ECLI:NL:RBDHA:2026:17696

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
09/113478-25 en 09/260532-25 (ttz. gev.)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 225 SrArt. 420ter SrArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor grootschalige cocaïnehandel, witwassen en hypotheekfraude

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor het aanwezig hebben en vervoeren van een grote hoeveelheid cocaïne in een loods te Ter Aar, het witwassen van grote geldbedragen en woningen, en het plegen van hypotheekfraude door het gebruik van valselijk opgemaakte werkgeversverklaringen en salarisstroken.

Het onderzoek vond plaats over meerdere zittingen tussen juli 2025 en juni 2026. De rechtbank baseerde haar oordeel op camerabeelden, getuigenverklaringen, telefoonverkeer, forensische tests en financiële analyses. De verdachte heeft geen geloofwaardige verklaring gegeven voor de herkomst van contante gelden en gebruikte valse documenten om hypotheken te verkrijgen.

De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte meer dan 20 kilogram cocaïne vervoerde en in bezit had, jarenlang een gewoonte maakte van witwassen, en valsheid in geschriften pleegde bij hypotheekaanvragen. De strafmaat is bepaald op vijf jaar gevangenisstraf, rekening houdend met de ernst van de feiten, het ontbreken van strafblad, en de maatschappelijke impact van de drugshandel en witwaspraktijken.

De voorlopige hechtenis van de verdachte wordt met deze uitspraak beëindigd, maar zal herleven. De rechtbank gelast de teruggave van onroerende goederen en geldbedragen die niet direct uit misdrijf afkomstig zijn, terwijl de strafrechtelijke verbeurdverklaring van andere goederen niet is uitgesproken.

De uitspraak is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 30 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf voor cocaïnehandel, witwassen en hypotheekfraude.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/113478-25 en 09/260532-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 30 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 11 juli 2025, 10 september 2025 en 8 januari 2026 (alle pro forma) en 16 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E.J. van Drongelen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. J.H.E.M. Kersemaekers, naar voren is gebracht.
De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 16 juni 2026 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
parketnummer: 09/113478-25 (hierna: dagvaarding I):
1
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 september 2024 tot en met 10 oktober 2024 te Ter Aar , gemeente Nieuwkoop, in elk geval in een of meerdere plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 14 april 2025, te 's-Gravenhage en/of Rotterdam, in elk geval in een of meerdere plaats(en) in Nederland, voorwerpen, te weten (een) horloge(s) en/of (een) woning(en) en/of (een) geldbedrag(en) en/of (een) auto('s), in elk geval diverse (andere) goederen, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van (voornoemde) voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.
09/260532-25 (hierna: dagvaarding II):
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2022 tot en met 14 april 2025, te 's-Gravenhage en/of Rijswijk en/of Rotterdam en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft gebruikt en/of afgeleverd en/of voorhanden gehad (een) vals(e) of vervalst(e):
- werkgeversverklaring van " [bedrijfsnaam 1] " (gedagtekend op 5 december 2022) en/of
- salarisspecificatie van " [bedrijfsnaam 1] " (betreffende de maand november 2022) en/of
- addendum arbeidsovereenkomst van " [bedrijfsnaam 1] " (gedagtekend 1 december 2022) en/of
- werkgeversverklaring van " [bedrijfsnaam 1] " (gedagtekend op 25 april 2025) en/of
- salarisspecificatie/salarisstrook van " [bedrijfsnaam 1] " (betreffende "Loon week 9-12 2024"),
(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het/zij (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken en/of afleveren en/of voorhanden hebben hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenoemde geschrift(en) heeft/hebben overlegd en/of aan een derde heeft/hebben verstrekt ten behoeve van (het verkrijgen van)
- een hypothecaire lening (bij de ING Bank N.V., bestemd voor de aankoop van een woning aan de [adres 2] ) en/of
- een hypothecaire lening (bij Florius, bestemd voor de aankoop van een woning aan de [adres 1] ),
bestaande die valsheid (telkens) hierin dat bovengenoemde geschrift(en) (geheel) valselijk zijn opgemaakt;

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaardingen I en II ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding I onder feit 1 en 2 ten laste gelegde, en van het bij dagvaarding II ten laste gelegde. Met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman subsidiair vrijspraak bepleit ten aanzien van het witwassen van een aantal geldbedragen.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft als
bijlage Iopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen dagvaarding I, feit 1
Betrokkenheid verdachte
De verdachte heeft niet willen verklaren over het op dagvaarding I onder feit 1 ten laste gelegde feit. Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 3 september 2024, op 8 oktober 2024 en op 10 oktober 2024 bij de loods van [bedrijfsnaam 2] in Ter Aar was. De verdachte heeft op 3 september 2024 meerdere dozen gebracht en gestald in deze loods. Dit leidt de rechtbank af uit de gegevens van de Audi Q3 die op naam stond van de verdachte en die op 3 september 2024 op camerabeelden bij de loods is te zien, de verklaring van [naam 1] (eigenaar [bedrijfsnaam 2] ) dat de verdachte op 3 september diverse dozen kwam brengen en het telefoonverkeer tussen beiden, waaruit volgt dat de verdachte iets wilde ophalen.
