ECLI:NL:RBDHA:2026:17701

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
SGR 24/7962
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 99 BARDArt. 100 BARDArt. 103 BARDArt. 121 BARDArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag wegens plichtsverzuim van leidinggevende bij Defensie na integriteitsonderzoek

Eiser, werkzaam als leidinggevende bij Defensie, werd ontslagen wegens plichtsverzuim na een onderzoek door de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) naar agressief, intimiderend en ongepast gedrag en het niet opvolgen van regelgeving. Het onderzoek vond plaats na een melding van de Amerikaanse leidinggevende en omvatte verklaringen van collega’s over incidenten tussen 2019 en 2022.

Eiser voerde in beroep aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was, dat er sprake was van een roddelcultuur en dat hij onvoldoende gelegenheid had zich te verdedigen. Ook stelde hij dat het ontslag disproportioneel was en dat hij nooit een verbeterkans had gekregen. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek voldeed aan de eisen, dat de verklaringen van collega’s met de nodige voorzichtigheid waren behandeld en dat het plichtsverzuim toerekenbaar was.

De rechtbank stelde vast dat eiser zich schuldig had gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag, waaronder agressieve communicatie, intimidatie en het niet naleven van regels omtrent creditcardbevoegdheden. Gezien zijn leidinggevende positie en de internationale context was het ontslag een proportionele sanctie. Daarnaast werd een schadevergoeding van €1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het ontslagbesluit bleef in stand en eiser kreeg geen griffierecht terug, maar wel een gedeeltelijke vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige militaire ambtenarenkamer van de rechtbank Den Haag op 30 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het ontslag wegens plichtsverzuim wordt ongegrond verklaard en het ontslagbesluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7962
uitspraak van de meervoudige militaire ambtenarenkamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. T.H. ten Wolde),
en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.C.M. Nieuwenboer-Wegman),
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen zijn ontslag, primair wegens plichtsverzuim en subsidiair wegens ongeschiktheid.
1.1.
Met het bestreden besluit van 14 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit tot ontslag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door mr.drs. [naam 1] van de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID).
1.4.
De rechtbank heeft de Staat aangemerkt als partij bij het beroep in verband met het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de minister van Justitie en Veiligheid hoeft de rechtbank in dit geval geen reactie op te vragen van de minister op het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Eiser was werkzaam als burgerambtenaar bij Defensie. Zijn laatste functie was die van [functienaam], eerst in Schinnen, later in Brunssum. Hij vervulde deze functie vanaf 1 oktober 2015. De minister van Defensie stelt daar medewerkers beschikbaar die onder dagelijkse aansturing van Amerikaanse leidinggevenden werkzaamheden uitvoeren, maar formeel een dienstverband hebben bij Defensie. Het team waar eiser een leidinggevende functie had, is verantwoordelijk voor het design, onderhoud en reparaties aan alle faciliteiten, het management van de omgeving en het afval en zorgt voor woonruimte voor het Amerikaanse personeel en hun families.
2.2.
Op 10 mei 2022 is door de Amerikaanse leidinggevende [naam 2] aan de Nederlandse Chief Personnel Officer van DPW, [naam 3], verzocht om een onderzoek in te stellen naar eisers gedrag. Daarbij is aangegeven: “Intent is tot have his work history surveyed as well as inter-personal relationships that were severely affected by his negative and sometimes aggressive attitude, due to reported recent incidents of intimidating behavior. Ascertain facts and report these to the appropriate Dutch appointing authority in support of appropriate punitive measures, including a possible separation.”
2.3.
Bij besluit van 18 mei 2022 is eiser geschorst omdat verweerder door de melding van de Amerikanen het vermoeden heeft gekregen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Op 22 september 2022 is door Commandant Landstrijdkrachten, luitenantgeneraal [naam 4], besloten om een persoonsgericht Intern onderzoek te laten door een commissie. De commissie heeft onderzoek gedaan naar feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan In de periode tussen januari 2019 en juli 2022. Vanwege de aard van de vermeende gedragingen (onder meer intimidatie) was verweerder van oordeel dat eisers aanwezigheid op de werkvloer het onderzoek kon belemmeren. Het COID heeft op 1 februari 2023 rapport uitgebracht.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Naar aanleiding van het rapport van het COID heeft verweerder eiser bij besluit van
8 juni 2023 ontslagen vanwege plichtsverzuim en subsidiair wegens ongeschiktheid.
