10]
6.29.
De voorzieningenrechter oordeelt voorshands dat een ontwerper van Waboba een beperkte mate van ontwerpvrijheid heeft, gelet op de gebruikelijke vorm van een stuiterbal (rond). In het licht van de algemeen bekende vorm van ballen heeft de ontwerper van het Waboba-Model echter in opvallende mate van die vrijheid gebruik gemaakt, hetgeen betekent dat het Waboba-Model een ruime beschermingsomvang toekomt.
De stuiterballen van UP maken inbreuk op het Waboba-Model
6.30.
Nu geoordeeld is dat het Waboba-Model geldig is en de beschermingsomvang is vastgesteld, komt de voorzieningenrechter toe aan de vraag of de stuiterballen van UP inbreuk maken op het Waboba-Model. Naar voorlopig oordeel is dit het geval, waartoe het volgende redengevend is.
6.31.
De voorzieningenrechter zal bij de beoordeling uitgaan van de door Waboba genoemde kenmerken voor zover deze de algemene indruk van het Waboba-Model bepalen (zie r.o. 6.10). Omdat Waboba ervoor heeft gekozen om haar model in zwart-wit te deponeren, kan de kleur van het Waboba-Model geen rol spelen bij de vergelijking met de stuiterbal van UP.
6.32.
Ter vergelijking van het Waboba-Model met de stuiterballen van UP heeft Waboba de volgende visuele vergelijking overgelegd:
6.33.
De algemene indruk zoals die wordt bepaald door de genoemde kenmerken van het Waboba-Model verschilt naar voorlopig oordeel niet van de algemene indruk van de stuiterbal van UP. Ook die stuiterbal wordt gekenmerkt door een multi-gefacetteerde vorm met 32 vlakken met afgeronde hoeken, waarbij de vlakken voorzien zijn van cirkelvormige, ondiepe, op kraters gelijkende uitsparingen in twee verschillende groottes. Net als het Waboba-Model wekt de stuiterbal van UP bewust associaties op met de maan of andere hemelobjecten door de gefacetteerde vorm met kraters. Dat de stuiterbal van UP wellicht iets afgeronder is dan het Waboba-Model en dat de kraters minder diep zijn, doet naar voorlopig oordeel niet af aan de overeenstemming met het Waboba-Model.
Conclusie modelrecht
6.34.
Uit bovenstaande volgt dat de stuiterballen van UP dezelfde algemene indruk wekken bij de geïnformeerde gebruiker als het Waboba-Model, zodat sprake is van inbreuk op het modelrecht van Waboba.
6.35.
De voorzieningenrechter oordeelt daarom voorshands dat de vorderingen van Waboba op grond van het haar toekomende modelrecht voor toewijzing gereed liggen.
Merkenrecht
UP maakt inbreuk op het Waboba-Merk
6.36.
Van inbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 aanhef Pro sub b UMVo, is sprake als het teken/de tekens (in dit geval de tekens “Moon”, “Bouncing Rainbow Moon”, “Epic-Bouncy Moon Ball”, “Epic Return Moon Ball”, “Bouncing Moon” en/of “Wrist Turnball Moon Ball”; samen ‘de UP-tekens’) gelijk is/zijn aan- of overeenstemt/-stemmen met het merk (in dit geval het MOON BALL-merk) en wordt/worden gebruikt met betrekking tot waren of diensten die gelijk zijn aan- of overeenstemmen met de waren of diensten waarvoor het merk is ingeschreven, indien daardoor bij het in aanmerking komende publiek van de desbetreffende waren of diensten (directe of indirecte) verwarring kan ontstaan. Daartoe dient eerst te worden beoordeeld in hoeverre sprake is van visuele, auditieve en/of begripsmatige overeenstemming tussen het merk zoals dat is ingeschreven en het teken zoals dat wordt gebruikt. Deze vergelijking is gebaseerd op de totaalindruk die het merk en het teken in het geheugen van het relevante publiek achterlaten, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de onderscheidende en dominante bestanddelen. In deze fase wordt geen rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de waren of diensten in de handel worden gebracht.
6.37.