Op 8 oktober 2024 is de verdachte op camerabeelden gezien bij de loods in Ter Aar . De verdachte heeft hier met [naam 2] , een werknemer van [bedrijfsnaam 2] , gesproken. Uit de verklaring van [naam 2] blijkt dat de verdachte een aantal dozen wilde ophalen uit de loods. Zij hebben samen drie dozen uit de loods gehaald en in de auto van de verdachte gezet. Volgens [naam 2] haalde de verdachte drie blokken uit een doos en legde hij deze in de achterbak van zijn auto.
Uit het dossier blijkt verder dat er in de nacht van 9 op 10 oktober 2024 werd ingebroken in de loods in Ter Aar . [naam 2] heeft hierover verklaard dat er zes lege dozen lagen bij de pallet van de verdachte. Op beelden van die nacht is te zien dat een persoon met een steekkar met daarop een aantal dozen loopt en dat twee andere personen samen een tas tillen. Uit de verklaring van [naam 2] blijkt dat de verdachte op 10 oktober 2024 naar de loods is gekomen omdat hij de overige dozen wilde komen ophalen.
Zat er cocaïne in de dozen?
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de dozen in de loods van [bedrijfsnaam 2] te Ter Aar cocaïne bevatten. De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn standpunt en overweegt daartoe als volgt.
Uit de verklaring van [naam 2] blijkt dat hij op 8 oktober 2024, toen de verdachte dozen kwam ophalen uit de loods, blokken heeft gezien. De verdachte zou toen tegen [naam 2] hebben gezegd: “je weet wel wat erin zit toch”. [naam 2] omschrijft dat de blokken omwikkeld waren met plastic huishoudfolie en dat er een logo op zat met de Canadese vlag en een Porsche logo. Diezelfde dag heeft [naam 2] op Google gezocht naar de termen "Coke Porsche drugs”. Ook heeft hij in paniek zijn werkgever, [naam 1] , opgebeld om hem te vertellen dat hij blokken cocaïne had gezien. Tijdens dit telefoongesprek heeft hij ook verteld dat hij van de verdachte zijn mond moest houden en dat hij anders wel wist wat er ging gebeuren.
De logo’s die [naam 2] op de blokken heeft gezien, komen overeen met de logo’s die op blokken cocaïne zijn gezien op 29 en 30 augustus 2024 in een loods in Oud Gastel, welke afkomstig waren van een rip van een grote hoeveelheid cocaïne. Een van de personen die de cocaïne in Oud Gastel heeft verdeeld, is [naam 3] . Op een foto afkomstig vanuit de telefoon van [naam 3] blijkt dat meerdere blokken zichtbaar zijn met een afbeelding van een Canadese vlag en een afbeelding van een Porsche logo. Gelet op de overeenkomst tussen de logo’s en het tijdsbestek is het dan ook zeer waarschijnlijk dat de blokken die [naam 2] bij de verdachte heeft gezien, eerder zijn verdeeld in de loods in Oud Gastel. De ijzeren bakken, aangetroffen in de loods in Oud Gastel, zijn op 24 oktober 2024 indicatief getest. Hieruit blijkt dat de stof die zich in die ijzeren bakken bevond cocaïne betrof.
Daar komt bij dat toen [naam 2] vertelde dat er was ingebroken, de verdachte tegen hem zei dat dit geen goed nieuws was en dat [naam 2] dondersgoed wist dat er geen drank in de dozen zat. Hierna volgden er verschillende geweldsincidenten en bedreigingen jegens [naam 2] en [naam 1] die tevens een aanwijzing vormen dat er in de gestolen dozen verdovende middelen zaten.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de gestalde dozen van de verdachte cocaïne bevatten.
Een grote hoeveelheid
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat in ieder geval niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van ‘een grote hoeveelheid’ cocaïne. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het vervoeren en het aanwezig hebben van cocaïne sprake is geweest van een grote hoeveelheid (dat wil zeggen: meer dan 20 kilogram). Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
[naam 2] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte op 8 oktober 2024 drie dozen in zijn auto had gelegd. Na de inbraak zag [naam 2] op 10 oktober 2024 dat er zes lege dozen op de grond lagen. De rechtbank gaat dan ook uit van een totaal van in ieder geval negen dozen. Op de beelden van de inbraak is te zien dat twee personen één grote tas dragen en dat een persoon een steekkar duwt. Dit impliceert dat de dozen een te zwaar gewicht moeten hebben gehad om de dozen zelf te dragen. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de twee jongens de tas moeten neerzetten en zich moeten herpakken om vervolgens verder te lopen. Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat de dozen kennelijk een zwaar gewicht hebben. Tot slot, heeft de verdachte op 10 oktober, na de inbraak, tegen [naam 2] gezegd dat hij dondersgoed wist dat er geen drank in de dozen zat en dat dit niet goed is. Dit impliceert dat er ook in de andere dozen blokken cocaïne zaten.
Gelet op het bovenstaande staat het naar het oordeel van de rechtbank vast dat de dozen van de verdachte tezamen gevuld waren met een grote (dat wil zeggen meer dan 20 kilogram) hoeveelheid cocaïne.
Betrouwbaarheid [naam 2]
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [naam 2] onbetrouwbaar zijn en derhalve niet bruikbaar voor het bewijs, omdat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. De rechtbank volgt dat standpunt niet.