Verweerder stelt vast dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan agressief, intimiderend en/of ongepast gedrag en het meermaals niet opvolgen van regelgeving en dienstopdrachten. Het geheel aan gedragingen in onderlinge samenhang bezien, kwalificeert volgens verweerder als plichtsverzuim. Verweerder merkt als verzwarende omstandigheid aan dat eiser een leidinggevende positie heeft en daarmee een voorbeeldfunctie vervult. Ook wordt in eisers nadeel meegewogen dat hem eerder, op 17 november 2021, een verplichting tot schadevergoeding is opgelegd van € 3.664,- wegens vermissing van Amerikaanse eigendommen, ontstaan door bewuste roekeloosheid van eiser. Verder heeft verweerder zwaar laten meewegen dat eiser als leidinggevende in een internationale omgeving functioneerde, waarbij hij veelvuldig in contact was met Amerikanen. Eisers handelen heeft daarmee schade toegebracht aan het aanzien van het Commando Landstrijdkrachten ten opzichte van de Amerikaanse autoriteiten. Verweerder wijst op de Aanwijzing SG A/984. In deze aanwijzing staan de regels over integriteit omschreven, waaronder de vier basisnormen van de gedragscode Defensie.
Tot slot heeft verweerder zwaar laten meewegen dat eiser meerdere malen is aangesproken en gewaarschuwd. Uit het voorgaande volgt volgens verweerder ook dat eiser niet geschikt is voor zijn functie.
Wat vindt eiser in beroep?
4.1.
Eiser is van mening dat het onderzoek naar zijn vermeende gedragingen niet zorgvuldig is geweest zodat niet gesproken kan worden van deugdelijk vastgestelde feiten die ten grondslag moeten liggen aan het ontslag. Op het moment van de schorsing lag er nog geen formele melding van een voorval of klacht, dat is daarna pas gecreëerd. Eiser wist op 8 juni 2022 niet dat [naam 3] een melding over eiser had gedaan. De dag erna bracht [naam 3] nog een huisbezoek aan eiser in het kader van personeelszorg en vertelde daarbij niet dat hij de melder was. [naam 3] deelde informatie uit dat huisbezoek weer in het onderzoek naar eiser. Eiser was zowel voor personeelszorg als voor informatie afhankelijk van [naam 3]. Het bleek verder ineens onmogelijk voor eiser om toegang te krijgen tot zijn werk-account. Zo werd het eiser onmogelijk gemaakt ontlastende informatie aan te dragen.
4.2.
Eiser vindt dat het onderzoek niet had mogen plaatsvinden omdat [naam 2] zelf niet vond dat er een onderzoek moest komen tegen eiser, maar dit is ingefluisterd door [naam 3]. [naam 3] heeft datzelfde gedaan bij [naam 5]. Beiden hadden zelf geen concrete voorbeelden van eisers beweerdelijk slechte gedrag, die kregen zij door van [naam 3]. Die heeft niet doorgegeven van welke collega’s hij de klachten had vernomen. Uiteindelijk heeft [naam 3] ook de melding bij het COID gedaan, hetgeen eiser pas bij zijn eerste gesprek bij de onderzoekscommissie te horen kreeg. Eiser vindt deze handelwijze niet integer. SG Aanwijzing A/989 schrijft voor dat er een concreet vermoeden van een integriteitsschending of misstand dient te zijn voordat opdracht gegeven kan worden tot een onderzoek. Aan eiser is nooit aangegeven welke feiten ten grondslag hebben gelegen aan het instellen van het onderzoek. Hierdoor was het voor eiser onmogelijk om tegenbewijs te verzamelen.
Het onderzoek zelf bestaat uit niet meer dan het bevragen van collega’s. Eiser wijst op rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) volgens welke een bestuursorgaan in het kader van een tegen een ambtenaar gericht disciplinair onderzoek moet voorzichtig omgaan met verklaringen van collega’s. [2] Eiser meent dat ten onrechte doorslaggevende waarde is toegekend aan (negatieve) verklaringen van getuigen terwijl geen aandacht is besteed aan het waarheidsgehalte van die verklaringen. Het is eiser niet gebleken dat verweerder openstond voor een tegengeluid. Daarmee was het voor eiser moeilijk om zich te verweren. Eiser wijst er op dat er een roddelcultuur was op het werk. Er werd over iedereen gepraat, dat zag niet alleen op eiser. Daarbij is een groot deel van de getuigen niet van onbesproken gedrag. [naam 6] heeft [naam 7] onder druk gezet om te bedenken wat ze zou verklaren bij de commissie. Een ander voorbeeld waarom er sprake is van een gebrekkig onderzoek is dat [naam 8] door haar collega’s onder druk is gezet om een negatieve verklaring over eiser af te geven. Datzelfde vermoeden heeft eiser ook bij sommige andere verklaringen van collega’s. Verweerder is daar ten onrechte aan voorbijgegaan.
4.3.