Als sprake is van (een zekere mate van) overeenstemming, wordt vervolgens het verwarringsgevaar globaal beoordeeld, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de mate van overeenstemming tussen het merk en het teken, de mate van soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten, de onderscheidingskracht van het merk, de perceptie van het relevante publiek en de wijze waarop het merk en het teken in de praktijk worden gebruikt. Er moet sprake zijn van reëel verwarringsgevaar bij de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument van de betrokken waren of diensten. Er dient evenwel rekening mee te worden gehouden dat de gemiddelde consument slechts zelden de mogelijkheid heeft verschillende merken en/of tekens rechtstreeks met elkaar te vergelijken, maar aanhaakt bij het onvolmaakte beeld dat bij hem is achtergebleven. Bovendien kan het aandachtsniveau van de gemiddelde consument variëren naargelang de aard van de betrokken producten. [11] De voorzieningenrechter gaat voor het relevante publiek uit van zowel het algemene publiek, bestaand uit kinderen en hun ouders, als professionele afnemers in de Europese Unie, met een gemiddeld aandachtsniveau (zie ook r.o. 6.7).
Visuele, auditieve en begripsmatige overeenstemming
6.38.
De voorzieningenrechter oordeelt voorshands dat de UP-tekens in visueel- en in auditief opzicht grote overeenstemming vertonen met het Waboba-merk. Begripsmatig is er eveneens een grote mate van overeenstemming, zodat sprake is van inbreuk door UP op het merkrecht van Waboba. Dit voorlopig oordeel wordt als volgt toegelicht.
6.39.
Het Waboba-merk (MOON BALL) bestaat uit twee woorden. Het woord BALL is op zichzelf genomen beschrijvend (Engels voor bal). Dat is anders als het gaat om het woord MOON, dat niet beschrijvend is voor ballen. Weliswaar delen MOON (Engels voor maan) en een bal het kenmerk dat ze bolvorming zijn, maar dat enkele gegeven maakt MOON nog niet beschrijvend voor een bal. Aangezien de productklasse waarvoor het Waboba-merk is ingeschreven onder meer ‘balls for games’ betreft, is naar voorshands oordeel de aanduiding ‘moon’ het dominante bestanddeel, en is ‘balls’ het ondergeschikte, generieke deel. Het relevante publiek zal het moon-bestanddeel als het onderscheidende deel van het merk ervaren.
6.40.
In visueel, auditief en begripsmatig opzicht zijn de woorden ‘moon’ en/of ‘ball’ hetzelfde in het merk en het teken. De UP-tekens bestaan telkens uit een variatie op het Waboba-merk, in die zin dat het woord moon en/of ball wordt aangevuld met een al dan niet beschrijvende term. Voorbeelden zijn ‘Epic Return Moon Ball’ of ‘Bouncing Moon’. De door UP toegevoegde woorden veranderen niets wezenlijks aan de woorden ‘moon ball’, noch in auditief noch in visueel noch in begripsmatig opzicht. Zo is een ‘epic’
moon ballimmers wezenlijk gelijk aan een niet-‘epic’
moon ball. De voorzieningenrechter oordeelt daarom dat voorshands sprake is van een grote mate van visuele, auditieve en begripsmatige overeenstemming tussen merk en teken.
Verwarringsgevaar
6.41.
Gebruik door UP van de woorden ‘moon’ en ‘ball’ (in enige combinatie met een nadere aanduiding) voor haar (stuiter)ballen, betreft gebruik van een soortgelijk teken voor waren in dezelfde warencategorie als waarvoor het Waboba-Merk is ingeschreven. Het product van UP is bovendien niet slechts overeenstemmend maar gelijk aan het product van Waboba.
6.42.
Ook richt UP zich met haar stuiterballen op hetzelfde publiek als Waboba. Dit publiek betreft het algemene publiek, meer specifiek kinderen en hun ouders, zoals ook tijdens de mondelinge behandeling is bevestigd door Waboba. Van dit publiek kan niet verwacht worden dat het een grote mate van aandacht heeft voor de kleine verschillen in benaming tussen de ‘moon ball’ van Waboba en de ‘epic return moon ball’ (of andere ‘moon’-aanduidingen) van UP.
6.43.
Tot slot heeft UP opgeworpen dat op haar stuiterballen de aanduiding ‘moon’ of ‘ball’ ontbreekt. Waboba heeft dit echter voldoende weerlegd door onder meer verpakkingen van de UP-stuiterballen te tonen met de UP-tekens, alsmede proefaankopen te doen waaruit blijkt dat de UP-stuiterballen in voorkomend geval voorzien zijn van labels met een ‘moon’-aanduiding. Ter illustratie hiervan dienen de volgende afbeeldingen:
6.44.
Met het gebruik door UP van het dominante bestanddeel ‘moon’ en/of het gehele merk MOON BALL in een soortgelijk teken (onder meer ‘epic-bouncy moon ball’) voor dezelfde waren en bestemd voor hetzelfde publiek, is naar voorlopig oordeel het verwarringsgevaar gegeven.