[naam 2] is na zijn uitgebreide en gedetailleerde verklaring nog meermalen verhoord door de politie en hij is op 25 augustus 2025 bij de rechter-commissaris gehoord. Hoewel de verklaringen niet volledig met elkaar overeenkomen, is de inhoud op hoofdlijnen en belangrijke kernpunten consistent. In het bijzonder wat betreft de waargenomen logo’s op de blokken heeft [naam 2] consistent en gedetailleerd verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de verschillen in de verklaringen van [naam 2] van ondergeschikt belang zijn. De rechtbank constateert verder dat de verklaringen van [naam 2] in grote mate steun vinden in het dossier. De punten die kunnen worden geverifieerd uit de verklaring van [naam 2] kloppen.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande van oordeel dat wat [naam 2] heeft verklaard, kan worden gebruikt voor het bewijs.
Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben en vervoeren van een grote hoeveelheid cocaïne, in de periode zoals ten laste is gelegd.
Partiële vrijspraak medeplegen
Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte een nauwe en bewuste samenwerking heeft gehad bij het vervoeren en het aanwezig hebben van cocaïne met een of meer anderen. De rechtbank zal de verdachte hiervan partieel vrijspreken.
3.5
Bewijsoverwegingen dagvaarding I, feit 2
Juridisch beoordelingskader
Voor een bewezenverklaring van witwassen in de zin van artikel 420bis e.v. van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is vereist dat het betreffende voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. De rechtbank stelt voorop dat daarvoor niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Of daarvan sprake is moet worden beoordeeld aan de hand van het toetsingskader dat in de rechtspraak is uitgekristalliseerd in een aantal stappen.
Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is (stap 1), mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van het voorwerp (stap 2). Deze verklaring moet concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn (stap 3). De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte een dergelijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring (stap 4). Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal dan moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is (stap 5). Als zo’n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352).
Bestaat er een gerechtvaardigd vermoeden dat bepaalde geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf?
De FIOD heeft onderzoek gedaan naar de inkomens- en vermogenspositie van de verdachte. Hierbij zijn als vertrekpunt de gegevens van de Belastingdienst, te weten inkomsten uit loon en winst uit onderneming uit 2020-2024 genomen. Deze gegevens zijn door de verdediging niet betwist. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de verdachte beschikking had over onbekende contante ontvangsten. Deze onbekende contante ontvangsten zijn berekend op basis van de totale contante uitgaven van de verdachte afgezet tegen de beschikbare legale contante gelden :
De contante uitgaven bestonden uit uitgaven die verband houden met een verbouwing van een woning, goederen die contant zijn aangeschaft, uitgaven die naar voren zijn gekomen tijdens afgeluisterde gesprekken, de contante inbreng in [bedrijfsnaam 3] , de contante inbreng in [bedrijfsnaam 4] en contante stortingen op bankrekeningen. Op basis van een vergelijking tussen de legaal ontvangen contante geldbedragen en de werkelijke contante uitgaven is berekend dat de herkomst van een bedrag van € 163.811,74 aan contante gelden onbekend was.
Ten aanzien van de feitelijke contante uitgaven is daarbij van de volgende bedragen uitgegaan:
Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat de contante geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van die geldbedragen.
Is er sprake van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk verklaring van de verdachte?
De verdachte heeft over een deel van de bedragen die in het overzicht zijn opgenomen als contante feitelijke uitgaven, te weten ten aanzien van een bedrag van € 117.800,-, een verklaring afgelegd. Voor een bedrag van € 46.001,74 (het verschil tussen € 163.811,74 en € 117.800,-) heeft de verdachte geen verklaring afgelegd. De rechtbank zal op de posten waarover de verdachte wel een verklaring heeft afgelegd nader ingaan en leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Aangetroffen bonnen in woning
Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn er diverse bonnen aangetroffen van contante aankopen. De verdachte heeft ten aanzien van de contante betaling aan [bedrijfsnaam 5] ten bedrag van € 25.300,- verklaard dat deze betaling door zijn oom, de heer [naam 4] , is verricht. Ter onderbouwing heeft hij een bankoverschrijving aan de keukenleverancier en een leningsovereenkomst overgelegd. Gelet op deze onderbouwing, en het feit dat het Openbaar Ministerie hier geen verder onderzoek naar heeft ingesteld, is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag voldoende is verklaard. Ten aanzien van de overige aangetroffen bonnen, met een totaalbedrag van € 27.379,32, heeft de verdachte geen verklaring gegeven. Dit laatstgenoemde bedrag is inbegrepen in het hierboven genoemde bedrag van € 46.001,74 waarover de verdachte in het geheel geen verklaring heeft afgelegd.
Contante inbreng € 6.000 in [bedrijfsnaam 4]
Ten aanzien van de contante inbreng van € 6.000 in de onderneming [bedrijfsnaam 4] heeft de verdachte verklaard dat dit bedrag afkomstig is uit de verkoop van goederen die zijn overgebleven na de overname van het bedrijf [bedrijfsnaam 6] . Dit bedrijf was in eigendom van de broer van de verdachte en betrof een supermarkt en slijterij in één. Na de overname heeft de verdachte de activiteit voortgezet uitsluitend als slijterij onder de naam [bedrijfsnaam 4] . De verkoop van de goederen dient volgens de verdachte als omzet te worden meegenomen. Uit de gegevens van de onderneming, te weten het kasboek, het door [bedrijfsnaam 1] opgestelde excelbestand “Totale omzet inclusief thuisbezorgd”, de aangegeven omzet in de aangiften omzetbelasting 2023 en de aangifte inkomstenbelasting 2023 van de verdachte, blijkt echter niet dat dit bedrag als omzet is meegenomen. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de verdachte niet is aan te merken als een concreet, verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen dit onderdeel van de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie.