Vooralsnog is onvoldoende aannemelijk gemaakt op grond van objectieve gegevens dat er een of meerdere waarschuwingen zijn gegeven en kan dat argument om die reden niet de basis vormen voor het bestreden ontslag. Eiser ontkent dat hij aangesproken is op het gestelde ongewenste gedrag. Zo heeft hij het gesprek met brigadegeneraal [naam 5] in 2021 ervaren als “oude jongens krentenbrood”, waarin [naam 5] aangaf dat collega’s moeite hadden met zijn directieve manier van communiceren en [naam 5] hem tips gaf hoe hij dit anders kon doen. Hij heeft de tips ter harte genomen en medewerkers reageerden positief op deze verandering in eisers gedrag. Opmerkingen van collega’s dat eiser het rustig aan moet doen heeft eiser begrepen als bezorgdheid om zijn gezondheid. Ook de gesprekken met [naam 10] heeft eiser nooit als waarschuwing ervaren. In april 2022 heeft eiser met [naam 6] en [betrokkene 3] hun functioneringsgesprekken gevoerd, daar werd niets gezegd over het verweten gedrag. Eiser is in die periode ook zelf op functioneringsgesprek bij [naam 9] geweest, ook daar kreeg eiser niets te horen over zijn gedrag. Eiser erkent wel dat hij signalen gemist heeft van zijn collega’s en dat er sprake is van een blinde vlek. Anderzijds is duidelijk dat er een dieper geworteld probleem aanwezig is binnen de gehele DPW (niet alleen eisers afdeling) dat niet geheeld zal worden door alleen eiser uit zijn functie te ontheffen. Er zijn mensen die aan hebben gegeven te zullen vertrekken als eiser niet terugkomt. Er is veel ziekteverzuim en de bedrijfsmaatschappelijk werker heeft ook een signaal afgegeven. Op 7 juli 2020 deed eiser zelf een noodkreet aan de bedrijfsarts en de CPO vanwege de werkdruk. Dat wordt door verweerder ten onrechte niet meegewogen. Eiser acht het raadzaam om zowel de leidinggevenden zelf als het complete team mee te nemen in een begeleidingstraject door het Expertise Centrum Leiderschap Defensie. Enkel op die manier zullen medewerkers zich gehoord voelen en kan het gif met wortel en al worden uitgeroeid.
4.4.
In het primaire besluit is niet expliciet opgenomen (en dat is ook niet in het bestreden besluit opgemerkt), dat de aan eiser op te leggen straf met onmiddellijke tenuitvoerlegging gepaard moet gaan. Nu artikel 103, eerste lid, van het BARD [3] van toepassing is, stelt eiser zich op het standpunt dat hem geen ontslag wegens plichtsverzuim verleend had mogen worden voordat het strafbesluit onherroepelijk is geworden. Daarvan is echter nog geen sprake. Verder is het ontslag volgens eiser niet evenredig. Hoewel eiser inziet dat hij naïef is blijven hangen in het verleden qua leiderschap, communicatie en de vermenging tussen werk en privé, is ontslag een te zwaar middel. Eiser heeft jarenlang goed gefunctioneerd met goede beoordelingen en referenties. Verweerder had kunnen volstaan met een voorwaardelijke disciplinaire straf of overplaatsing naar een andere functie. Eiser erkent dat hij te lang is meegegaan met de cultuur op het werk dat het gebruikelijk is om collega’s werkzaamheden uit te laten voeren in je eigen woning. Verweerder verwijt dit ten onrechte alleen aan eiser, terwijl anderen dit net zo goed deden. Dat geldt voor meer van de gedragingen die eiser worden verweten.
4.5.
Voor wat betreft de subsidiaire ontslaggrond stelt eiser zich op het standpunt dat er nooit met hem is gesproken over disfunctioneren en dat hem ook nooit een verbeterkans is geboden op dat punt. Daarmee is het niet mogelijk om eiser te ontslaan wegens ongeschiktheid voor de functie.
Wat zijn de regels?
5. De relevante regels staan in de bijlage. De bijlage hoort bij de uitspraak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Allereerst stelt de rechtbank vast dat in het ontslagbesluit de ontslagdatum van 1 juli 2023 is opgenomen. Daarmee is voldaan aan artikel 103, eerste lid, van het BARD. De beroepsgrond dat de aan eiser op te leggen straf met onmiddellijke tenuitvoerlegging gepaard moet gaan, slaagt dan ook niet.
Heeft eiser zich schuldig gemaakt aan de hem verweten feiten?
7. Het integriteitsbeleid van Defensie is vastgelegd in de Aanwijzing SG A/984 (de Aanwijzing). Hierin staat vermeld dat Defensie verantwoordelijk is voor het creëren en borgen van een sociaal veilige werkomgeving voor haar medewerkers. De omgangsvormen bij Defensie zijn gericht op het voorkomen van ongewenst gedrag, misbruik van bevoegdheden en belangenverstrengeling. Dit houdt onder meer in dat medewerkers respectvol met elkaar omgaan en streven naar het voorkómen van psychosociale belasting en elkaars waardigheid intact laten.