Geen beschrijvend gebruik
6.45.
Anders dan UP meent, is het woord ‘moon’ niet beschrijvend voor een stuiterbal, ook niet wanneer die stuiterbal bewust associaties oproept met de/een maan en/of een ander hemellichaam. Het staat UP vrij om de geheel beschrijvende term ‘ball’ te gebruiken voor haar eigen stuiterballen, maar niet in combinatie met het woord ‘moon’. Het woord ‘moon’ is immers beschrijvend voor een maan en die beschrijving dekt niet tevens multi-gefacetteerd speelgoed. Zodoende is ook gebruik van ‘moon’ in de woordcombinatie ‘moon ball’ geen beschrijvend gebruik.
Conclusie merkenrecht
6.46.
De slotsom op dit onderdeel luidt dat naar voorlopig oordeel UP met de UP-tekens inbreuk maakt op de merkrechten van Waboba. De op het merkrecht gebaseerde vorderingen van Waboba zullen daarom worden toegewezen.
Auteursrecht
6.47.
Omdat de vorderingen van Waboba op grond van het modelrecht en het merkrecht zullen worden toegewezen, heeft zij geen belang bij de beoordeling van de auteursrechtelijke grondslag. De voorzieningenrechter laat dit derhalve onbesproken.
Vorderingen
6.48.
Teneinde executieproblemen te voorkomen, zal de ingangstermijn voor een verbod op verdere verhandeling door UP van de inbreukmakend geoordeelde stuiterballen worden gesteld op 48 uur na betekening van het vonnis.
6.49.
De vordering tot het verzenden door UP van brieven teneinde de inbreukmakende producten terug te halen bij tussenleveranciers en/of professionele afnemers (een zogenaamde ‘recall’) zal worden toegewezen.
6.50.
De vordering van Waboba tot opgave door UP van bepaalde bedrijfsgegevens met betrekking tot de inbreuk op de merk- en modelrechten van Waboba zal worden toegewezen voor zover die opgave betrekking heeft op het vaststellen van de omvang van de inbreuk. De opgave zal worden beperkt tot de specifiek door Waboba genoemde gegevens, aangezien de toevoeging “waaronder maar niet beperkt tot” in dit verband te onbepaald is en tot executiegeschillen aanleiding kan geven.
6.51.
UP voert verweer op de hoogte van de gevorderde dwangsommen. De
hoogte van de gevorderde dwangsom staat in geen enkele verhouding tot de aard en ernst van de beweerdelijk gestelde inbreuk, de omvang van de (eventuele) schade, en het economisch belang aan de zijde van Waboba, aldus UP. Waboba heeft voorshands voldoende onderbouwd dat de gevorderde bedragen redelijk zijn, en overigens komen zij de voorzieningenrechter niet buitenissig voor. De gevorderde dwangsommen zullen daarom worden toegewezen zoals gevorderd en zullen worden gemaximeerd, één en ander zoals nader in het dictum verwoord.
6.52.
De voorzieningenrechter zal de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv bepalen op zes maanden.
6.53.
Nu dit onbestreden is gevorderd, zal dit vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Proceskosten
6.54.
UP zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van Waboba. Waboba maakt aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv.
6.55.
Waboba heeft een specificatie van haar advocaatkosten tot een totaalbedrag van € 17.198, overgelegd. Teneinde de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, wordt aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie 1 februari 2026). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Onderhavige zaak valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder de categorie ‘normale zaak’ met een maximumtarief van € 18.000. De advocaatkosten aan de zijde van Waboba vallen binnen dit bedrag en zullen daarom op € 17.198 worden begroot. Dit bedrag wordt vermeerderd met het griffierecht van € 735 en de onbestreden gevorderde verschotten van € 1.353,65; waarmee het bedrag uitkomt op € 19.286,65.
6.56.
Nakosten behoren tot de proceskosten. De nakosten worden altijd toegewezen, ook als deze niet expliciet zijn gevorderd. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel (per 1 februari 2026 een bedrag van € 189 zonder betekening). Dit bedrag wordt onvoorwaardelijk toegewezen, waarmee het totaalbedrag aan door UP te betalen proceskosten wordt begroot op € 19.475, 65. In geval van betekening wordt een extra component aan salaris (per 1 februari 2026 een bedrag van € 96 extra) en de explootkosten van betekening toegekend. Deze kosten worden voorwaardelijk toegekend, te weten als de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden.
6.57.
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen op de wijze zoals vermeld in de beslissing.