Kaspositie en aanvullende privé-inleg onderneming
De verdachte heeft ten aanzien van de kaspositie en de aanvullende privé-inleg als verklaring gegeven dat zijn familie een bedrag van € 7.050,- heeft ingelegd toen de verdachte ontvoerd was zodat de onderneming kon worden voortgezet. De verdachte heeft dit onderbouwd met een schriftelijke overeenkomst, waarin is opgenomen dat de verdachte na ontvangst van de schadevergoeding ter hoogte van € 18.000,- het ingelegde bedrag van € 7.050,- zal terugbetalen. De verdachte zou deze schadevergoeding krijgen, omdat hij slachtoffer is geweest van een ontvoering. Deze overeenkomst is gedateerd op 3 december 2023. De rechtbank acht deze verklaring volstrekt onaannemelijk. De verdachte kan op 3 december 2023 geen overeenkomst hebben kunnen ondertekenen, omdat hij toen nog ontvoerd was en hij toen nog niet kon weten dat hij een schadevergoeding zou ontvangen, laat staan de hoogte daarvan. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen dit onderdeel van de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie.
Verrichte werkzaamheden woning
De verdachte heeft voor de verrichte werkzaamheden in zijn woning als verklaring gegeven dat dit afkomstig is van een bijdrage van zijn verloofde, [naam 5] , van € 8.900,- en van de verkoop van zijn inboedel van zijn eerste huis aan de Vigelandstraat van € 11.250,-. Mevrouw [naam 5] heeft de contante bijdrage in een verklaring bevestigd. Het Openbaar Ministerie heeft deze niet verder onderzocht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag voldoende is verklaard. Ten aanzien van de verkoop van de oude inboedel geeft de verdachte aan dat hij de inboedel van zijn eerste huis via Marktplaats heeft verkocht aan de heer [naam 6] . De rechtbank acht deze verklaring niet controleerbaar en verifieerbaar. De verdachte heeft verklaard dat hij geen toegang heeft tot zijn Marktplaats gegevens, omdat dit was gekoppeld aan zijn oude Icloud gegevens. Hierdoor heeft er door het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek kunnen plaatsvinden naar de Marktplaats verkoop van de inboedel. Daarnaast is het bedrag waarvoor de inboedel is verkocht een vrij hoog bedrag, waardoor de verklaring onwaarschijnlijk voorkomt. Het is het algemeen bekend dat goederen die via Marktplaats verkocht worden voor een lager bedrag worden verkocht dan de originele prijs van de goederen. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie, mede gelet op de omstandigheid dat het voor de verdachte eenvoudig is om zijn Marktplaatsgegevens op te vragen en te overleggen.
Contante aankoop stalen deuren
Voor de contante aankoop van de stalen deuren ten bedrage van € 13.310,- heeft de verdachte als verklaring gegeven dat de betaling feitelijk is uitgevoerd door een vriend van hem, te weten [naam 7] , die de zoon is van [naam 8] . De verdachte stelt dat hij een schuld heeft aan [naam 7] , aangezien hij het bedrag heeft voorgeschoten. Dit is vastgelegd in een schuld-leningsovereenkomst. Het Openbaar Ministerie heeft nader onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. [naam 8] heeft verklaard dat de verdachte contant wenste te betalen en dat het contante geld van de verdachte uiteindelijk op de bankrekening van [naam 7] is gestort en dat hiermee de betalingen van de stalen deuren is voldaan. De rechtbank gaat er gelet op de verklaring van [naam 8] vanuit dat er geen sprake is van een lening en dat de verdachte het bedrag contant heeft betaald.
Technische acties - Opera Zalencentrum
Tijdens een telefoongesprek op 16 december 2024 heeft de verdachte verteld dat hij voor de bruiloft bij de Opera € 6.000,- heeft betaald voor de zaal. De verdachte heeft ten aanzien van de aanbetaling aan de Opera Zalencentrum Den Haag verklaard dat een betaling van
€ 6.000,- nooit heeft plaatsgevonden. Uit het aanbetalingsbewijs blijkt dat de verdachte
€ 1.000,- heeft aanbetaald. De verdachte heeft voor dit bedrag geen verklaring gegeven.
Technische acties – ‘30 geven voor einde januari’
Tijdens een telefoongesprek heeft de verdachte aangegeven “30 te moeten geven voor het einde van januari”. Volgens de verdachte ging dit niet over een daadwerkelijke toezegging of betaling, maar zag dit op een uitleg waarom hij geen lening kon verstrekken. Het Openbaar Ministerie heeft dit niet verder onderzocht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze uitlating tijdens het telefoongesprek voldoende is verklaard.