8. Naar vaste rechtspraak [4] gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de in het strafrecht van toepassing zijnde strikte bewijsregels. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de desbetreffende ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Bovendien dient het wangedrag aan hem toe te rekenen te zijn en dient de opgelegde straf evenredig te zijn aan de ernst van het gestelde wangedrag. [5] Volgens eveneens vaste rechtspraak [6] moet het bestuursorgaan in het kader van een disciplinair onderzoek zelfstandig de feiten onderzoeken die tot het treffen van een disciplinaire maatregel aanleiding kunnen geven.
9. De rechtbank begrijpt dat het voor eiser soms lastig was om zich te verdedigen voorafgaande en tijdens het onderzoek. Gelet op de aard van de verweten gedragingen in combinatie met de werkomgeving van eiser is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder de gekozen aanpak niet verweten kan worden. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat de verhoudingen tussen de Amerikanen en Nederlanders juridisch ingewikkeld is. De Amerikanen geven leiding aan het personeel maar Defensie is formeel de werkgever. De Amerikanen kunnen voordrachten doen voor beloningen of aangeven als het niet goed gaat. In die setting moet de melding van [naam 2], die overigens inhoudelijk duidelijk is, geplaatst worden. Dat [naam 3] een dubbelrol gespeeld heeft in de aanloop naar het onderzoek is dan ook te verklaren door de specifieke werkomgeving van eiser. De rechtbank ziet niet in dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad. Het is eiser bij de schorsing al duidelijk gemaakt dat verweerder het vermoeden had dat hij intimiderend gedrag heeft vertoond. Omdat er steeds incidenten naar boven kwamen, wilde de Amerikaanse leiding dat daar gevolg aan werd gegeven. Omdat de Amerikanen geen formele rechtspositionele mogelijkheden hebben tegenover het Nederlandse personeel en omdat een afhandeling door de Amerikanen niet in het belang is van het Nederlandse personeel [7] , heeft [naam 3] de mogelijkheden voor een Nederlands onderzoek voorgelegd aan de Amerikaanse leiding en aangegeven dat daarvoor zijns inziens wel een formeel verzoek van hun kant nodig was, hetgeen met de melding van 10 mei 2022 is gebeurd. De rechtbank acht deze gang van zaken gelet op de bijzondere verhouding tussen de Amerikaanse en de Nederlandse defensieorganisatie begrijpelijk en niet onrechtmatig. De rechtbank merkt wel op dat het zeer ongelukkig is dat eiser na het onderzoek geen toegang meer bleek te hebben tot een groot deel van zijn e-mails. Voor de concrete incidenten die verweerder in het bestreden besluit benoemd heeft, heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat deze e-mails daar een ander licht op zouden hebben geworpen.
10. Verder volgt uit vaste rechtspraak dat met verklaringen van collega’s voorzichtig moet worden omgegaan. [8] Dit neemt echter niet weg dat naar het oordeel van de rechtbank uit de aard van de verweten gedragingen volgt dat bevraging van collega’s één van de belangrijkste bronnen van informatie is. De rechtbank heeft geen aanleiding voor het oordeel dat bij die bevraging niet de nodige voorzichtigheid in acht is genomen, of dat de objectiviteit daarbij uit het oog is verloren. Er is een groot aantal collega’s bevraagd, ook collega’s die eiser zelf als getuige heeft aangedragen. Daarmee is er ruimte geweest voor nuance en een tegengeluid. De bevraagde collega’s hebben over verschillende periodes verklaard waarin zij met eiser hebben samengewerkt. Daarmee is voorkomen dat een eventuele groepsdynamiek aan de objectiviteit van de verkregen informatie afbreuk zou kunnen doen. Al met al voldoet het verrichte onderzoek aan de daaraan te stellen eisen.
Agressieve en intimiderende gedragingen
11. Uit de verschillende interviews komt naar het oordeel van de rechtbank naar voren dat eiser zich op verschillende momenten grensoverschrijdend gedragen heeft, onder meer door zijn agressieve manier van communiceren. Dat was zowel per e-mail als in persoon. Ook hield eiser zich niet aan regels over de creditcardbevoegdheid. In het bestreden besluit heeft verweerder een aantal van die gedragingen benoemd.
12. Op 10 februari 2022 vond een incident plaats waarbij eiser volgens de bevraagden laaiend is geworden. Eiser was intimiderend, verbaal agressief en heeft een deur hard dichtgeslagen. Ter zitting heeft eiser hierover opgemerkt dat hij ondersteboven was van een opmerking van collega [betrokkene 1] (hierna: betrokkene) en dat hij daar inderdaad emotioneel op heeft gereageerd. Na het incident heeft eiser aan betrokkene zijn excuses aangeboden voor zijn gedrag. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het incident zich heeft voorgedaan. Dat eiser daarna zijn excuses gemaakt heeft en daarna door betrokkene is uitgenodigd om een taartje te eten voor haar verjaardag, doet daar niet aan af.
