ECLI:NL:RBDHA:2026:1770

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/09/696528 / JE RK 25-2170
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige en een machtiging voor gesloten jeugdhulp. De minderjarige verblijft in een gesloten accommodatie en heeft ondanks ontwikkelingsstappen te maken met terugval door onrust en veranderingen in zijn omgeving en hulpverlening.

De kinderrechter heeft de minderjarige gehoord en de standpunten van de moeder en de minderjarige zelf meegewogen. De minderjarige wenst een kortere machtiging van drie maanden en benadrukt het belang van paardencoaching en begeleiding, die recent zijn stopgezet vanwege financiële redenen.

De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige. De gesloten plaatsing is passend en noodzakelijk om de veiligheid en continuïteit van de hulpverlening te waarborgen. De machtiging wordt voor drie maanden verleend met aanhouding van het resterende verzoek, waarbij een schriftelijke update en nieuwe gedragswetenschappelijke verklaring worden verlangd.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de behandeling van het resterende verzoek wordt aangehouden tot een nader te bepalen zitting voor 30 april 2026.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling voor een jaar en verleent een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor drie maanden met aanhouding van het resterende verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorg recht
Zaaknummer: C/09/696528 / JE RK 25-2170
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp en verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. I.G.M. van Gorkum uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 december 2025;
  • de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 14 januari 2026, ontvangen op 15 januari 2026;
- de verklaring van de begeleider van [minderjarige] vanuit [instelling 1] , verzonden door de advocaat van [minderjarige] , ontvangen op 19 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] met zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door een begeleider van [instelling 1] , [naam 1] ;
  • [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling met [naam 3] als toehoorder;
  • advocaat in opleiding [naam 4] , als toehoorder.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting en in het bijzijn van zijn advocaat een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige] was ook tijdens de zitting aanwezig.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door [naam 5] .
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] verblijft in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp, te weten in de [instelling 2] te [plaats] .
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 januari 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 30 januari 2026 en heeft een machtiging verleend [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 30 juli 2025.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 juli 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 30 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.
3.2.
In de afgelopen periode is zichtbaar dat [minderjarige] stappen heeft gezet in zijn ontwikkeling. Hij herstelt sneller na spanningsvolle momenten en laat een goede mate van reflectievermogen zien. Tegelijkertijd is gebleken dat recente veranderingen en onzekerheden in zijn systeem, omgeving en hulpverlening een sterke toename van onrust bij [minderjarige] hebben veroorzaakt. Zo is de relatie tussen de moeder en de stiefvader beëindigd, waar de stiefvader voorheen nauw betrokken was bij [minderjarige] en de hulpverlening voor het gezin. De relatiebeëindiging heeft tevens impact op de moeder, die naast het reguleren van haar eigen emoties en stress, nu opnieuw de volledige opvoedverantwoordelijkheid voor [minderjarige] draagt, hetgeen veel van haar vraagt. Ook is er veel onrust ontstaan voor [minderjarige] op zijn woongroep, waar hij erg door wordt belast. Hiernaast had [minderjarige] voorheen paardencoaching en had hij vijfentwintig uur begeleiding per week van zijn begeleider van [instelling 1] , maar heeft de gemeente besloten dat dit niet meer gefinancierd kan worden, waardoor [minderjarige] nog slechts vijf uur begeleiding krijgt en de paardencoaching is gestopt. Door de veranderingen in het leven van [minderjarige] heeft hij een terugval gehad in zijn gedrag. In de afgelopen twee maanden zijn er ongeveer elf incidenten geweest waarbij sprake was van escalatie. In deze situaties liep de spanning dusdanig hoog op dat begrenzing door de begeleiding noodzakelijk was. Dit staat in contrast met de periode daarvoor, waarin het aantal incidenten aanzienlijk lager lag. [minderjarige] is nog onvoldoende in staat gebleken om bij oplopende emoties zelfstandig te reguleren. Onzekerheid, veranderingen en onduidelijkheid leiden tot overvraging, waarna [minderjarige] de controle probeert te behouden via fysiek en dwingend gedrag. De oplopende emoties die escaleren komen veelal voort uit onduidelijkheid, verveling of frustratie. Daarnaast wordt tevens gezien dat [minderjarige] dit gedrag bewust inzet. Hoewel hij hier achteraf goed op kan reflecteren, lukt het hem op het moment zelf nog niet om passende alternatieven in te zetten, waarna hij grenzen opzoekt. Ook tijdens de verloven van [minderjarige] bij de moeder wordt gezien dat deze wisselend verlopen en dat de moeder nog een kwetsbare draagkracht heeft. Een verdere uitbreiding van het verlof is daarom tijdelijk gepauzeerd, omdat het risico op overbelasting van moeder en escalatie bij [minderjarige] momenteel te groot wordt geacht. Een volledige thuisplaatsing wordt op dit moment dan ook nog als te vroeg en te risicovol beoordeeld. Alternatieven zoals een open groep zijn opnieuw overwogen, maar worden op dit moment niet als passend beschouwd. De recente toename van incidenten en de noodzaak tot fysieke begrenzing maken dat een open setting onvoldoende veiligheid kan bieden. Daarnaast zou een overstap naar een andere plek of setting het risico op ontregeling vergroten, aangezien [minderjarige] juist gebaat is bij de bekende structuur en voorspelbaarheid binnen de huidige groep. Wanneer toch naar voren komt dat de huidige groep voor [minderjarige] echt niet meer als passend wordt ervaren, kan de jeugdbeschermer zich inzetten om een andere plek voor [minderjarige] te vinden. Dit is echter lastig met de belemmeringen van het aansluiten van de hulpverlening, aanwezige jongeren met andere problematiek en regiogebondenheid. De gecertificeerde instelling is wel actief bezig met het monitoren van de veiligheid van [minderjarige] en de andere kinderen en is in gesprek hierover met [instelling 2] . Het perspectief blijft gericht op een terugkeer naar huis bij de moeder, maar een voortzetting van de gesloten plaatsing is nu nog noodzakelijk. De komende periode zal worden ingezet op het voortzetten van de systeemtherapie, het versterken van de ouder-kindrelatie, het vergroten van de opvoedvaardigheden en de balans tussen draagkracht en draaglast van de moeder terugvinden, naast het verder ontwikkelen van de emotieregulatie van [minderjarige] . Parallel hieraan zal, waar mogelijk, opnieuw worden toegewerkt naar het zorgvuldig opbouwen van verloven en het verminderen van geslotenheid, passend bij de ontwikkeling en belastbaarheid van [minderjarige] en de moeder. Ook is de jeugdbeschermer aan het onderzoeken of er een alternatief voor de paardencoaching gevonden kan worden. Hiernaast wordt ingezet op het van de grond krijgen van passende dagbesteding en onderwijs voor [minderjarige] voor wanneer hij weer thuis woont.