Contante inbreng in onderneming Forward Drankenhandel
In het kasboek van [bedrijfsnaam 3] is een bedrag van € 10.000,- ingelegd als startkapitaal. De verdachte heeft toegelicht dat dit bedrag afkomstig is van zijn persoonlijke bankrekening, spaargeld en een schenking van ouders. Het Openbaar Ministerie heeft dit niet verder onderzocht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag voldoende is verklaard.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte er, gelet op het hiervoor vermelde geconstateerde verschil van € 163.811,74 in zijn contante uitgaven, ten aanzien van een bedrag van in totaal € 84.611,74 niet in is geslaagd om een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven. Dit leidt er toe dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat dit bedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Woning
De rechtbank acht, zoals hieronder in 3.6 gemotiveerd, het ten laste gelegde feit onder dagvaarding II bewezen. De verdachte heeft bij de aanvragen van zijn hypotheken voor een woning in Den Haag en een woning in Rotterdam gebruik gemaakt van valse stukken. Daarnaast heeft de verdachte voor de aankoop van zijn nieuwe woning in Rotterdam de overwaarde van de verkoop van zijn woning in Den Haag aangewend. Dit geldbedrag is dus weer omgezet in de woning in Rotterdam. De rechtbank concludeert dan ook beide woningen zijn verkregen uit een misdrijf.
Partiële vrijspraak horloges en auto’s
Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het witwassen van de horloges en de auto’s niet bewezen en spreekt zij de verdachte daar van vrij.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is er geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit enig (eigen) misdrijf afkomstig zijn. De verdachte heeft geldbedragen voorhanden gehad en van geldbedragen gebruik gemaakt (omgezet) door er andere goederen en woningen mee te kopen.
Gelet op de duur en de frequentie van dat witwassen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt in de zin van artikel 420ter Sr.
3.6
Bewijsoverwegingen dagvaarding II
Hypotheek ING
De verdachte heeft voor de financiering van de woning aan de [adres 2] , in 2022 een hypothecaire lening aangevraagd bij de ING Bank.
De verdachte heeft in dat kader, als schriftelijk bewijs van een dienstverband en inkomen uit dat dienstverband, een werkgeversverklaring van 5 december 2022,een salarisspecificatie van november 2022, en een Addendum arbeidsovereenkomst van 1 december 2022 van [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) aangeleverd. De hypothecaire lening is (mede) op grond van deze stukken toegekend.
De vraag die voorligt is of deze stukken valselijk (en voor dat doel) zijn opgemaakt ter verkrijging van die hypotheek. De rechtbank overweegt daartoe als volgt
De rechtbank constateert dat uit de arbeidsovereenkomst tussen [bedrijfsnaam 1] en de verdachte blijkt dat de verdachte op 1 oktober 2022 in dienst zou treden voor een maandsalaris van € 2.100,- bruto. Uit het addendum op de arbeidsovereenkomst volgt dat per november 2022 de functieomschrijving, het aantal uren en de salariëring is aangepast. De verdachte gaat een bruto maandsalaris van € 3.950,- verdienen op basis van een veertigurige werkweek. Tevens blijkt uit de door [bedrijfsnaam 1] afgegeven werkgeversverklaring dat de verdachte op 5 december 2022 nog in loondienst is en dat er geen “voornemens zijn het dienstverband te beëindigen”.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond hiervan kan worden aangenomen dat de verdachte een legitieme dienstbetrekking had en dat, mochten er al onjuistheden in de documenten zitten, dit niet aan hem, maar aan de werkgever te wijten is.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het dienstverband als volgt.
In het dossier bevinden zich gegevens van de belastingdienst waaruit volgt dat de verdachte bij [bedrijfsnaam 1] maar € 4.213,- zou hebben verdiend. Dit bedrag komt niet overeen met het salaris dat de verdachte voor oktober (€ 2.100,- bruto) en november (€ 3.950,-) bruto zou hebben verdiend. Bovendien duidt het bij de belastingdienst opgegeven bedrag er op dat de verdachte op 5 december 2022 alweer uit dienst was. Door de FIOD zijn de loonstaten van [bedrijfsnaam 1] over de periode van 1 januari 2020 tot en met 2025 bij het UWV opgevraagd. Daaruit blijkt dat [bedrijfsnaam 1] enkel inhoudingsplichtig was voor de verdachte in de periode 1 oktober 2022 tot en met 30 november 2022. De werkgeversverklaring, alsmede de verklaring van de verdachte dat hij langer werkzaam was bij [bedrijfsnaam 1] , komen dus niet overeen met de objectieve gegevens van de officiële instanties.
Uit de salarisspecificatie van november 2022 volgt verder dat de verdachte 173 uren zou hebben gewerkt bij [bedrijfsnaam 1] , terwijl hij in de periode van 7 november 2022 tot en met 4 december 2022 ook 152 uur heeft gewerkt bij Unique Nederland B.V. Dit duidt er op dat de verdachte – tijdens kantooruren - een dubbele baan zou hebben gehad, met een werkweek van 75 uur. De rechtbank acht dit onaannemelijk.
Eveneens onaannemelijk acht de rechtbank dat de arbeidsovereenkomst al binnen een maand tijd zou zijn aangepast, waarbij de verdachte meer uren zou gaan werken, maar in verhouding minder per uur gaat verdienen. Dit terwijl hij ter zitting heeft verklaard dat het ging om een betere functie, oftewel een promotie. Daarnaast valt op dat de overeenkomst met terugwerkende kracht is opgesteld, gelet op de ondertekening d.d. 1 december 2022. Op dat moment zou de verdachte volgens de gegevens bij het UWV al uit dienst zijn.