13. Verschillende collega’s noemen in hun interview het incident met [betrokkene 2] (hierna: betrokkene). De rechtbank heeft geen datum kunnen vaststellen waarop dit incident plaatsvond, maar plaatst dit ergens in 2021. Bij een meningsverschil tussen eiser en betrokkene werd eiser dermate agressief dat collega’s hem hebben moeten tegenhouden. Eiser geeft toe dat hij betrokkene een uitbrander heeft gegeven maar stelt dat er geen dreiging is geweest. Tussen partijen is daarmee wederom niet in geschil dat er een confrontatie is geweest tussen eiser en betrokkene, maar er zit verschil in de beleving hoe heftig dat incident was. De rechtbank is van oordeel dat er meer waarde toekomt aan de verschillende verklaringen van eisers collega’s dan de meer afgezwakte versie van het incident die eiser zelf geeft. Daartoe is van belang dat dit incident door meerdere collega’s is genoemd en het voor alle collega’s gold als een heftig incident. Volgens betrokkene zelf heeft hij een uitbrander gehad van eiser, die eindigde in een schreeuwpartij. Betrokkene had niet de indruk dat eiser hem fysiek iets aan zou doen maar hij kon zich wel voorstellen dat iemand dat zo zou ervaren. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser zich schuldig gemaakt heeft aan agressief dan wel intimiderend gedrag bij dit incident.
14. De rechtbank stelt vast dat uit het interview van [betrokkene 3] (hierna: betrokkene) blijkt dat eiser hem meerdere malen onder druk heeft gezet om creditcardtransacties uit te voeren en intimiderend gedrag richting hem heeft vertoond. Dit gedrag strekt zich uit over meerdere jaren. Uit interviews met andere collega’s blijkt ook dat betrokkene daar met zijn collega’s over sprak. Eiser ontkent dat hij dit gedaan heeft en vindt dat het buiten de onderzoeksperiode valt. Volgens eiser staat dit haaks op hoe eiser de omgang met betrokkene beleefde. Eiser vindt het normaal dat hij als hoogste leidinggevende van de afdeling betrokkene kan aansturen en opdrachten voor transacties kan laten uitvoeren. Er was geen sprake van opdrachten die tegen de regels in gaan. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit de verklaringen van betrokkene afgeleid mag worden dat eiser zich tegenover hem schuldig heeft gemaakt aan intimiderend gedrag. De rechtbank weegt daarbij mee dat betrokkene emotioneel was tijdens zijn interview en meerdere collega’s bij hun interview vertelden te weten van het gedrag van eiser richting betrokkene.
15. [betrokkene 4] (hierna: betrokkene) heeft op 21 september 2021 bij [naam 10] een melding van stalking door eiser gedaan. Eiser zou met zijn auto betrokkene in diens auto achtervolgd hebben en intimiderend aangekeken hebben. Eiser erkent dat hij achter betrokkene is aangereden maar dat hij dit deed omdat betrokkene een levensgevaarlijke manoeuvre uithaalde. De toon in de communicatie met betrokkene verliep volgens eiser normaal. De rechtbank stelt vast dat eiser niet ontkent dat hij achter betrokkene is aangereden. De verklaring van eiser, die dit incident afzwakt, legt voor de rechtbank in het licht van de melding van betrokkene en de overige incidenten minder gewicht in de schaal.
16. In het dossier bevinden zich meerdere e-mails van eiser met een agressieve schrijfstijl. [naam 11], [naam 6] en [naam 10] benoemen eisers stijl van mailen als ongepast. Daarmee staat deze gedraging vast. Voor eisers betoog dat het op het werk normaal was om soms in dergelijke bewoordingen naar elkaar te mailen heeft de rechtbank geen aanknopingspunten in het dossier gezien. Los daarvan mag van een leidinggevende verwacht worden dat hij daar niet in mee gaat en juist deze wijze van communicatie actief tegengaat.
16. Naar het oordeel van de rechtbank is het dan ook aannemelijk dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan intimiderend gedrag. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij de grenzen van toelaatbaar gedrag anders inschat dan de betrokkenen. Dat hij zich vaak heeft verontschuldigd voor zijn gedrag en vervolgens weer op de oude voet samenwerkte met de collega’s, doet niet af aan de ervaringen van de betrokkenen die zijn communicatie als agressief of intimiderend hebben ervaren
Creditcardbevoegdheden
18. Uit de verklaringen van onder andere [betrokkene 3], [naam 12], [naam 6] en [betrokkene 1] blijkt dat eiser gedurende de onderzoeksperiode gebruik gemaakt heeft van de creditcardbevoegdheden van [betrokkene 3] dan wel [betrokkene 3] onder druk gezet heeft om gebruik te maken van zijn creditcardbevoegdheden. Daarmee is eiser afgeweken van de procedures en heeft hij de autonome beslisbevoegdheid van de creditcardhouder geschonden.
Eiser stelt dat het normaal is voor een leidinggevende om een medewerker als [betrokkene 3] aan te sturen en opdrachten te laten uitvoeren voor transacties die behoren tot eisers domein. Uit het dossier is het de rechtbank voldoende duidelijk geworden dat eiser door zijn gedrag het systeem van controles ondermijnd heeft en een eigen invulling gaf aan de geldende regels.
