ECLI:NL:RBDHA:2026:17695

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.25032
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5 Richtlijn 2008/115Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens ontoereikend terugkeerbesluit en toekenning schadevergoeding

Eiser werd op 7 april 2026 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000 met het oog op uitzetting naar Armenië. Na een negatieve reactie van de Armeense autoriteiten op 8 april 2026 en een vertrekgesprek op 10 april 2026 bleek uitzetting naar Armenië niet mogelijk. Verweerder richtte zich vervolgens op uitzetting naar Jordanië, maar het terugkeerbesluit zag hier niet op. De bewaring werd pas op 13 april 2026 opgeheven.

De rechtbank stelt vast dat de bewaring vanaf 10 april 2026 onrechtmatig was omdat het terugkeerbesluit ontoereikend was om de bewaring te rechtvaardigen. De rechtbank volgt het subsidiaire standpunt van eiser dat de maatregel vanaf die datum onrechtmatig was. De ambtshalve toetsing van de rechtsmatigheid van de maatregel leidt niet tot een ander oordeel.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding van €480,- voor vier dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelt verweerder in de proceskosten van €1.868,-. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.

Uitkomst: De bewaring was vanaf 10 april 2026 onrechtmatig en eiser krijgt een schadevergoeding van €480,- toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25032

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft op 13 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft op 4 mei 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan op 13 april 2026 onrechtmatig is geweest.
Ontoereikend terugkeerbesluit
2. In het ‘model M113’ is als reden voor de opheffing van de bewaringsmaatregel met ingang van 13 april 2026 genoemd: “Ontbreken TKB / onjuist TKB – DT&V.” Ter zitting heeft verweerder hierover, desgevraagd, het volgende toegelicht. In het terugkeerbesluit van 20 juni 2026 is vermeld dat eiser, die de Jordaanse nationaliteit heeft, moet terugkeren naar Armenië. Verweerder heeft eiser tijdens de bewaring geprobeerd uit te zetten naar Armenië. Op 8 april 2026 heeft verweerder echter een negatieve reactie ontvangen op het bij de Armeense autoriteiten ingediende T&O-verzoek. Op 10 april 2026 is er vervolgens een vertrekgesprek met eiser gevoerd waarbij is onderzocht of hij nog in het bezit is van documenten op grond waarvan hij toegelaten kan worden tot Armenië. Dat bleek niet het geval. Vervolgens heeft verweerder de focus verlegd naar uitzetting naar Jordanië. Toen werd echter geconstateerd dat het terugkeerbesluit van 20 juni 2026 niet ziet op Jordanië. Na die constatering is de bewaring opgeheven. Dat was op 13 april 2026.
3. Eiser voert aan dat al eerder dan op 13 april 2026 duidelijk was dat uitzetting naar Armenië niet mogelijk was, terwijl er geen terugkeerbesluit voor Jordanië lag. Dit betekent volgens eiser dat de maatregel al eerder dan op 13 april 2026 had moeten worden opgeheven. Eiser stelt primair dat de maatregel vanaf 8 april 2026 onrechtmatig was geworden en subsidiair dat de maategel vanaf 10 april 2026 onrechtmatig was geworden.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat het terugkeerbesluit van 20 juni 2026, dat onderdeel is van een meeromvattend besluit, ziet op terugkeer van eiser naar Armenië (als veilig derde land) en niet op terugkeer van eiser naar Jordanië. Op basis van dat terugkeerbesluit mocht verweerder eiser dus uitzetten naar Armenië, hetgeen verweerder tijdens de bewaring ook heeft geprobeerd. Op basis van de toelichting van verweerder ter zitting is de rechtbank van oordeel dat op 10 april 2026 definitief duidelijk is geworden dat uitzetting van eiser naar Armenië niet mogelijk is. De rechtbank volgt niet het primaire standpunt van eiser dat dit op 8 april 2026 al duidelijk was. Weliswaar is op 8 april 2026 het T&O-verzoek afgewezen door de Armeense autoriteiten, maar verweerder moest enige tijd worden gegund om te onderzoeken of er nog andere mogelijkheden bestonden om eiser uit te zetten naar Armenië. Dit onderzoek was op 10 april 2026, nadat met eiser een vertrekgesprek was gevoerd, afgerond.
4.2.
Uit het voorgaande volgt dus dat een uitzetting van eiser naar Armenië op 10 april 2026 definitief van de baan was. Op dat moment moet verweerder ook al hebben geweten dat het onderliggende terugkeerbesluit niet ziet op Jordanië en dus geen basis biedt voor uitzetting van eiser naar Jordanië. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder de maatregel van bewaring reeds op 10 april 2026 had moeten opheffen en niet pas op 13 april 2026. Dit betekent dat de maatregel van bewaring vanaf 10 april 2026 onrechtmatig was, omdat het onderliggende terugkeerbesluit vanaf die datum ontoereikend was geworden om de bewaring (gericht op uitzetting naar Jordanië) op te baseren. De rechtbank volgt dus het subsidiaire standpunt van eiser wel. De beroepsgrond slaagt in zoverre.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring eerder dan vanaf 10 april 2026 onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De maatregel van bewaring was vanaf 10 april 2026 tot het moment van opheffing daarvan op 13 april 2026 onrechtmatig.
7. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 4 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 4 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 480,-.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 480,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.