Tot slot heeft de politie contact opgenomen met een werknemer, [naam 9] , van [bedrijfsnaam 1] . Hij heeft verklaard de verdachte alleen te kennen als klant bij [bedrijfsnaam 1] . Voor zover [naam 9] weet heeft de verdachte nooit bij [bedrijfsnaam 1] gewerkt, enkel als stagiair vele jaren geleden.
Op grond van de hierboven genoemde omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte in de periode van 1 januari 2020 tot en met 2025 niet werkzaam is geweest bij [bedrijfsnaam 1] en dat de documenten die aan de ING zijn verstrekt, zijn gebaseerd op een fictieve dienstbetrekking. De stukken die door de verdachte aan de ING bank zijn verstrekt, zijn zodoende valselijk opgemaakt. De door de verdachte aangevoerde standpunten dat hij wel in dienst was bij [bedrijfsnaam 1] , schuift de rechtbank als ongeloofwaardig ter zijde. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte valselijk opgemaakte stukken heeft aangeleverd bij de ING Bank ter verkrijging van een hypothecaire lening.
Hypotheek Florius
In 2024 vraagt de verdachte wederom een hypothecaire lening aan voor de financiering van de aankoop van de woning aan de [adres 1] , bij Florius. De verdachte heeft hiervoor een werkgeversverklaring van [bedrijfsnaam 1] gedagtekend op 25 april 2024 en een salarisstrook van [bedrijfsnaam 1] betreffende het loon van weken 9-12 2024 aangeleverd.
Ten aanzien van het dienstverband bij [bedrijfsnaam 1] overweegt de rechtbank als volgt.
Uit de werkgeversverklaring volgt dat de verdachte een tijdelijk contract zou hebben tot 28 januari 2025 en een bruto jaarsalaris van € 63.050,- met een vakantietoeslag van € 5.044,-. Uit het dossier volgt dat de verdachte in 2024 in totaal € 6.404,- zou hebben verdiend bij [bedrijfsnaam 1] . Zijn bruto jaarloon betrof zoals gezegd € 63.050,-, wat rekening houdend met vakantiegeld een maandelijks bedrag van € 5.254,- oplevert ( 63.050 : 12). De verdachte zou in 2024 dus iets meer dan een maand bij [bedrijfsnaam 1] hebben gewerkt, zo volgt ook uit de gegevens die [bedrijfsnaam 1] heeft aangeleverd bij de belastingdienst. Het dienstverband zou dan lopen van 29 januari 2024 tot en met 16 maart 2024, zo blijkt uit de gegevens van het UWV. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij na die periode met onbetaald verlof was maar nog wel in dienst. Dit wordt niet ondersteund door de gegevens van de belastingdienst en het UWV, want zelfs als sprake zou zijn geweest van onbetaald verlof zou het dienstverband van de verdachte nog steeds terug te zien moeten zijn in die gegevens. Ook de werkgeversverklaring is feitelijk onjuist. Deze is gedateerd op 25 april 2024 en ondertekend door [naam 10] . Op 25 april 2024 zou het dienstverband al geëindigd zijn.
Tot slot komen de gestorte bedragen op de rekening van de verdachte ook niet overeen met de loonstrook. Op de aangeleverde loonstrook is te zien dat het brutoloon € 4.850,- betrof en het nettoloon € 3.418,27. Er wordt twee keer een loonstorting van € 3.418,27 gedaan. Als de verdachte twee maanden in dienst zou zijn geweest zou dit bruto een bedrag van € 9.700,- zijn. Dit komt niet overeen met het door de verdachte opgegeven bedrag van € 6.404,- aan de belastingdienst.
De rechtbank komt ook hier tot de conclusie dat gelet op de bovenstaande feiten en omstandigheden en het feit dat een werknemer van [bedrijfsnaam 1] heeft verklaard dat de verdachte daar nooit werkzaam is geweest, het niet anders kan dat de verdachte een fictieve dienstbetrekking heeft geconstrueerd om zo een hypothecaire lening bij Florius aan te vragen. Ook in dit geval is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de verdachte dat hij wel werkzaam was bij [bedrijfsnaam 1] op geen enkele manier aannemelijk is geworden. Dit heeft tot gevolg dat de aangeleverde stukken door de verdachte valselijk moeten zijn opgemaakt.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte de fictieve dienstbetrekking tezamen en in vereniging heeft opgesteld met de eigenaar van [bedrijfsnaam 1] , te weten [naam 10] . Dit blijkt uit de verstrekte documenten die zijn ondertekend door [naam 10] .
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte voor de aanvraag van een hypothecaire lening bij de ING Bank en bij Florius tezamen en in vereniging opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse stukken. De verdachte heeft de stukken zelf ingestuurd naar de ING Bank en Florius.