L1-bevoegdheid
19. Uit het dossier blijkt verder dat de Amerikaanse leidinggevende van eiser, [naam 11], in 2021 de bevoegdheid om betalingen te accorderen (L1-bevoegdheid) bij eiser heeft weggehaald. Uit het dossier wordt de rechtbank niet duidelijk wat de reden is van deze actie. Meerdere ondervraagden geven in hun interview aan dat dit was omdat er zorgen bestonden over eisers gedrag met de zogenaamde L1-goedkeuringen. Eiser stelt echter dat [naam 11] hem gezegd zou hebben dat het om een organisatorische verandering ging. Los hiervan stelt de rechtbank wel vast dat eiser in februari 2022 nog steeds L1-goedkeuringen heeft afgegeven terwijl hem is gezegd dat hij die bevoegdheid niet meer mocht gebruiken. Hiermee hield eiser zich niet aan de regels en de hem gegeven opdracht.
Werkzaamheden laten verrichten
20. Uit het onderzoek blijkt verder dat eiser (ondergeschikte) medewerkers werkzaamheden heeft laten uitvoeren in zijn privé-omgeving. Gelet op eisers positie als leidinggevende is dit naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als ongewenst gedrag. Het enkele feit dat dit volgens eiser in de cultuur van de organisatie gebruikelijk was, is – wat daar verder ook van zij – hiervoor geen rechtvaardiging, temeer niet gelet op zijn positie.
Schadevergoeding
21. In het bestreden besluit heeft verweerder tot slot benoemd dat eiser op 17 november 2021 middels een besluit de opdracht heeft gekregen om een bedrag van € 3.664,- aan schadevergoeding te betalen omdat deze schade, die zag op de vermissing van Amerikaanse eigendommen, was ontstaan door bewuste roekeloosheid aan eisers zijde in het kader van de aan hem opgedragen taken en werkzaamheden. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat dit de conclusie uit het onderzoeksrapport ondersteunt voor zover die inhoudt dat meerdere personen hebben aangegeven dat eiser zijn eigen plan trekt en zich meermaals niet heeft gehouden aan werkafspraken.
Waarschuwingen
22. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier blijkt dat eiser meerdere malen is aangesproken op zijn gedrag. De rechtbank stelt vast dat [naam 11] bij zijn interview aangeeft dat hij eiser heeft aangesproken op zijn wijze van communiceren. Dit wordt bevestigd in de verklaringen van [betrokkene 1], [naam 13] en [naam 6]. Uit het dossier blijkt verder dat [naam 10] samen met [naam 9] in 2021 met eiser gesproken heeft over het feit dat mensen moeite hebben met eisers dominantie en zijn soms autoritaire gedrag. Eiser erkent dat dit gesprek heeft plaatsgevonden, maar stelt dat dit geen waarschuwing was.
Vervolgens heeft op 20 mei 2021 een gesprek plaatsgevonden tussen generaal [naam 5] en eiser. Onder andere [naam 10] en [naam 6] hebben in hun interview verteld dat eiser daar een pittige boodschap is meegegeven en dat hem verteld is dat er meerdere klachten zijn binnengekomen over eisers manier van communiceren en signalen dat eiser niet integer zou handelen. Uit het dossier blijkt dat [naam 10] eiser op 14 juli 2021 mailde dat zij proefde dat eiser het gesprek met [naam 5] wat bagatelliseerde. Daarbij heeft [naam 10] eiser meegegeven dat zij [naam 5] een week na het gesprek nog heeft gesproken en [naam 5] aan gaf dat hij eiser een duidelijke boodschap voor de toekomst heeft meegegeven. In de kern komt het er op neer dat [naam 5] van eiser verwacht dat hij zijn uiterste best zal doen om zijn rol professioneel en integer in te vullen, om alle schijn van misstanden te voorkomen. Daarbij is benoemd dat er geenszins sprake mag zijn van een heksenjacht of eigen onderzoek door eiser naar wie welke signalen onder de aandacht heeft gebracht. De stelling van eiser dat hem in het gesprek met [naam 5] alleen wat tips zijn gegeven om zijn stijl van leidinggeven aan te passen acht de rechtbank gelet op dit samenstel van verklaringen niet aannemelijk, mede gelet op de e-mail van [naam 10] van 14 juli 2021.
Kwalificeren deze feiten als plichtsverzuim?
23. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de benoemde gedragingen zijn aan te merken als plichtsverzuim. Verweerder heeft daarbij terecht verwezen naar de gedragscode waarmee eiser mag worden verondersteld bekend te zijn. Daarbij telt zwaar mee dat eiser een leidinggevende functie had en werkzaam was binnen een internationale context. In het onderzoek hebben meerdere personen gezegd bang te zijn dat eiser hen thuis opzoekt. Dat laat zien wat de impact is geweest van eisers gedrag richting deze personen. Eiser voert aan dat hij zich hier niet kan tegen verdedigen en dat het ongefundeerde verklaringen zijn. Voor de rechtbank is van belang dat meerdere personen dit onafhankelijk van elkaar verklaard hebben. Dit maakt niet dat daarmee al aannemelijk is dat hij dit daadwerkelijk zou doen, maar het is wel tekenend voor de mate waarin de betreffende personen zich geïntimideerd hebben gevoeld.
Is het plichtsverzuim toerekenbaar?
24. Bij de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak [9] van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar om aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Eisers betoog dat hij signalen gemist heeft over zijn gedrag maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat zijn gedrag niet toerekenbaar was. Eiser heeft verschillende malen excuses gemaakt voor zijn gedrag en stelt ook aan de slag gegaan te zijn met tips over zijn gedrag en wijze van leidinggeven. Volgens eiser reageerden collega’s daar positief op. De rechtbank stelt vast dat het daarmee voor eiser wel bekend was dat zijn gedrag een probleem vormde voor zijn collega’s. Ter zitting heeft eiser ook aangevoerd dat hij nooit is opgeleid om leidinggevende te zijn en dat zijn stijl wellicht niet meer overeenkomt met wat in de huidige tijd van een leidinggevende verwacht wordt. De rechtbank is van oordeel dat het gebrek aan een opleiding niet maakt dat eiser de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag niet heeft kunnen inzien en niet daarnaar heeft kunnen handelen. Daarmee is er eveneens geen grond voor het oordeel dat zijn gedrag niet aan hem toe te rekenen is. Eiser heeft ook aangevoerd dat zijn handelen paste in de cultuur van de werkomgeving en dat er sprake was van een hoge werkdruk. Naar het oordeel van de rechtbank is ook dit een onvoldoende reden om eisers gedrag niet toerekenbaar te achten. Het had op weg van eiser gelegen om aan te geven dat hij niet langer op een goede manier kon functioneren door de werkomstandigheden. Eisers noodkreet over de werkdruk van 7 juli 2020 aan de bedrijfsarts en [naam 10] is daartoe onvoldoende nu dat een eenmalig signaal was en onvoldoende specifiek ziet op het aan eiser verweten gedrag.
Is het ontslag evenredig?
25. Volgens vaste rechtspraak zijn voor het antwoord op de vraag of een opgelegde straf als (on)evenredig moet worden beschouwd, de feitelijke aard en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim, alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, bepalend. [10] De rechtbank onderkent dat de disciplinaire straf van ontslag voor eiser ingrijpende gevolgen heeft gehad, nu eiser hierdoor zijn baan en inkomen heeft verloren. Gelet op de aard en de ernst van de vastgestelde verweten gedragingen die als plichtsverzuim zijn aan te merken, acht de rechtbank de disciplinaire straf van ontslag daaraan echter niet onevenredig. Van eiser mocht worden verwacht dat hij zich als een goede leidinggevende gedraagt en zich onthoudt van agressief en intimiderend gedrag. Een leidinggevende, die als voorbeeld dient voor zijn medewerkers, dient zich bij uitstek ook te houden aan de afspraken en regels die gelden op de werkvloer. Verweerder heeft mogen laten meewegen dat eiser nog steeds niet (volledig) inziet dat zijn gedrag grensoverschrijdend is geweest en dat het hem ontbreekt aan zelfreflecterend vermogen. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiser regelmatig op zijn gedrag is aangesproken, waarbij hij weinig structurele verbetering heeft laten zien. Volgens vaste rechtspraak van de Raad ontslaat een heersende cultuur mensen niet van hun eigen verantwoordelijkheid om zich als goed ambtenaar te gedragen. [11] Het betoog dat zijn gedrag als normaal moet worden beschouwd binnen de heersende cultuur op zijn afdeling, kan eiser dus niet baten.
26. Omdat de primaire ontslaggrond in stand blijft behoeft het ongeschiktheidsontslag geen verdere bespreking.
Overschrijding redelijke termijn
27. Ten aanzien van het betoog van eiser dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM [12] en hij daarom in aanmerking komt voor een schadevergoeding, overweegt de rechtbank als volgt. In procedures als deze mag, volgens vaste jurisprudentie, de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, als de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd. [13] De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Tot de omstandigheden die een langere behandelingsduur kunnen rechtvaardigen worden onder meer gerekend de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces. [14] Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
28. Verweerder heeft het bezwaarschrift gericht tegen het primaire besluit op 17 juli 2023 ontvangen. Vanaf deze datum tot aan 26 juni 2026, de datum van de uitspraak op het onderhavige beroep, zijn 2 jaar en elf maanden verstreken. Dat betekent dat de termijn, afgerond naar boven, met een jaar is overschreden. Dit betekent dat eiser recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000,-. De behandeling van het bezwaar door verweerder heeft langer geduurd dan de toegestane periode van een half jaar, namelijk 13 maanden. De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding in bezwaar geheel aan verweerder is toe te rekenen. Verweerders betoog dat de termijnoverschrijding is veroorzaakt door de onderzoekswensen van eiser volgt de rechtbank niet. De rechtbank stelt vast dat er ook een overschrijding is in de beroepsfase. Het voorgaande leidt ertoe dat de schadevergoeding van € 500,- voor rekening komt van verweerder en € 500,- voor rekening van de Staat.