4.De standpunten

4.1.
Er is door en namens [minderjarige] verweer gevoerd tegen het verzoek tot gesloten plaatsing voor de duur van zes maanden. [minderjarige] zou het liefst naar huis willen, maar snapt dat dit nu nog moeilijk zal zijn. Wel zou [minderjarige] graag willen dat de machtiging slechts voor drie maanden wordt toegewezen, zodat erna een evaluatiemoment kan komen en hij meer perspectief krijgt. Het is verder bijzonder kwalijk dat de paardencoaching voor [minderjarige] is stopgezet en dat hij minder tijd krijgt dan voorheen met zijn begeleider van [instelling 1] . [minderjarige] had zeer veel baat bij de paardencoaching en de coaching was een groot onderdeel van de groei in zijn ontwikkeling en de verbetering in zijn emotieregulatie. Een gesloten plaatsing dient zo kort mogelijk te duren, en het stoppen/verminderen van deze zorg zou ertoe kunnen leiden dat [minderjarige] langer gesloten geplaatst moet blijven. [minderjarige] hoort alle middelen te krijgen om weer zo goed mogelijk in zijn kracht te komen staan voordat hij naar huis gaat. Verder is het in het belang van [minderjarige] dat er een nieuwe plek voor hem gevonden wordt. De huidige plek is niet langer passend.
4.2.
De moeder heeft ter zitting aangegeven dat [minderjarige] nu nog niet naar huis kan, maar dat zij wel grote zorgen heeft over de huidige situatie. Door de onrust op de groep van [minderjarige] heeft hij onveiligheid ervaren en is hij achteruit gegaan in zijn gedrag. De huidige groep is niet langer passend voor hem. Het is verder zeer kwalijk dat de paardencoaching en de extra begeleiding van [instelling 1] voor [minderjarige] zijn weggevallen door financiële redenen, waardoor zijn uithuisplaatsing nu mogelijk langer zal duren.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De kinderrechter ziet dat [minderjarige] grote stappen heeft gezet in zijn ontwikkeling en het lukt hem steeds beter om te reflecteren op zijn eigen gedrag. Helaas hebben omstandigheden buiten de macht van [minderjarige] er toe geleid dat sprake is van onzekerheid, veranderingen en onduidelijkheid. Dit leidt tot overvraging van [minderjarige] . Gezien wordt dat het [minderjarige] op die momenten niet lukt zelfstandig zijn emoties te reguleren en dat hij dan de grenzen op kan zoeken. Het is in het belang van [minderjarige] dat er weer rust, stabiliteit en duidelijkheid wordt gecreëerd voor hem. Hiernaast is het in zijn belang noodzakelijk dat hij de hulpverlening ontvangt die hij nodig heeft en op de meest passende plek is die hem het beste kan helpen om weer in zijn kracht te komen staan, om zo toe te werken naar een thuisplaatsing. Het is belangrijk dat de komende periode een jeugdbeschermer betrokken blijft om toe te zien op de ontwikkeling en de veiligheid van [minderjarige] . Hiernaast kan de jeugdbeschermer zich blijven inzetten voor het van de grond krijgen van de noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige] en voor het vinden van passend onderwijs of een passende dagbesteding voor wanneer [minderjarige] weer naar huis zou kunnen.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.4.
De kinderrechter is ook van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [2]
5.5.
De kinderrechter overweegt daartoe dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat het voor [minderjarige] op dit moment nog niet mogelijk is om naar huis te gaan. Hoewel [minderjarige] tijdens zijn periode in de gesloten setting erg zijn best heeft gedaan om aan zichzelf te werken en veel heeft geleerd, is zijn ontwikkeling hierin door omstandigheden buiten zijn macht opnieuw gestagneerd. [minderjarige] is erg belast door de onrust met betrekking tot het niet langer betrokken zijn van de stiefvader, de wisselingen van werknemers op de groep waar [minderjarige] verblijft en veranderingen in zijn hulpverlening, waardoor het aantal incidenten in de afgelopen periode juist is toegenomen. Hoewel de kinderrechter begrijpt dat de gemeente niet over onbeperkte middelen kan beschikken voor het financieren van de hulpverlening aan jongeren, is het onacceptabel dat [minderjarige] langer gesloten geplaatst zou moeten blijven omdat er voor hem geen hulpverlening op maat gefinancierd zou kunnen worden. Een gesloten plaatsing is immers een laatste redmiddel en dient voor een zo kort mogelijke periode te worden toegewezen, waarvoor ook de gemeente zich dient in te spannen.
De komende periode moet passende hulpverlening worden ingezet om [minderjarige] opnieuw de hulp en begeleiding te bieden die hij nodig heeft en verdient. Ook moet verder worden ingezet op voortzetten van de systeemtherapie, het versterken van de ouder-kindrelatie en de opvoedvaardigheden van de moeder. Gelet op hetgeen in gang dient te worden gezet om toe te kunnen werken naar een succesvolle thuisplaatsing, ziet de kinderrechter aanleiding om vinger aan de pols te houden. De kinderrechter machtigt de gecertificeerde instelling om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp daarom voor de duur van drie maanden, met aanhouding voor het overige deel van het verzoek. Na deze periode zal worden besproken of [minderjarige] naar huis zou kunnen en wat hiertoe in deze periode is ingezet. De gecertificeerde instelling dient in deze periode ook blijvend te onderzoeken wat de beste plek is voor [minderjarige] . De kinderrechter verzoekt daarbij de gecertificeerde instelling om
uiterlijk twéé wekenvoor de nieuwe zitting een schriftelijke update aan de rechtbank en de belanghebbenden toe te sturen, met daarin informatie over het verloop en resultaat van de hulpverlening. Ook verzoekt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om, bij handhaving van haar verzoek,
uiterlijk twéé wekenvan te voren een nieuwe verklaring van de gedragswetenschapper te overleggen.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing om [minderjarige] onder toezicht te stellen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 30 januari 2027;
6.2.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 30 januari 2026 tot 30 april 2026;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 30 april 2026, tegen welke zitting de gecertificeerde instelling, de moeder en [minderjarige] en zijn advocaat dienen te worden opgeroepen;
6.4.
verzoekt de gecertificeerde instelling op om
uiterlijk twéé wekenvoor de zitting een schriftelijke update bij de rechtbank in te dienen zoals hiervoor onder 5.5. overwogen, onder gelijktijdige verzending van een afschrift daarvan aan de belanghebbenden;
6.5.
verzoekt de gecertificeerde instelling op om
uiterlijk twéé wekenvoor de zitting een verklaring van de gedragswetenschapper bij de rechtbank in te dienen zoals hiervoor onder 5.5. overwogen, onder gelijktijdige verzending van een afschrift daarvan aan de belanghebbenden;
6.6.
verklaart de beslissing onder 6.1. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 29 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).