3.7
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I:
1
hij in de periode van 3 september 2024 tot en met 10 oktober 2024 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, in elk geval in Nederlandopzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 14 april 2025, te 's-Gravenhage en/of Rotterdam, in elk geval in een of meerdere plaatsen in Nederland, voorwerpen, te weten woningen en geldbedragen, heeft verworven
envoorhanden gehad,
terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk
- afkomstig waren uit enig misdrijf,
en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.
dagvaarding II:
hij in de periode van 1 oktober 2022 tot en met 14 april 2025, te 's-Gravenhage en Rijswijk en Rotterdam en Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft gebruikt en voorhanden gehad een valse
- werkgeversverklaring van " [bedrijfsnaam 1] " (gedagtekend op 5 december 2022) en
- salarisspecificatie van " [bedrijfsnaam 1] " (betreffende de maand november 2022) en
- addendum arbeidsovereenkomst van " [bedrijfsnaam 1] " (gedagtekend 1 december 2022) en
- werkgeversverklaring van " [bedrijfsnaam 1] " (gedagtekend op 25 april 2025) en
- salarisspecificatie/salarisstrook van " [bedrijfsnaam 1] " (betreffende "Loon week 9-12 2024"),
elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij, verdachte, wist dat die geschriften bestemd
warenvoor gebruik als ware telkens echt en onvervalst,
bestaande dat gebruikmaken voorhanden hebben hierin dat hij, verdachte, en mededader voorgenoemde geschriften hebben overlegd en/of aan een derde hebben verstrekt ten behoeve van het verkrijgen van
- een hypothecaire lening (bij de ING Bank N.V., bestemd voor de aankoop van een woning aan de [adres 2] ) en
- een hypothecaire lening (bij Florius, bestemd voor de aankoop van een woning aan de [adres 1] ),
bestaande die valsheid telkens hierin dat bovengenoemde geschriften geheel valselijk zijn opgemaakt;

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijfenhalf jaar met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, aan de rechtbank verzocht een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft ernstige strafbare feiten begaan. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben en het vervoeren van een grote hoeveelheid cocaïne. De handel in cocaïne heeft ernstige gevolgen voor de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van cocaïne schadelijk is voor de volksgezondheid. Bovendien leidt het gebruik van en de handel in cocaïne direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit en veroorzaakt daarmee veel overlast voor de samenleving. De verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen. Het dossier bevat aanwijzingen dat het stallen van een partij gestolen cocaïne in de loods in Ter Aar en de diefstal daarvan, uiteindelijk een explosie van geweld heeft veroorzaakt bij veelal onschuldige mensen. Dat de verdachte hier onderdeel van uitmaakte rekent de rechtbank hem aan.
Niet alleen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben en het vervoeren van cocaïne. Hij heeft zich ook jarenlang schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen en woningen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging voor het legale handelsverkeer en tast de integriteit van het financiële economische verkeer aan. De verdachte heeft jarenlang geprofiteerd van zijn geraffineerde constructie om gemakkelijk op illegale wijze geld te verdienen, geen belasting te betalen en een riant bestaan te leiden met onder andere een dure woning. De rechtbank acht het bijzonder kwalijk dat de verdachte met ongeloofwaardige en onjuiste verklaringen komt, geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en zich enkel heeft laten leiden door financieel gewin.
De verdachte heeft zich tot slot schuldig gemaakt aan hypotheekfraude. Hij heeft tweemaal, op het moment dat hij een hypotheek nodig had voor een nieuwe woning, een fictief dienstverband geconstrueerd en een werkgeversverklaring, salarisstroken en een addendum arbeidsovereenkomst vervalst om een hypothecaire lening te krijgen. Hierdoor heeft verdachte afbreuk gedaan aan de belangrijke bewijsfunctie van deze stukken en heeft hij misbruik gemaakt van het vertrouwen van de hypotheekverstrekker. Deze is immers afhankelijk van de juistheid van de overgelegde stukken bij beoordeling van de kredietwaardigheid van de aanvrager.
Alleen al gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 mei 2026. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
LOVS-oriëntatiepunten en vergelijkbare zaken
De rechtbank houdt met betrekking tot het bij dagvaarding I feit 1 ten laste gelegde bij de strafmaat rekening met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor het vervoeren van meer dan 20 kilo harddrugs geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 50 maanden. Daarnaast is aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten inzake fraude. Voor het witwassen van een bedrag tussen € 10.000 tot € 70.000 staat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vijf maanden. Voor de valsheid in geschriften is aansluiting gezocht bij wat in vergelijkbare zaken wordt opgelegd. De rechtbank achter verder van belang dat het dossier het beeld geeft van een verdachte die zich blijkbaar al jaren bezighoudt met strafbare activiteiten en zich met ogenschijnlijk gemak in de criminele wereld beweegt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in strafmatigende zin mee te wegen.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van vijf jaar passend en geboden. De duur van het voorarrest zal hiervan worden afgetrokken.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
In deze strafzaak is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst totdat door de rechtbank einduitspraak is gedaan. Met deze uitspraak zal deze schorsing dus eindigen en de voorlopige hechtenis herleven.
De verdediging heeft verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen, althans opnieuw schorsing te bevelen. De rechtbank overweegt dat die beslissing moet berusten op een actuele afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. In die belangenafweging kan worden betrokken dat de verdachte wordt veroordeeld en dat daarbij een straf of maatregel van een zekere duur wordt opgelegd, in die zin dat daarmee een groter gewicht toekomt aan de desbetreffende grond(en) voor de voorlopige hechtenis.