Conclusie en gevolgen

29. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit en daarmee het ontslagbesluit van 8 juni 2023 in stand blijven. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn wordt het verzoek om immateriële schadevergoeding toegewezen.
30. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Er bestaat wel aanleiding om de Staat en verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser in verband met de toewijzing van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 0,5), door de Staat en verweerder elk voor de helft te betalen, dus ieder € 233,50. Voor vergoeding van overige proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder en de Staat ieder tot het betalen van € 500,- aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt verweerder en de Staat ieder tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzitter, mr. D. Biever, lid en kapitein ter zee logistieke dienst mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, militair lid, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Burgerlijk ambtenarenreglement (BARD)
Artikel 99, eerste lid, van het BARD bepaalt dat de ambtenaar, die de hem
opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair kan worden gestraft. Het tweede lid geeft aan dat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van Iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen, wordt gezien als plichtsverzuim.
Artikel 100, eerste lid, aanhef en onder 1, van het BARD noemt ontslag als een disciplinaire straf.
Artikel 103, eerste lid, van het BARD bepaalt dat de straf, behalve die van schriftelijke berisping, niet ten uitvoer wordt gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.
Artikel 121, eerste lid, aanhef en onder g, van het BARD bepaalt dat de ambtenaar ook ontslagen kan worden op grond van ongeschiktheid of onbekwaamheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken
Gedragscode Defensie
Over de 2e basiswaarde "veiligheid" uit de gedragscode is, voor zover relevant, d volgende omschrijving opgenomen:
"Geldende procedures zijn bij mij bekend en ik pas deze verstandig toe.
{...] Ik ga respectvol met ieder ander om. Ik besef dat er voor pesten, agressie, (seksuele) Intimidatie, discriminatie of ander ongewenst gedrag geen plaats is binnen Defensie. In het geval van ongewenst gedrag of onaanvaardbare risico's grijp ik in, bespreek ik dit of maak Ik hier melding van. [...]"
Over de 3e basiswaarde "vertrouwen" uit de gedragscode is de volgende omschrijving opgenomen:
"Ik ben mij altijd bewust van mijn voorbeeldfunctie en de hoge eisen die
de samenleving stelt aan mijn gedrag. Ik spiegel mijzelf op zijn handelingen, of het nu dienst is of erbuiten, op uitzending of op het internet. Dit maakt mij betrouwbaar voor mijn collega's en voor de samenleving". Daarnaast bevat vertrouwen de omschrijving: "Dit vergt dat ik nauwkeurig werk, mijn afspraken nakom, zorgvuldig omga met middelen en bevoegdheden en dat ik eerlijk en open communiceer.
Gedragsregels Defensie: sociale veiligheid en integriteit.
Over de 1e basiswaarde " verbondenheid" uit de gedragscode Is in de gedragsregels defensie de volgende omschrijving opgenomen:
"Iedereen bij defensie is verantwoordelijk voor een sociaal veilige werkomgeving. Dit betekent dat we bij Defensie respectvol met elkaar en andere omgaan, in omgangsvormen en taalgebruik."
In de SG aanwijzing A/984 Is In hoofdstuk 2.4 voor zover relevant het volgende opgenomen: Commandant en leidinggevende zijn verantwoordelijk om binnen hun eenheid of afdeling een cultuur te creëren en te behouden waarin individuele verschillen aanwezig mogen zijn, waarin aandacht Is voor risico's op psychosociale arbeidsbelasting en medewerkers elkaar en ook de leidinggevende kunnen durven aanspreken. Leidinggevenden moeten hun gesprektechnieken beheersen, bekwaam zijn In luisteren en vertrouwen geven aan het team.

Voetnoten

1.Zie de beleidsregel van 8 juli 2014, Staatscourant 2014, 20210.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) van 30 maart 2017, ECLI:CRVB:2017:1234.
3.Burgerambtenarenreglement Defensie.
4.Bijvoorbeeld uitspraak van de Raad van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20157.
6.Zie de uitspraak van de Raad van 21 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3187.
7.Zie verklaring van [naam 3] bij de COID, p. 4.
8.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2093.
9.Bijvoorbeeld uitspraak van de Raad van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3895.
10.Zie bijvoorbeeld uitspraak van de Raad van 17 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3213, r.o. 4.2.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3671, r.o. 4.6.2.
12.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
13.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
14.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.