7.De beslissing

De voorzieningenrechter
7.1.
beveelt UP binnen 48 uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis
iedere inbreuk in de Europese Unie op het Merk van Waboba en het Model van Waboba
te staken en gestaakt te houden, in het bijzonder het vervaardigen, aanbieden, verkopen,
invoeren, uitvoeren of anderszins gebruiken van inbreukmakende stuiterballen of het voor deze doeleinden in voorraad (laten) houden daarvan, en het aanbieden van dergelijke producten onder de aanduidingen “Moon” of “Moon Ball”;
7.2.
gebiedt UP binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan haar professionele afnemer(s) in de landstaal van de betreffende afnemer een bericht met verzend- en ontvangstbevestiging te sturen met uitsluitend de navolgende inhoud en zonder bijschrift:
“De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van [invullen datum] geoordeeld dat Up International inbreuk maakt op de merk-, en modelrechten van Waboba AB met stuiterballen die wij aan u hebben verkocht en/of geleverd (productcodes [invullen]).
Deze stuiterballen mogen derhalve niet langer worden aangeboden, verkocht of geleverd, dan wel gebruikt of in voorraad gehouden. Wij verzoeken u hierbij deze producten die u bij ons heeft besteld en/of geleverd, niet langer aan te bieden (on- of offline) en alle exemplaren daarvan die zich onder u bevinden aan ons te retourneren binnen zeven dagen na dagtekening van deze brief. Wij zullen de aankoopprijs en alle kosten in verband met de retournering van de producten aan u vergoeden.”
een en ander onder de verplichting om gelijktijdige kopieën van alle verzonden brieven te verschaffen aan de advocaten van Waboba;
7.3.
beveelt UP binnen 21 dagen na betekening van dit vonnis een volledige en waarheidsgetrouwe verklaring te verstrekken aan de advocaten van Waboba, vergezeld van alle relevante documenten ter staving van de juistheid van die verklaring, betreffende al hetgeen UP bekend is omtrent de herkomst en de distributiekanalen van de Inbreukmakende Stuiterballen, specifiek:
I. de volledige naam/namen en adres/adressen van alle producenten/leveranciers en professionele afnemers van de Inbreukmakende Stuiterballen;
II. het aantal Inbreukmakende Stuiterballen dat UP wanneer per producent/leverancier heeft ingekocht;
III. het aantal Inbreukmakende Stuiterballen dat UP wanneer aan welke afnemer heeft verkocht;
IV. het totale aantal Inbreukmakende Stuiterballen dat UP nog op voorraad heeft en/of retour heeft of zal ontvangen van de op grond van 7.2 aangeschreven afnemers;
7.4.
veroordeelt UP tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van €5.000 per dag dat UP in strijd handelt met één of meer van de onder 7.1, 7.2 en 7.3 gevorderde bevelen en verboden (een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend), dan wel, ter keuze van Waboba, van €100 per in strijd met het bevel onder 7.1 verkochte betrokken product, tot een maximum is bereikt van €150.000;
7.5.
veroordeelt UP in de proceskosten, aan de zijde van Waboba tot op heden begroot op € 19.475, 65 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 96 plus de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend;
7.6.
veroordeelt UP in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, tot de dag van volledige betaling;
7.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.8.
bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum van dit vonnis;
7.9.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.R. van Heemstra, rechter, bijgestaan door mr. E.E. de Vos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.

Voetnoten

1.Burgerlijk Wetboek.
2.Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk​.
3.Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Uniemodellen (Uniemodellenverordening).
4.HvJ EU 20 oktober 2011, C-281/10 P (PepsiCo & Grupo Promer/BHIM), r.o. 53 en 55.
5.HvJ EU 8 maart 2018, C-395/16 (Doceram), r.o. 31 en 32.
6.HvJ EU 8 maart 2018, C-395/16 (Doceram), r.o. 36.
7.European Union Intellectual Property Office.
8.HvJ EU 20 oktober 2011, ECLI:EU:C:2011:679, C-281/10 P, (PepsiCo & Grupo Promer/BHIM) (hierna: PepsiCo-arrest), r.o. 73 en Gerechtshof Den Haag 13 augustus 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3356 (Bang & Olufsen/Loewe), r.o. 15.
9.Hoge Raad, 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1983 (Apple/Samsung), r.o. 4.3.
10.Vgl. Hof Den Haag 13 augustus 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3356 (Bang & Olufsen/Loewe).
11.HvJ 4 maart 2020, C 328/18 P, ECLI:EU:C:2020:156 (EUIPO / Equivalenza Manufactory) en de daarin genoemde oudere rechtspraak