Aan het bevel tot voorlopige hechtenis ligt gevaar voor herhaling ten grondslag. De verdachte heeft over een langere periode meerdere strafbare feiten gepleegd. De verdachte heeft over een aantal zaken niet willen verklaren en over andere feiten weinig, of onaannemelijke verklaringen afgelegd. Dit gebrek aan openheid van zaken maakt dat de rechtbank geen goed beeld heeft gekregen over de persoon van de verdachte en zijn drijfveren, anders dan financieel gewin, om strafbare feiten te plegen. Drugs en geweldsfeiten in het criminele circuit kunnen lang onopgemerkt blijven en enkel worden ontdekt door complex en omvangrijk opsporingsonderzoek of toeval. Dit maakt dat de rechtbank er niet op vertrouwt dat de verdachte na de schorsing geen strafbare feiten heeft gepleegd of zal plegen. De bewezenverklaarde feiten zijn immers ook gepleegd over een periode van vijf jaar. Nu er een veroordelend vonnis ligt is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de maatschappij bij de detentie van de verdachte zwaarder wegen, dan de belangen van de verdachte om een eventueel hoger beroep in vrijheid af te wachten. De verzoeken van de raadsman tot opheffing, dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis, zullen dan ook worden afgewezen.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (hierna: beslaglijst, die als
bijlage IIaan dit vonnis is gehecht):
  • de woning aan de [adres 1] (onder 1), zal worden verbeurd verklaard;
  • de contante geldbedragen (onder van 2 tot en met 14) zullen worden verbeurd verklaard;
  • de goederen (onder 15 tot en met 22) strafrechtelijk zullen worden teruggegeven aan de verdachte.
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over de parkeerplaats (onder 2).
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft om teruggave van alle in beslag genomen voorwerpen verzocht.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde onroerende registergoederen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de woning onder andere is gefinancierd met een lening verkregen door een misdrijf, namelijk het aanleveren van valse documenten voor een hypotheek. Echter, uit de stukken volgt ook dat de verdachte aan zijn betalingsverplichtingen jegens de banken heeft voldaan en hij de woning mede heeft gefinancierd door een schenking vanuit zijn familie. Hieruit volgt dat een deel van de waarde van de woning is opgebouwd met legaal verkregen inkomsten. De rechtbank is, gelet hierop, van oordeel dat het verbeurd verklaren van de woning en parkeerplaats een onevenredig gevolg is en zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de woning en parkeerplaats.
Voor de geldbedragen geldt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de inbeslaggenomen geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn aangezien het gaat om girale geldbedragen op bankrekeningen en de contante geldbedragen die ten grondslag liggen aan het witwassen al door de verdachte zijn uitgegeven. De rechtbank zal daarom de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 3 tot en met 22 genoemde geldbedragen en voorwerpen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47, 57, 225, 420 ter van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken;
ten aanzien van dagvaarding II:
opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (VIJF) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verstaat dat de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden eindigt;
de inbeslaggenomen goederen;
gelast de teruggave aan [verdachte] van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 22 genoemde voorwerpen, te weten:
  • 1 STK Onroerende registergoederen (Omschrijving: woning [adres 1] , kadastraal bekend onder [kadastraal nummer 1] .);
  • 1 STK Onroerende registergoederen (Omschrijving: parkeerplaats, kadastraal bekend onder [kadastraal nummer 2] ; hoort bij OG nummer 1 en waarde zit in WOZ waarde hiervan);
  • 1.370,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: DHRAB24002_853229);
  • 150,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: DHRAB24002_853246);
  • 200,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: DHRAB24002_853251);
  • 570,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: DHRAB24002_853276);
  • 1.920,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: DHRAB24002_853106);
  • 1.000,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: DHRAB24002_852884);
  • 1 STK Vorderingen (Omschrijving: saldo op bankrekening [bankrekening 1] (verklaard saldo € 12.938,93 - € 2.071,24 beslagvrije voet)., ABN AMRO Bank);
  • 1 STK Vorderingen (Omschrijving: saldo op bankrekening [bankrekening 2] , ABN AMRO Bank);
  • 1 STK Vorderingen (Omschrijving: saldo cryptotegoed bij Bitvavo op 23-04-2025., Bitvavo B.V.);
  • 1 STK Vorderingen (Omschrijving: Saldo op bankrekening [bankrekening 3] . IBG: 14-05-2025, Rabobank);
  • 1 STK Vorderingen (Omschrijving: Saldo op bankrekening [bankrekening 4] . IBG: 14-04-5025, Rabobank);
  • 693,50 EUR Geld Euro (Omschrijving: DHRAB24002_853317);
  • 1 STK Personenauto GSL-97-G (Omschrijving: DHRAB24002_853126, Wit, merk: Volkswagen);
  • 1 STK Horloge (Omschrijving: DHRAB24002_853071, zilver/ rosegoud, merk: Rolex);
  • 1 STK Computer (Omschrijving: DHRAB24002_853022, Grijs, merk: Apple);
  • 1 STK Zonnebril (Omschrijving: DHRAB24002_853195, Goud, merk: Cartier);
  • 1 DS Doos (Omschrijving: DHRAB24002_853040, Rolex);
  • 290,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: DHRAB24002_852845);
  • 1 STK Computer (Omschrijving: DHRAB24002_852907, Zwart);
  • 1 STK Computer (Omschrijving: PL1500-DHRAB24002_852904, Zwart, merk: ASUS).
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. N.F.R. de Rooij, rechter,
mr. F.M. Guljé, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M. van Ginkel, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juni 2026.